Schrijf een verslag over het onderwerp: maak een operationaliseringstabel bij de deelvraag: wat zijn de deelnamemotieven en belemmeringen van 55-plussers in de wijk Delfshaven voor deelname aan het walking football met onderstaande theoretisch kader`; 5.2 deelnamemotieven en belemmeringen
Om een verklaring van sportdeelname te geven, wordt er gebruikt gemaakt van de sociaalecologische model theorie van Bronfenbrenner (1986). Bronfenbrenner (1986) omschrijft de omgeving van een individu als bestaande uit verschillende lagen, waarbij elke laag een relatie heeft met het gedrag. Hoe dichter de laag bij het individu staat, hoe sterker de relatie met het gedrag. Het sociaalecologische model bestaat uit vijf lagen: persoonlijke kenmerken, interpersoonlijke relaties, de sociale en fysieke omgeving, gemeentelijke of landelijke kenmerken en internationale verschillen. Persoonlijke factoren staan het dichtst bij het individu, de andere factoren liggen met het oplopen van de niveaus verder van het individu af (Bronfenbrenner, 1986). Echter worden de internationale verschillen nu buiten beschouwing gelaten, omdat er onderzoek gedaan wordt naar de sportdeelname van Nederlanders en er geen vergelijking gemaakt wordt met andere landen (Tiessen-Raaphorst et al., 2019).
Persoonlijke kenmerken:
Persoonlijke kenmerken is onverdeeld in drie categorien, namelijk: sociaaleconomische kenmerken, psychologische kenmerken en biologische kenmerken (Tiessen-Raaphorst et al., 2019).
Bij sociaaleconomische kenmerken gaat het voornamelijk om geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, etnische achtergrond en levensfase die gerelateerd zijn aan sportdeelname en -verband. Elke factor van deze sociaalecologische kenmerken heeft te maken met het wel of niet deelnemen aan een sportaanbod. Ouderen zijn bijvoorbeeld minder actief binnen een sportvereniging, maar kiezen juist ervoor om alleen te sporten of deel te nemen aan een aanbod via een medische aanbieder (zorginstelling of fysiotherapeut). Met het ouder worden neemt de kans op een slechtere gezondheid toe. Mensen met een slechtere gezondheid doen vaak minder aan sport en bewegen ook minder (Pulles & Wendel-Vos, 2018).
Psychologische kenmerken kunnen motiverend of belemmerend werken. Deci en Ryan (2002) omschrijven motivatie als een gefaseerd proces: van helemaal niet gemotiveerd, via extrinsiek gemotiveerd naar intrinsiek gemotiveerd. Extrinsieke motivatie kan zowel uit de persoon zelf komen (je verplicht voelen of je schamen als je niet sport) of door druk van buitenaf, zoals de sociale druk of leefstijl. Bij intrinsieke motivatie ervaar je plezier, ontspanning of een gevoel van tevredenheid aan de activiteit. De intrinsieke motivatie is gerelateerd aan eigen-effectiviteit. Uit onderzoek van Duncan en Mummery (2005) is gebleken dat mensen die vertrouwen hebben in hun sportieve vaardigheden 93% meer kans hebben om fysiek actief te zijn in vergelijking met mensen die een lage eigeneffectiviteit hadden. Het vertrouwen in eigen kunnen bepaalt mede of men het sporten ook op langere termijn volhoudt (Mcneil et al., 2006). De Bourdeadhuij et al. (2005) heeft een onderscheid gemaakt in zes categorien waarin motieven ingedeeld kunnen worden, namelijk: competitie, uiterlijk, psychologische waarde, gezondheid, plezier en ontspanning.
Naast motiverende factoren zijn er ook factoren die sportdeelname kunnen belemmeren (Trost et al., 2002). Dit kunnen zowel lichamelijke als psychologische belemmeringen zijn, zoals gebrek aan zelfverzekerdheid over het uiterlijk, te moe zijn, niet in goede gezondheid zijn en een gebrek aan energie of een gebrek aan tijd en interesse zijn factoren die gerelateerd kunnen zijn aan minder sporten (De Bourdeadhuij et al., 2005).
Uit verschillende tweelingstudies blijkt dat genetische kenmerken bijdragen aan individuele verschillen in sportgedrag (De Geus et al., 2003). Schuttte (2017) zegt het volgende hierover: de positieve of negatieve beleving van sportdeelname (zoals fitheid en conditie, persoonlijkheid en sportattitudes) wordt deels verklaard door genetische factoren. Schutte (2017) beweert dat als iemand een positieve beleving heeft, wat gekoppeld is aan genetische factoren, dit de kans om te blijven sporten vergroot. Dit betekent dat het voor sommigen makkelijker is om te blijven sporten dan voor anderen, die niet over deze genetische factoren beschikken.
Interpersoonlijke kenmerken:
Volgens Bartholomew en Seefeldt (2002) zijn interpersoonlijke kenmerken formele en informele sociale netwerken die een directe kring om de persoon heen vormen, zoals vrienden, familie, kennissen en collegas. Op het moment dat er sociale steun is vanuit dit netwerk kan dit een belangrijke invloed hebben op de motivatie van mensen om te sporten (Tiessen-Raaphorst et al., 2019). Sociale steun kan op verschillende manieren vorm krijgen, namelijk: informatief (advies en informatie geven over plekken om te sporten), emotioneel (motiveren om te gaan sporten), structureel (bijvoorbeeld babysitten) en evaluatief (feedback geven op het sport-/ beweeggedrag). Duncan en Mummery (2005) ondervonden een positief verband tussen sociale steun en sportdeelname. Volgens Duncan en Mummery (2005) zullen personen die veel sociale steun ervaren ruim twee keer meer de kans hebben om voldoende fysiek actief te zijn dan mensen die weinig sociale steun ervaren. Takken et al. (2016) zegt dat de sociale steun van een netwerk te maken heeft met de normen en attitudes ten opzichte van sport. Als de familie- en vriendengroep sport belangrijk vindt, dan zullen zij eerder sport stimuleren.
Omgevingskenmerken:
Hoekman (2018) zegt dat naast de sociale steun en belang van normen en waarden uit het directe persoonlijke netwerk van het individu ook de sociale omgeving, die iets verder van de persoon af staat, verband heeft met het sportgedrag. De sociale omgeving bestaat uit de sociaaleconomische samenstelling, sociale cohesie, rolmodellen en veiligheid op bijvoorbeeld buurtniveau. Hierbij draait het erom of de sociale omgeving veilig en prettig genoeg is om te sporten en of men andere mensen in de omgeving ziet sporten. Volgens Beenackers et al. (2011) is het voor mensen met een lage eigeneffectiviteit, in tegenstelling tot mensen met een hoge eigeneffectiviteit, een drempel om te gaan sporten wanneer zij in een onveilige buurt wonen. Ook is het belangrijk hoe het sportaanbod georganiseerd wordt. De manier waarop coaches en trainers met hun sporters omgaan, bepaalt voor een belangrijk deel het plezier in het sporten, net als de omgang tussen sporters onderling, waarbij de kans op blijvende sportdeelname groter is. Het inzetten van buurtsportcoaches moet hier ook aan bijdragen (Breedveld et al., 2016).
Volgens Hoekman (2018) is de fysieke omgeving ook gerelateerd aan sportdeelname. Als de omgeving het individu niet uitlokt tot sporten of bewegen in bredere zin, of zelfs een obstakel hierin vormt, dan heeft dit een negatief effect op sportdeelname. Volgens Tiessen-Raaphorst et al. (2019) is de fysieke omgeving een factor waarop de meeste invloed uitgeoefend kan worden. Hierbij gaat het om de inrichting van zowel de directe woonomgeving als de ruimte ordening in en rondom de woonplaats, bijvoorbeeld de aanwezigheid van sportaccommodaties en voet- en fietspaden. Cerin et al. (2008) zegt dat de invloed van de fysieke omgeving niet voor iedereen gelijk hoeft te zijn. Er werd geconstateerd dat de aanwezigheid en toegankelijkheid van recreatieve faciliteiten alleen een positief effect had op de groep die laag scoorde op eigeneffectiviteit en op het leuk vinden van sport. Volgens Lenthe et al. (2010) was de rol van de fysieke omgeving bij bewegen kleiner dan bij sport. Zij zeggen dat mensen die weinig bewegen, belemmerd worden door barrires in de fysieke omgeving en nemen deze barrires af naarmate mensen iets aan sport gaan doen.
. De tekst moet geschreven zijn op het niveau van de Hogeschool. De tekst moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. De tekst moet in onbeperkt aantal woorden geschreven zijn. De stijl van de tekst moet zijn: geen voorkeur.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag