Maak een oefenexamen van de volgende tekst: SAMENVATTING KRACHTIG ONTWERPEN
LES 1
De klas als leefmilieu
- Multidimensionaliteit: veel verschillende gebeurtenissen in de klas
- Gelijktijdigheid: gebeurtenissen gebeuren tegelijkertijd
- Onmiddellijkheid: direct reageren op de situaties
- Onvoorspelbaarheid: gebeurtenissen gebeuren onverwacht
- Openbaarheid: interacties blijven niet onopgemerkt en hebben invloed op de verwachtingen van andere leerlingen
- Geschiedenis: klasgroep heeft een voorgeschiedenis
Klasbeheer = Klasbeheer binnen lesgeven omvat de strategien en technieken waarmee een leerkracht een gestructureerde, positieve en productieve leeromgeving creert en behoudt.
Klasbeheer zorgt voor actief leren, hoge motivatie, positieve attitude
Hoe doe je aan goed klasbeheer?
- Lesdoelen en leerinhoud: duidelijke doelen, aansluiten bij leefwereld kinderen, kader vd les in een groter geheel, belang benadrukken vd leerinhouden
- Keuze en uitvoering van werkvormen: doe-activiteiten, interactie, op niveau vd leerlingen, duidelijke instructies
- Begeleiding door en de stijl van de leraar: succeservaringen realiseren, effectieve feedback geven, humor/enthousiasme, positief klasklimaat nastreven
4 pijlers
1) Controle: overzicht, ruimte, klasopstelling
2) Tempo: lesovergangen, weten waar alles ligt
3) Motivatie: boeiend lesgeven, activerende werkvormen
4) Duidelijkheid : instructies, procedures, consequent zijn
LES 2
Proactief klasbeheer!
- Opmerkzaamheid en erbij zijn: snel tussenkomen, problemen aanpakken
- Simultaan gedrag: verschillende dingen tegelijk doen
- Continuteit en soepel verloop (binnen een les en tussen lessen): voorbereid zijn, vlotte lesovergangen
- Uitdaging en afwisseling in opdrachten: afwisseling in werkvormen
- Groepsfocus en verantwoordelijkheid delegeren: betrokkenheidsverhogende factoren
Kenmerken van goed klasbeheer
1: Controle
Ordebeschermers ordebewakers ordehandhavers
- Beschermers: zaken waar je op voorhand over kan nadenken
Geen overbodig materiaal op de tafeltjes, duidelijkheid (instructies), inhoudelijk stevig staan (lesvoorbereiding),
- Bewakers: tijdens de les
Oogcontact: hele groep, geen oogcontact = afhaken
Toezicht: controleren of ze goed meewerken, klas controleren voordat je 1 ll helpt,
- Handhavers: tijdens de les
Als de orde toch verstoord wordt, op tijd ingrijpen!
2: Tempo
Continuteit
Vlotte overgangen
Rekening houden met tempoverschillen (groep aan het werk zetten, zwakkere extra ondersteuning bieden)
Niet afwijken van les
Materiaal: op tijd klaarleggen, genoeg voor iedereen, afspraken over materiaal
Individualisering opbouwen: 3 sporen -> 1 groep zelfstandig, 1 groepje beetje extra uitleg, 1 groep extra ondersteuning
3: Motivatie
Vasthouden van de aandacht en uitdagende/gevarieerde taken
Boeiend lesgeven: blijvend de aandacht trekken
Positieve bevestiging!
Vragen stellen/doorvragen
Beginsituatie goed kennen!
Aansluiten bij de leefwereld
Gepast reageren op fouten
** Hoe leerlingen betrekken?
Vragen stellen en doorspelen naar andere leerlingen, doorvragen bij fout/onvolledig antwoord
4: Duidelijkheid
Didactische duidelijkheid
Duidelijke doelen, lesstructuur, opdrachten, instructies, verwachtingen, gedragsregels
Routines
Waarom belangrijk?
Veiligheid en zekerheid
Rust
Positieve leeromgeving
Efficintie: soepeler en sneller verloop -> meer lestijd!
Stabiele en voorspelbare leeromgeving creren
Soorten: ochtendroutine, avondroutine, opruimroutine
Maak duidelijk wat gewenst gedrag is
Hoe het klaslokaal binnenkomen/verlaten? Hoe gedragen tijdens de les
Benoem vaak wat goed loopt!
Wees consequent met consequenties
Gewenst gedrag: positief besmettelijk maken
Ongewenst gedrag: zo snel mogelijk bannen (oogcontact maken, naam roepen, consequentie aan koppelen)
LES 3: ZIT IN LES 2 VERWERKT
LES 4: WERKVORMEN
Wat zijn didactische werkvormen?
Een didactische werkvorm staat voor de werkwijze waarmee de leerkracht de vooropgestelde lesdoelen wil bereiken, of de wijze waarop hij de leerinhoud aanbrengt.
Werkvormen = kern van de HOE (rekening houden met wat -> doelen en inhouden)
Leraar: onderwijsactiviteiten (uitleg geven, vragen stellen, instructies geven, materiaal tonen)
Leerling: leeractiviteiten (luisteren, noteren, oefeningen maken, opdrachten uitvoeren)
Didactische variatie
Niet alle werkvormen zijn geschikt voor alle doelen
Een klas is divers samengesteld -> variatie nodig
Complexiteit van een werkvorm afhankelijk van: vertrouwd zijn met samenwerken, zelfstandigheid, beschikbare tijd, aantal leerlingen, didactisch materiaal
Activerend onderwijs
Gaat niet noodzakelijk over het motorische
Werkvormen => activerende werking bij de leerlingen
Leerlingen tot actieve verwerking van de leerinhoud brengen
Elke werkvorm = potentieel activerend -> kwalitatieve didactische aanpak nodig!
Diepgaander leren => blijft langer opgeslagen in het geheugen
Werkvormen kiezen rekening houden met
- Doelen die je wil bereiken
- Lesfase (begin, kern, einde)
- Situationele gegevens (beginsituatie)
Moment van de dag
Uitrusting lokaal
Klaskenmerken (sfeer, groepsgrootte)
Tijd
- Kenmerken leerkracht leerlingen (beginsituatie)
Onderwijsstijl leerkracht
Verschillende leerstijlen leerlingen
Samenwerkingsvaardigheden
Samenstelling klasgroep/leervermogen
- Behoefte aan differentiatie en zelfsturing
Lesbegin en leseinde
- Begin
Beginsituatie onderzoeken: nieuwe inhoud = voorkennis vd leerlingen achterhalen, linken aan leefwereld vd kinderen
Herhalen: vertrekpunt bepalen, voorkennis onderzoeken, belangrijke strategien herhalen
Verwerken van een voorbereidende taak
Sfeer scheppen
- Einde
Productevaluatie: zijn de doelen bereikt? Synthese van de inhouden
Procesevaluatie: hoe is de les verlopen?
Afsluitende activiteit: afronder, warm maken voor volgende les, voorbereidende taak volgende les
LES 5: WERKVORMEN (IN LESVOORBEREIDING)
Hoe in lesvoorbereiding zetten?
Didactische werkvorm + groeperingsvorm in grootste kolom zetten
Didactisch materiaal in laatste kolom zetten
Voor de leerlingen: elk een schaar, kleurpotloden
Voor de leraar: prentenboek, afbeeldingen/fotos vd speelplaats
Nadenken over hoe het materiaal bij de leerlingen geraakt
Alle lln verzamelen materiaal bij de start van de les
Uitdelers
Op voorhand klaarleggen
Bij klasmanagement -> denk aan je ORDEBESCHERMERS!!!
Controle, tempo, motivatie, duidelijkheid ook meenemen in lesvoorbereiding
LES 6: EDI
2 strekkingen binnen onderwijs
- Klassiek model: kennisrijke curricula (directe instructie)
9 stappen om je doel te bereiken (zeer strikt)
Sociale vaardigheden (leren leren, vakoverschrijdende doelen) niet tot weinig aanwezig
Geen aandacht voor jezelf ontwikkelen, burgerzin ontwikkelen
- Met leuke werkvormen, meer aandacht voor welbevinden (zelfontdekkend leren)
Zelfontdekkend leren: het moet leuk zijn, zelf zaken ontdekken of opzoeken door bv hoekenwerk
Talenten van kinderen meer aandacht geven
2 visies gaan combineren!!!
Directe instructie: bij wiskunde bijvoorbeeld
Zelfontdekkend leren: bij MUVO bijvoorbeeld
Uitgangspunten EDI
- Instructie is het <3 van effectief onderwijs
- Talent ontwikkelen bij alle leerlingen
- Leerlingen die les krijgen volgens het EDI principe leren niet alleen meer, ze hebben ook meer zelfvertrouwen en zijn beter in het oplossen van complexe problemen
- Vorm van metacognitief lesgeven
Je weet als leraar hoe en wanneer je technieken inzet, waarom je dit doet en wat het effect ervan is
Het voortdurend geactiveerd worden, feedback en herhaling zorgen ervoor dat lln ook inzicht krijgen in hun leerproces
9 lesfasen
1) Activeren van voorkennis: van langetermijngeheugen naar werkgeheugen -> hersenen beginnen te werken
2) Lesdoel duidelijk maken: wat willen we bereiken (meedelen aan kinderen of niet?) -> leren zelf reflecteren of ze het doel bereikt hebben of niet
3) Instructie concept: over alle nieuwe begrippen -> hen alles laten verwoorden om zoveel mogelijk die begrippen te leren gebruiken
4) Instructie vaardigheid: cijferen, telefoongesprek voeren, determinatietabel gebruiken leren gebruiken -> vaardigheden ontwikkelen door de stapjes veelvuldig te doorlopen
5) Begeleide inoefening: samen oefeningen maken maar lln komen steeds meer aan bod (ik, wij, jullie, jij)
6) Kleine lesafsluiting: kleine evaluatie
7) Zelfstandige verwerking: zijn zelf aan zet en kijken of ze het kunnen (kan ook met 2)
8) Verlengde instructie: even terug hulp van de leraar krijgen om daarna weer zelfstandig door te werken
9) Grote lesafsluiting: product- en procesevaluatie (proces vooral bij groepswerken)
***Niet alle kinderen hebben alle stappen nodig om te weten of ze het kunnen of niet
Flexibel zijn: sneller aan de oefeningen beginnen OF de kinderen zelf laten uitleggen
Technieken
- Betrekken en activeren: LTG activeren om in werkgeheugen te steken
- Controleren van begrip
- Feedback geven onderweg
- Herhalen
Voorkennis activeren
Voorkennis is de kapstok waaraan nieuwe kennis wordt opgehangen
Nieuwe dingen makkelijker leren als je het kan koppelen aan eerdere info
Als voorkennis inactief is, dan zit je vast
Als voorkennis actief is, dan helpt het jou om te leren
Wat je al weet, bepaalt wat en hoe snel je leert
Je vraagt niet naar het specifieke lesdoel want dit is nieuwe leerstof (je kan niet nadenken over wat je nog niet weet)
Belang van een goede inschatting en kennis van de beginsituatie en van de leerlijnen!
Gebruik geen nieuwe of onbekende woorden
Je wil alle leerlingen laten nadenken, ongeacht hun algemene kennis of taalvaardigheid
Specifieke leerstof herhalen
Leerstof herhalen die je nodig hebt in de nieuwe les
Herhaling: controleert wat ze nog weten, of dit correct is en versterkt het onthouden verder (vergeetcurve!)
Als ze dit vergeten zijn, moet je dit opnieuw onderwijzen. Daarna toets je af of ze dit begrepen hebben dmv vragen of een opdracht
Timing!!! (richtlijn: 5 min)
Voorkennis activeren in 3 stappen
1) Kiezen welke voorkennis je activeert (kijk naar je lesdoel!)
2) Denken en delen (actieve betrokkenheid: laat lln nadenken, dingen opschrijven of overleggen met buur
3) Verbinden met nieuwe leerstof (expliciet uitleggen wat het verband is tussen voorkennis (hetgeen ze al weten) en wat ze deze les gaan leren -> lesdoel
Techniek: betrekken en activeren
Activeren om te leren
Actief deelnemen: bewegen, praten, meedoen en nadenken
Tempo zorgt ervoor dat er geen leerlingen kunnen afhaken
Bv meeschrijven, vragen beantwoorden, overleggen met buur, wisbordjes
Woorden uitspreken in hele zinnen
Moeilijke woorden niet uit de weg gaan maar actief gebruiken
Begrip verduidelijken
Laten uitspreken en herhalen door de leerlingen (versterkt leesvaardigheid)
Antwoorden op vragen moeten altijd in een zin
Lukt dit niet? -> ondersteuning bieden door al een deel van de zin voor te zeggen, een voorbeeldzin te zeggen,
Door met hun buur te werken, horen ze nog meer taal -> vragen om hun antwoord/denkwijze toe te lichten
Schoudermaatjes
Vorm van coperatief leren
Actief verwoorden van de leerstof zorgt voor beter onthouden
Laat voor oefening 1 leerling 1 aan bod komen, voor oefening 2 leerling 2
Overleggen in duos is effectiever dan met 3 of 4
Klasopstelling: heterogene groepen!!
Wisbordjes
Individuele activiteit
Productevaluatie: wie is er (nog niet) mee?
Goede afspraken maken over het spelen ermee
Aandacht terugkrijgen na het activeren
Signaal afspreken -> procedure goed aanleren en inoefenen
Als lln met buur aan het werk zijn en klaar zijn, wordt het vaak iets stiller (dat is het moment dat je moet hebben), erna zijn ze vooral bezig over andere zaken dan de les
LES 7:
Waarom is doelgericht werken zo belangrijk?
- Lesdoel maakt een les doelgericht ipv activiteitsgericht (doel bereiken <-> bezigheidstherapie)
- Alle leerlingen kunnen succesvol meedoen -> stilstaan bij welke kennis, vaardigheden en begrip nodig zijn om de leerstof zelfstandig te kunnen verwerken
- Lesdoel -> mogelijk om te controleren of alle leerlingen het hebben bereikt
- Lesdoel geeft duidelijkheid -> lln weten wat ze gaan leren en wat ze moeten kennen/kunnen
- Lesdoelen kennen een opbouw in moeilijkheid, en brengen lln naar een haalbaar hoger niveau
- In handleiding van een boek: heel veel doelen gegeven (tveel)
Doelen over wat ze al weten, kan je schrappen
- *Doelen moeten concreet zijn!*
!!Je lesdoelen staan een hele centraal DUS besteed er voldoende aandacht aan!!
Heldere doelen
- Vaardigheid: het gedrag dat de leerkracht van de leerling verwacht
- Concept: de essentie van de leerinhoud die de lln moeten verwerven
- Context: de criteria waaraan die prestatie moet voldoen (kwantitatieve criteria: aantal, tijdslimiet - kwalitatief: exact, in eigen woorden, didactisch verantwoord)
- Context: de voorwaarden bij de evaluatie (voorwaarden: didactisch materiaal (rekenmachine, ruitjespapier), plaatsaanduiding (in de bus, vooraan in de klas in een nagespeelde situatie))
Compact concreet controleerbaar/meetbaar begrijpelijke taal
Evt doelen uit het boek herformuleren zodat het duidelijker en beter is
Kinderen moeten lessen niet gewoon ondergaan -> ook actief gaan betrekken!
Voor de les kijken wat het doel is
Doelen methodes
In methodes -> per les vaak meerdere doelen
Geziene leerstof moet herhaald worden MAAR hoort niet tot lesdoel
Breng verschillende doelen samen tot een helder lesdoel
Welk concept (leerinhoud) wil je aanbrengen?
Welke vaardigheid (gedrag) wil je dat kinderen bereiken ah einde vd les?
2 doelen die weinig met elkaar te maken hebben -> opsplitsen in 2 lessen
Checken of alle oefeningen in het werkboek aansluiten bij het lesdoel
Zo weinig mogelijk lesdoelen: liefst 1 -> 2 of 3 ook nog ok
Ken je leerlijnen!
Gebruik methodes als leidraad
Maak doordachte keuzes, met behulp van jouw vakmanschap
Lesdoelen maken deel uit van een groter geheel
Lessenserie heeft een sorgvuldige opbouw van elkaar in moeilijkheid opvolgende lesdoelen stapsgewijs werken naar een hoger niveau
Logische opbouw naar doelen van leerstofblokken
Indelen van cognitieve doelen
1, 2 en 3: basic skills
4, 5 en 6: hogere orde denken
Voorbeeld: actieve voedingsdriehoek
1. Onthouden: Ik kan de verschillende onderdelen van de actieve voedingsdriehoek opsommen (bijv. groenten, fruit, granen, eiwitten, zuivel, vetten)
2. Begrijpen: Ik kan uitleggen waarom elk onderdeel van de voedingsdriehoek belangrijk is voor een gezond dieet.
3. Toepassen: Ik kan een maaltijdplan voor een dag opmaken volgens de principes van de actieve voedingsdriehoek.
4. Analyseren: Ik kan een analyse maken van mijn eigen voedingsgewoontes en deze vergelijken met de aanbevelingen van de actieve voedingsdriehoek.
5. Evalueren: Ik kan verschillende voedingsplannen evalueren en beoordelen op basis van de principes van de actieve voedingsdriehoek.
6. Creren: Ik kan een weekmenu opstellen, rekening houdend met de principes van de actieve voedingsdriehoek.
LES 8: VERDIEPEN LESSEN EDI INSTRUCTIES GEVEN
Met EDI stapsgewijs naar zelfstandigheid
1. Ik: leraar doet het voor
Expliciet onderwijzen hoe je het lesdoel bereikt
Kennis en vaardigehden onderwijzen
Verschillende manieren inzetten: uitleggen, handelen, hardop denken (afhankelijk van les en doel)
Uitleggen: strategie/handeling uitleggen
Handelen: je legt het niet alleen uit MAAR gebruikt ook gepast materiaal
Hardop denken: jouw denkstrategie verwoorden
Aandachtspunten ik-fase
Geef lln tijd om bordwerk over te nemen -> niet luisteren en schrijven tegelijk
Na de uitleg tijd om aan hun schouwermaatje of zichzelf uit te leggen hoe het antwoord tot stand is gekomen
Controlevragen stellen als leraar (ok? Volgende lesfase niet ok? Extra voorbeeld uitwerken)
2. Wij: allemaal samen
3. Jullie: per 2 proberen
4. Jij: alleen proberen
Instructie is meer dan gewoon uitleggen en over gaan naar het boek
Laat de kinderen aan het woord!
Instructie: de inhoud
- Onderwijzen van het concept
- Onderwijzen van de vaardigheid bij procedurele/feitelijke leerstof
Procedureel: stappenplannen die je moet uivoeren -> vaardigheden (bv wiskunde)
Feitelijk: feiten, theorie (bv WO)
- Onderwijzen van het belang van het lesdoel
Instructie: de inhoud onderwijzen van het concept
- Inhoudsanalyse
Definitie op kindniveau (1 of 2 zinnen)
Voorbeelden die het concept verhelderen
- OLA
Geef instructie: uitleggen/voordoen/hardop denken
Definitie op bord
Lln zijn actief bij het luisteren (aantekeningen maken, overleggen, in eigen woorden opschrijven
Stel controlevragen: herhalen van de definitie, toepassen met verschillende voorbeelden
Instructie: de inhoud onderwijzen van de vaardigheid bij procedurele leerstof
- Inhoudsanalyse
Helder stappenplan
Verwoorden op kindniveau
- OLA
Voordoen
Visueel stappenplan op bord (denk IKEA: niet alles moet geschreven worden)
Stel controlevragen: hardopdenkend overnemen, Wat? Waarom? Hoe?
Instructie: de inhoud onderwijzen van de vaardigheid bij feitelijke leerstof
- Inhoudsanalyse
Deel het concept van het lesdoel op in details
Kies een vorm om de details te ordenen (visueel schema)
- OLA
Visueel schema aanbieden aan lln
Uitleggen als instructievorm (meestal)
Geheugensteuntjes?
Stel controlevragen: over de details, over de ingevulde visuele schemas
Ga moeilijke woorden niet uit de weg
- Woordenschat verbreden
- Weet goed welke concepten nieuw zijn
- Welke moeilijke woorden gebruik je in je instructie?
- Kan je deze telkens kort en helder toelichten?
- Kan je ze visueel ondersteunen?
- Bekijk ook de opdrachten in het werkboek en verklaar moeilijke woorden
- Breng woorden in samenhang aan
LES 9: STUDEREN
LES 10: CONTROLE VAN BEGRIP EN FEEDBACK
Controleren van begrip
3 manieren om instructie te geven
- Uitleggen
- Handelen: auditief, visueel, voorwerpen
- Hardop denken: jouw denkstrategie verwoorden (TIP: laat een kind op bord een oefening maken en zijn/haar denkwijze verwoorden)
Waarom begrip controleren?
Achteref vingers en vragen vermijden
Beslissen om sneller door te gaan of net te vertragen
Niet goed begrepen? Verdere uitleg geven want oefeningen gaan niet goed gaan (fouten zijn moeilijker af te leren dan iets juist aan te leren
Lln worden geactiveerd en aangezet tot nadenken
Controleren nadat je iets nieuws uitlegt
Om de paar minuten vragen stellen (niet wachten tot einde van de les)
Controle => herhaling => lange termijngeheugen
Niet steeds dezelfde leerlingen aan het woord laten (steekproef: minstens 3 leerlingen een vraag stellen)
Laat hen ook nadenken! Niet te snel een antwoord verwachten
Gebruik bv wisbordjes zodat je van iedereen het antwoord kan zien
Foute antwoorden zijn interessant
Niet te snel overgaan naar andere leerlingen
Stel vragen om te zien waar de fout ligt (stappen overlopen die de lln gezet heeft)
Stapstenen voor controleren van begrip
1: instructie geven
2: controlevragen stellen (inhoudelijke vragen, niet of iedereen mee is)
3: denktijd geven -> iedereen activeren, ideen uitwisselen
4: willekeurige beurten geven (minstens 3 antwoorden geven), kijken of IEDEREEN het begrepen heeft
5: actief luisteren: vervolgstappen bepalen door goed te luisteren
6: feedback geven
Wat is de impact van goede instructie?
Competentie stijgt -> motivatie stijgt -> gedragsproblemen verminderen
Feedback geven
Filmpje dia 15: dit is een klas van 4de leerjaar die feedback geeft op een werkje gemaakt van een leerling uit 1ste leerjaar. Samen met de leraar leren ze om constructief feedback te geven, opbouwend. En niet gewoon zeggen: goed, niet goed, het was leuk, niet leuk, ... maar wel diepgaander en feedback waarmee de leerling aan de slag kan om zijn werkje beter te maken.
Het begrip feedback
- Info van een leerkracht, ven een leerling zelf of van medeleerlingen over het gedrag of de prestatie van een leerling tov een na te streven doel
- Feedback geeft ook aan hoe de leerling dat doel kan bereiken
Feedback doet leren
Directe feedback => zo snel mogelijk na het uitvoeren van de taak
Wat werkt?
Tussentijdse feedback (niet alleen op het einde)
Focus op de belangrijkste elementen (positief n negatief)
Leerlingen kans geven te tonen wat ze geleerd hebben uit de feedback
Feedback: wat je nu al doet (positief en negatief)
Feedforward: wat je kan doen om het verbeteren, tips
Feed-up: wat je moet bereiken
Criteria meegeven met de kinderen waaraan hun werk moet voldoen (= doelniveau)
DUS je geeft eerst feed-up, dan feed-back en tenslotte feedforward
Feedbackcyclus
Elke feedbackvraag gaat over 4 niveaus
Taakniveau
Feedback op taakniveau geeft aan of een taak juist is uitgevoerd of niet. Richt zich op de antwoorden/producten. We noemen dit ook wel correctieve feedback.Daarbij kan gedacht worden aan een opmerking als: je hebt het juiste antwoord geschreven of ik zie nog twee foutjes in je schrift
Procesniveau
Feedback op procesniveau zegt iets over hoe leerlingen het leerproces hebben doorlopen en welke denkstappen zijn gezet. Waarom heb je deze taak op deze wijze aangepakt?, welke vragen heb je gesteld om de persoonsvorm uit de zin te halen?, Heb je het stappenplan goed doorlopen? "Ik zie dat je stap voor stap hebt gewerkt en je werk hebt gecontroleerd. Dat helpt om fouten te vermijden., "Je hebt een duidelijke structuur in je opstel aangebracht met een inleiding, middenstuk en conclusie. Dat maakt je verhaal makkelijk te volgen."
Zelfregulatie niveau
Feedback op zelfregulatie heeft (onder meer) betrekking op zelfevaluatie en de manier waarop leerlingen zelf hun leerproces sturen. Het gaat over taken als plannen, monitoren, controleren. Deze bevordert autonomie en eigenaarschap. Denk daarbij aan een opmerking als: Wat vind jij de sterke en minder sterke punten van dit werkstuk, en hoe kun jij je daarin verder ontwikkelen?, met welke opdracht ga je als eerste starten en waarom?, "Het is geweldig dat je een planning hebt gemaakt voor je project. Dat helpt je om georganiseerd te blijven en je tijd goed te beheren."
Zelfniveau
Feedback kan tot slot nog gericht zijn op het zelfniveau (competenties en/of houdingsaspecten) van de persoon. Bijvoorbeeld: Wat ben je toch een creatieve leerling.
Een compliment MAAR hebben leerlingen niet veel aan (voelt wel goed aan voor hun)
**Proces en zelfregulatie zijn meest effectief
Zelf-feedback en peer feedback
Niet gewoon een cijfer geven
Feedback ook zeer belangrijk
Geeft namelijk mee wat je beter kan doen
Zonder feedback heb je niet veel aan een cijfer
Link doelgericht leren
Effectieve feedback pas mogelijk als je doelen en inhouden helder zijn
In voorbereiding starten vanuit je doelen
Doelen en evt. bijhorende succesfactoren => feed-up (waar gaan we naartoe)
Observeren -> zo krijg je ook feedback
Wat zie je in de klas gebeuren? Wie fronst er en wie zit helemaal in de flow? Welke fouten merk je?
Beslissen: individuele feedback nodig of de hele klas aanspreken?
Reageren op antwoorden
Goed -> herhalen zodat iedereen het gehoord heeft
Gedeeltelijk goed -> aanvullen, verwarring vermijden
Foute antwoorden -> instructie opnieuw geven, misvattingen ophelderen, begrip vergroten
Fouten maken in de klas
Duidelijk maken dat er geleerd wordt uit fouten maken
Inzet waarderen van leerling, vraag herhalen, doorvragen
Niet meer lof geven voor juiste antwoorden
Vraag vereenvoudigen om dan in moeilijkheidsgraad te stijgen
Aanwijzingen geven
Steeds een antwoord verlangen (evt met hulp) -> toch naar een andere leerling gegaan? Keer terug naar de eerste lln (succeservaring)
Extra laten overleggen met buur
Meerkeuzevraag van maken
Aanpak vragen (stappenplan) -> kijken waar het foutloopt
Geef het antwoord, verwoord de stappen en laat herhalen
Feedback geven adhv wisbordjes
Eerst de goede antwoorden aanduiden -> inzetten op verwoording
Foute antwoorden laten aanpassen
Gelijkaardige oefening geven en kijken of ze het nu wel begrepen hebben
VANAF DIA 34: OEFENINGEN -> ZIE NOTITIES VANESSA VOOR UITLEG BIJ OEFENINGEN
LES 11: ANDERE LVB BEKIJKEN
LES 12: SAMENWERKEN
Samenwerken= skill dat je kinderen moet aanleren
Samenwerkend leren = coperatief leren
Samenwerken gaat niet automatisch: leerlingen hebben ondersteuning bij nodig en moeten erop oefenen
Meest veelbelovende aanpakken voor samenwerkend leren: groepen van 3-5 leerlingen die werken aan gezamenlijk doel of resultaat
Bij moeilijke klassen ook duos mogelijk => is ook samenwerkend leren
Verschillen tussen bij elkaar zitten en samenwerkend leren
Doelen van samenwerkend leren
Kinderen activeren doen nadenken laten creren
Leren van en met elkaar -> betere inzichten/prestaties
Betrokkenheid / motivatie creren
Ontwikkelen van samenwerkingsvaardigheden en zelfstandig leren
SAMENwerken
- Geen competitie (tussen en in groepen)
- Focus op leren en beheersen (ipv op product alleen)
- Iedereen is verantwoordelijk voor de groep
- Kritiek op elkaars ideen persoonlijke aanval
- Fouten en feedback horen bij het leerproces
- Ga er niet vanuit dat lln spontaan kunnen samenwerken -> neem tijd om het te leren
VOORBEELD: KAMISHIBAI (ZIE PPT DIA 13-16)
Kenmerken van samenwerkingsvormen
1. Positieve wederzijdse afhankelijkheid
Lln zijn van elkaar afhankelijk om het leerdoel te bereiken
Ze weten dat ze het doel kunnen bereiken door samen te werken
De inzet van ieder groepslid is nodig om succesvol te zijn
Deze afhankelijkheid is positief omdat het geheel van de gezamenlijke inspanningen meer oplevert dan de som van de afzonderlijke prestaties
Pos wed afh: als groep 1 antwoord vinden dat elk groepslid moet kunnen uitleggen OF als groep consensus bereiken over een antwoord OF als groep 1 werkstuk of presentatie leveren
2. Individuele verantwoordelijkheid
Elk groepslid levert een zichtbare bijdrage aan de groepsopdracht en kan dus aangesproken worden op zijn/haar bijdrage
De kans op meeliften wordt hierdoor verkleind
3. Directe interactie
De opdracht moet interactie stimuleren (ideen uitwisselen, info verwoorden, elkaar helpen enzovoort)
Goede opstelling van de tafels:
Lln moeten zo dicht mogelijk bij elkaar zitten zodat ze makkelijk materiaal kunnen delen en met elkaar kunnen overleggen
Tafels moeten zo staan dat lln mekaar kunnen zijn en ze niet hard hoeven te praten om zich verstaanbaar te maken
Belangrijk dat groepen mekaar niet kunnen storen
4. Samenwerkingsvaardigheden
Niet alle lln verwerven deze vaardigheden spontaan
Gericht aandacht schenken aan de ontwikkeling ervan
Stijgende moeilijkheidsgraad
Selecteer slecht enkele vaardigheden per activiteit, je kan niet aan alles werken
5. Nabespreking groepsproduct en groepsproces
Proces: aandacht voor de samenwerkingsvaardigheden -> lln kunnen groeien
Samenwerking zelf evalueren (zelfevaluatie, peerevaluatie, klassikaal)
Product: het eindresultaat
Feedback tijdens presentaties/ tentoonstelling/
Kijkers krijgen feedbackblaadje
Criteria staan aan bord als houvast voor nabespreking
Gebruik samenwerking doordacht
- Energie die naar samenwerken gaat, gaat niet naar andere zaken
- Is samenwerken een meerwaarde?
- Complexe/meervoudige opdracht -> samenwerken nuttig
- Oefenen in samenwerken -> feedback -> vlotter
- Duidelijke instructies: rollen, volgorde opdrachten
- Groeperingsvorm: homogene groepen (sneller) <-> heterogene groepen (meer discussie, diepgang, meer leren van elkaar)
Samenwerkingsvaardigheden (punt 4, zie hoger) (uit lestekst)
Samenwerkingsvaardigheden kunnen naar complexiteit opgedeeld worden in 3 groepen
- Basisvaardigheden (van kleuter tot hele lagere school wordt hier aandacht aan besteed)
Prettig omgaan met elkaar
Eigen initiatief
Gericht zijn op anderen
Heldere afspraken en regels naleven -> zorgt voor taakgericht werken
- Voortgezette vaardigheden (samenwerken in groep zal beter verlopen
Communicatie: niet alleen luisteren naar elkaar maar ook reageren op elkaar
Betrokkenheid bij de groep (elkaar aanmoedigen etc)
Elkaar leren helpen (zeker als je heterogene groepen hebt, wat meestal het geval is)
Doelgericht werken (het werk plannen, taken eerlijk verdelen, elkaar aan de taak doen herinneren)
- Vaardigheden voor gevorderde groepen (complexe samenwerkingsvaardigheden die niet iedereen onder de knie zal krijgen)
Aandacht voor verschillende perspectieven (verschil in mening aanvaarden, in ander standpunt verplaatsen)
Omgaan met lastige attitudes (met elkaar problemen oplossen, vriendelijk zeggen dat je het er niet mee eens bent, kritiek geven op ideen niet op personen)
Optimale opbrengst door
Verschillende ideen te integreren
Ideen verder uit te bouwen
De groep te stimuleren/motiveren
!! Benadrukken van 1 of 2 vaardigheden per les is genoeg !!
LES 13: BKD (BINNEN KLAS DIFFERENTIATIE)
Diversiteit in de klas
Leerlingen kunnen op heel wat manieren van elkaar verschillen
Tempo van leren (snelle en trage werkers)
Interesses (vakken, sport, hobbys)
Leerprofielen (bepaalde werkvormen, leercontexten)
Cognitieve capaciteit (problemen oplossen, analyseren, memoriseren)
Sociale vaardigheden (samenwerken, empathie)
Lln met leerproblemen of -stoornissen (dyslexie, dyscalculie, ADHD)
Lln met beperking
Culturele verschillen (religie, waarden en normen verbonden aan afkomst)
Verschillen in moedertaal en taalbeheersing van de schooltaal
Sociaal-economische verschillen (zoals armoede, sociaal vangnet)
Gezinssituatie (gescheiden ouders, noudergezinnen, heel grote gezinnen)
Heel veel verschillen tussen leerlingen -> soms hebben ze het gevoel dat leerstof hun petje te boven gaat
Moeten succeservaring hebben
Lln leren om door te zetten -> is normaal dat het niet van de eerste keer lukt
Barrires om te leren weghalen -> inclusief onderwijs
Equality: iedereen gelijk voor de wet
Geen onderscheid maken tussen leerlingen
Geen sociale vaardigheden? PECH
Equity: iedereen heeft noden en recht op eigen behandeling
Dezelfde les aan iedereen geven maar aanpassen aan elk afzonderlijk kind
Jij zegt welke ondersteuning nodig is voor welk kind
Voorbeeld: drie sporen
Inclusion
Zit standaard in je les
Tegemoet komen aan de noden in de klas
Barrires opheffen en leeromgevingen creren waarvan alle kinderen profiteren
Verschillende middelen voorzien om je leerlingen te helpen
Bv woord en beeld koppelen, verschillende soorten oefeningen, inspelen op interesses
Niet gemakkelijk -> nadenken bij elke les over wat kinderen zouden kunnen gebruiken
BKD-leer-kracht-model
- BKD = basisfilosofie
Kompas gericht op de leerlingen (niet op de methode)
Groeigericht lesgeven -> de lat voor iedereen hoog leggen
Equity voorbeeld: bij een taalles moet er een tekst gelezen worden -> taalzwakke leerlingen de tekst op voorhand meegeven
Fixed mindset <-> growth mindset
Alle leerlingen + leerkracht moeten growth mindset hebben
Leerlingen en leerplan als kompas
Flexibel omspringen met handleidingen, werkboeken
Leerplan is prioritair
Kritisch kijken naar welke oefeningen je wel en niet gaat maken in het werkboek
Aandacht voor persoonsgebonden doelen!
- Pro-actieve, positieve en planmatige aanpak
Proactief = anticiperen op diversiteit in de klas (VOOR je de les geeft over nadenken)
Positief = diversiteit als meerwaarde, vanuit een growth mindset
Planlatig = bewust plannen
Met het oog op het grootst mogelijke leerrendement voor elke leerling
- Maximaal leren bij elke leerling faciliteren
Interesses (waarom leren ze?) -> zorgt voor leermotivatie
Verhoogde leermotivatie
Themas aanpassen aan de tijd van het jaar of wat ze leuk vinden
Interesses en leefwereld van de lln in kaart brengen (hobbys, sport, spel, boeken)
Voorbeelden: vertrekken vanuit een boeiende probleemstelling, beweging integreren in je les, multimedia integreren
Leerstatus (wat leren ze?) -> zorgt voor leerwinst
Verhoogde leerwinst (metacognitief, socioaffectief, motorisch)
Differentiatie adhv oefeningen -> aangepaste oefeningen geven (bv adhv 3 sporen)
Pre-teachen: voordat de klas er is, al een leerling meenemen om iets op voorhand te doen
Alles wat je voorziet (afbeeldingen etc)
Nadenken over groepsverdeling (zwakke bij sterke zetten bv)
Vaste groepen VS flexibele groepen
Lln indelen volgens vaste groepen (3 sporen bv) heeft een aantal negatieve implicaties
Negatief zelfbeeld
zwakke groep krijgt t eenvoudige leerstof en blijven bijgevolg lager presteren
Niveauverschil tussen sterke presteerders en zwakke presteerders wordt behouden of vergroot
Meest lln profiteren meer van heterogene of flexibele groepen
*Homogeen: inzetten op ondersteuning die de hele groep nodig heeft
*Heterogeen: inzetten op het leren en versterken van elkaar
*Flexibiliteit en variatie: kinderen hoeven niet altijd in de groep te zitten voor extra instructie, dat kan wisselen naargelang de inhoud
Leerprofiel (hoe leren ze?) -> zorgt voor meer leerefficintie
Verhoogde leerefficintie
Verkennen en groeien in verschillende leerstrategien
Rekening houden met verschillende leerstijlen (individueel, samen, snel)
Uitgangspunt: didactische variatie (groepswerk, uitleg van de leerkracht)
- Ondersteunen van zelfstandigheid
- Output = input
Leren is een cyclisch proces
Feedback
Wat je lln op het einde van een activiteit kunnen, is je startpunt voor een volgende activiteit: welke herhaling/ondersteuning/uitdaging is nodig?
5 richtlijnen om goed om te gaan met verschillende tussen leerlingen
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is onbeperkt.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag