Studiebot antwoord

Stel een vraag ›
 
Vraag gesteld door: Rosanne271 - 1 maand geleden

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Percentage voedingsstof in droge stof (formule):
Droge stof = 100% - vocht
%voedingsstof : %droge stof x 100% = %voedingsstof in droge stof
Essentile vetzuren:
Linolzuur, linoleenzuur, DHP, EPA, arachidonzuur (niet voor hond).
Belang van vetten voor voer:
Compacte energie, essentile vetzuren, opgeloste vitamines, smakelijkheid.
Biologische waarde (hoog/laag):
Hoog (dierlijk): voedingseiwit lichaamseiwit; eiwit (bijna) volledig bruikbaar voor de opbouw van weefsels en enzymen (bevat vaak alle essentile aminozuren).
Laag (plantaardig): eiwit wordt grotendeels verbrand energie; afvalstoffen lever + nieren ureum.
Kwaliteit voer bepaald door:
Houdbaarheid, afwijkingen (schimmel, zuur, rans), voederwaarde (energie, bouwstoffen, vitaminen), smaak + geur, verteerbaarheid, kwaliteit grondstoffen.
Factoren voor bepalen voerbehoefte:
Leeftijd jong: energie + eiwit nodig; volwassen: onderhoud, lage biowaarde, ballasteiwit; oud: minder energie, hoogwaardig eiwit (nieren).
Lichaamsgewicht BCS 5 pt.: mager-dun-goed-dik-vet.
Conditie leeftijd, exterieur, (eet/drink)gedrag, spijsvertering.
Productiestadium
Leefomgeving huisvesting, klimaat (temp.+RV), grazen, bezettingsgraad.
Diersoort landbouwhuisdier, gezelschapsdieren, vogels, terrariumdieren, vissen.
Eetgedrag bijv. selectief eten.
Factoren waterbehoefte:
Omgevingstemperatuur hoe warmer, hoe meer verdamping, hoe meer wateropname.
Activiteit hoe actiever, hoe meer verdamping, hoe meer waterbehoefte.
Ziekte koorts en bijv. nierfalen en suikerziekte verhogen de vochtbehoefte.
Voersoort natvoer bevat meer water dan droogvoer.
Samenstelling voer zoutpercentage - dorst, waterpercentage.
Diersoort natuurlijk leefmilieu/biotoop, oorsprong: stofwisseling, transpiratiemogelijkheden en leefwijze aangepast aan natuurlijk leefmilieu.
Klimaat omgevingstemperatuur/luchtvochtigheid bepalen de vochtbehoefte.
Grootte/gewicht zwaar/groot dier drinkt meer dan een klein/licht dier.
Dracht drachtig dier drinkt meer.
Lactatie zogend dier drinkt meer.
Observeren/controleren bij voedsel verstrekken:
Reactie dieren op verstrekken voer.
Belangstelling voor het voer.
Direct beginnen met eten.
Daadwerkelijk opnemen voedsel.
Niet alleen spelen met voedsel.
Niet te veel morsen.


3 punten waarop seniorenvoer verschilt en waarom:
Lager energiegehalte, lager eiwitgehalte en hoogwaardiger eiwit (hoge biowaarde).
Senioren vaak verminderde nierwerking: teveel ballasteiwitten ureum nieren extra belasting = nog meer nierproblemen.
Voorwaarde om tot dezelfde soort te behoren:
Kunnen paren en vruchtbare nakomelingen (vrije partnerkeuze).
Ras:
Diergroep met dezelfde erfelijke eigenschappen.
Raszuiver:
Bij onderlinge paringen worden de erfelijke eigenschappen overgedragen.
Zoogdieren (kenmerken):
Vrouwtje zoogt jongen; uier en spenen.
Levende jongen
Warmbloedig
Ademen via longen
Huid met haar
Melkklier
Roofdieren (kenmerken):
Carnivoren: kort maag-darmstelsel
Gebit: hoektanden, knipkiezen (verscheuren vlees)
Klauwen: nagels die uitgeslagen kunnen worden (kat)
Zintuigen: opsporen prooi
Katachtigen (kenmerken):
Prooi besluipen: korte poten, lenig lichaam, scherp zicht.
Hondachtigen (kenmerken):
Prooi achtervolgen en omsingelen: lange poten, krachtig lichaam, scherpe reuk.
Rasgroepen hond:
I Pinchers en schnauzers
II Windhonden
III Staande honden, spanils en retrievers
IV Keesachtigen en poolhonden
V Lopende honden en dashonden
VI Herdershonden
VII Terrirs
VIII Dogachtigen
IX Gezelschapshonden
Rasgroepen/categorien kat:
Categorie 1: Perzen en exoten
Categorie 2: Halflangharigen
Categorie 3: Kortharen en Somali
Categorie 4: Oosterse rassen

Onevenhoevigen:
Paardachtigen, neushoorns, tapirs.
Oneven aantal tenen middelste = hoef.
Herbivoren: lang maag-darmstelsel (planten harde celwand).
Plooikiezen (ribbelig).
Paardachtigen: hoefbeen, zweetklieren, 1 maag, grote blinde darm.
Evenhoevigen:
Runderachtigen (runderen, antilopen, bokken, schapen, geiten), kameelachtigen, varkens.
Herkauwers: 2 hoeven, 4 magen, tandeloze bovenkaak.
Runderen: herkauwen in rust, hoorn vanuit schedel.
Schapen: hoorndragers, ondergrond NL wijkt af.
Geiten: hoorndragers.
Varkens: 4 hoeven, wroetschijf, alleseters knobbelkiezen.
Knaagdieren:
Gebit: 2 snijtanden onder en boven; groeit door afslijten, olifantstanden; geen hoektanden, plooikiezen, behalve alleseters (rat) knobbelkiezen.
Grote blinde darm celwanden verteerd door bacterin; lange dunne darm.
Coprofagie: zachte mest uit anus eten.
Zooleelt: kale plekken handen en voeten.
Meestal nachtdieren. Ondergronds.
Haasachtigen:
Hazen en konijnen. Konijn:
Onderkaak beweegt van links naar rechts.
4 snijtanden boven: 2 grote, 2 stifttanden daarachter afslijting onderste snijtanden.
2 snijtanden onder. Plooikiezen. Knagen gebit groeit altijd door.
Coprofagie nacht-/blindedarmkeutels.
Grote blinde darm. Geurklieren onder kin.
Vogels:
Functies verenkleed: bescherming tegen verwonding, vasthouden warmte, vliegen, sturen en remmen.
Bescherming tegen water met olie uit stuitklier.
Ruien 1-2x per jaar; winterkleed, prachtkleed, jeugdkleed.
Holle beenderen voor laag gewicht. Niet teveel reserves i.v.m. gewicht.
Luchtzakken voor extra longvolume.
Spijsvertering: krop (weken voedsel), spiermaag (malen), kliermaag (vertering); 2 blinde darmen dunne, groene ontlasting. Cloaca.
Goed zicht en gehoor.
Reptielen:
Ordes: schubdragende reptielen, schildpadden, krokodilachtigen, brughagedissen.
Huid: droog, hoornachtige schubben vervelling (kwetsbaar).
Eieren lederachtig of kalkachtig, soms levendbarend.
Koudbloedig, activiteit als lichaamstemperatuur hoog genoeg is.
Orgaan van Jacobson (behalve schildpadden).
Water vasthouden: klieren om zout te verwijderen, rest omgezet in urinezuur, uitscheiding met minimaal water.


Amfibien:
3 ordes: salamanders, kikkers + padden, wormsalamanders.
Koudbloedig. Land en water. Voortplanting in water. Metamorfose/larvestadium.
Huid: soepel en vochtig door slijmklieren, zuurstofopname (soms geen longen), pigmentcellen.
Carnivoren, alleen in larvestadium planteneters (groter spijsverteringsstelsel).
Vissen:
Koudbloedig. Vorm leefmilieu; bek eetgewoonten.
Voedselopname: oppervlaktevissen, middelste waterlagen, bodemvissen.
Ademen met kieuwen. Huid met schubben. Vinnen voor positie en manoeuvreren.
Zwemblaas: plaats in water (hoog/laag).
Zijlijn: waarnemen trillingen en stromingen.
Wateropname lastig, zoet/zout water.
Gezondheid beoordelen o.b.v.:
Gedrag
Houding (staan/lopen)
Ademhalingsfrequentie
Voedingstoestand
Vacht, huid, nagels
Turgor huid
Slijmvliezen
Ogen, neus, oren
Gebit
Lichaamstemperatuur
Eten en drinken
Urineren en ontlasten
Infectieziekten en zonosen:
Infectieziekte: infectie met bacterin, virussen, schimmels, protozon.
Zonose: ziekte van dier op mens; besmetting door: direct contact, urine, ontlasting, bloed, eten besmet dierlijk voedsel.
Coccidin (groep protozon):
Coccidose met name bij kippen. Coccidin in darmen lichte klachten.
1 soort bij konijnen leverontsteking.
Soortspecifiek, behalve toxoplasmose = zonose kattenpoep en varkens-, geiten- of schapenvlees; gevaarlijk bij lage weerstand en zwangere vrouwen.
Schimmels:
Vooral huidschimmels. Ringworm zonose. Sporen in omgeving overleven lang.
Besmetting door sporen in omgeving of direct contact (vooral met schimmelplekken).
Medicatie en behandelen omgeving.
Leptospirose:
Bacterie. Knaagdieren, honden, runderen.
Zonose melkerskoorts. Hond: ziekte van Weil.
Verspreiding vooral door wilde rat, bacterie lang in nieren urine.
Besmetting door besmette urine of slootwater via slijmvliezen of wondjes.
Lyme disease:
Borreliose. Teken. Teek moet minimaal 24 uur blijven zitten voor overdracht.
Hond en kat worden niet ziek.
Ornithosis:
Papegaaienziekte. Zonose. Luchtweginfectie door bacterie. Bacterie langere tijd uitgescheiden via ontlasting droogt in bacteriedeeltjes in lucht. Besmetting via ontlasting of inademen.
Spoelwormen:
Endoparasiet. Zonose. Eitjes in ontlasting hond/kat omgeving. Besmetting door opname wormeitjes uit de omgeving, via mond.
Muilschurft (zere bekjes):
Huidziekte, virus, schapen en geiten. Zonose. Bultjes, korstige plekken. Uierontsteking door zogen.
Besmetting door contact met virusbevattende bultjes en (afgevallen) korstjes.
Giardia (giardiasis):
Protozoaire parasiet diarree. Zonose. Besmetting door contact met cyste = blaasje met parasiet in ontlasting of water besmetting door opname met mond. In lichaam barst cyste open parasiet vermenigvuldigt schade dunne darm cyste poep.
Kennelhoest en niesziekte:
Kennelhoest: bacterie bordetella zonose + andere dieren en virus para-influenza (alleen honden).
Niesziekte: calici- en herpesvirussen of bacterin chlamydia en bordetella.
Direct contact, via mensen of voorwerpen, vochtdruppeltjes in de lucht mond, neus, ogen. Ziekteverwekkers overleven enkele weken tot maanden buiten het dier.
Medicijnen toedienen, 2 manieren:
Lokaal: opname via huid/slijmvlies, niet in bloed, geen bijwerkingen.
Systemisch (opname in het bloed):
Oraal bek, opname via slijmvlies maag-darmkanaal.
Rectaal anus, opname via darmslijmvlies.
Parentaal injectie: subcutaan (langzaamst), intramusculair, intraveneus (snelst).
Houdbaarheid medicatie:
Houdbaarheidsdatum: onaangebroken bewaren.
Gebruikstermijn: hoe lang na openen.
Oogzalf op waterbasis: 1 maand
Zalf in tube: 3 jaar
Tablet (capsule): 1 jaar
SPAR:
Spoedonderzoek, 1e oordeel.
Slijmvliezen: kleur, CRT.
Pols: goed voelbaar, frequentie, ritme, slagen even goed te voelen.
Ademhaling: frequentie, ritme, costo-abdominaal.
Reflexen, centrale zenuwstelsel: bewustzijn, lichaamshouding, verlamming, reflexen; cerebrale reflexen: pupilreflex, ooglidreflex, dreigreflex, slikreflex, hoestreflex.
CRASH (spoedbehandelplan):
Circulatie veiligstellen: reanimatie (hart tussen 3e en 6e rib), 10x snel achter elkaar.
Respiratie veilig stellen: ademweg vrijmaken, mond-op-neusbeademing 5-6x snel blazen; reanimatie + beademing: 30 om 2.
Arterile bloeding stoppen: tourniquet, drukverband, holte dichten.
Shock bestrijden: warm houden, z.s.m. intraveneus infuus.
Hersentrauma voorkomen/bestrijden: verminderd bewustzijn zorgen voor goede adem; overactief zenuwstelsel (dwangbewegingen) zorgen voor veilige plek.
Aangeboren/instinctief gedrag:
Erfelijk, deels direct na geboorte. Opgewekt door in-/uitwendige prikkel.
Sleutelprikkel: prikkel die steeds dezelfde reactie oproept.
Aangeleerd/ervaringsgedrag:
Aanleg is diersoortafhankelijk. Ervaringen positief/negatief leerhandelingen conditioneren (Pavlov reflex).
Nabootsen soortgenoten.
Drempelwaarde profijt, positieve beloningen bevorderend, snelheid waarmee prikkel tot aangeleerd gedrag leidt.
Inprenting gevoelige periode, onomkeerbaar, zeer definitief.
Inzichtgedrag toepassen geleerde (alleen mens en aap).
Geschoold gedrag:
Versterking/onderdrukking aangeboren en aangeleerd gedrag. Erfelijke aanleg noodzakelijk.
Afwijkend gedrag:
Vaak ontstaan in vroeg stadium normaal gedrag niet aangeleerd blijvend. Kan ook komen door een overmaat/tekort aan prikkels.
Stereotiep gedrag: routinematig herhaald gedrag door onmogelijkheid voor normaal gedrag stress stereotiep gedrag endorfine verslaving.
Gestoord gedrag: onomkeerbare verslaving stereotiep gedrag.
Conflictgedrag: in conflict met zichzelf:
- Overspronggedrag: veel prikkels, niet weten wat te doen, keuzemoment 2 nuttige gedragingen nutteloze handeling.
- Omgericht gedrag: sterke motivatie voor normaal gedrag, maar niet mogelijk gaan elkaar beschadigen (varkens wroeten in elkaar).
Apathie: helemaal geen gedrag door bijv. gebrek aan prikkels.
Natuurlijke gedragingen Samenlevingsvormen:
Solitair levend samen in paartijd.
Paarvorming levenslang.
Gezinsvorming tot jongen volwassen zijn.
Harem dominante man met vrouwtjes.
Matriarchale orde man alleen bij paring toegelaten.
Oligarchie dominante elite (mannen), rest vrouwtjes.
Kolonie grote groep gelijken, paren of harems.
Tussenvormen mogelijk, soms anders in paartijd. Groepsvorm bepaalt wie zich voortplant. Rangorde/hirarchie door rangordegevechten.
Natuurlijke gedragingen Sociaal gedrag:
Eetgedrag verband samenlevingsvorm en eetgedrag/manier van jagen.
Winterslaap bepaald door leefomstandigheden; winterrust of trekken.
Vluchtgedrag camouflage, mimicry (eruitzien als iets anders), afleidingsmanoeuvres, schuilen.
Voortplantingsgedrag verschillen in vruchtbaarheid, bronsttijd.
Nestblijvers/nestvlieders.
Natuurlijke gedragingen Overig gedrag:
Comfortgedrag vergroten welzijn (likken, wassen, schuren, etc.).
Exploratiegedrag onderzoekingsgedrag; vaak bij dieren met een vast leefgebied (kennen vluchtwegen en voedselplaatsen).


Natuurlijke leefomgeving:
Leefwijze aangepast aan omgeving.
Temperatuur: warm, koud wisselend.
Koudbloedig: lichaamstemperatuur bepaald door omgevingstemperatuur.
Warmbloedig: actief regelen/constant houden lichaamstemperatuur.
Licht: invloed op voortplanting en bioritme = dagelijks ritme eten, verzorgen, slapen.
Water: waterhuishouding actief regelen.
Lucht: zuurstof, luchtdruk (stroomlijn), luchtvochtigheid.
Habitat en biotoop:
Habitat: geheel van omgevingsfactoren van invloed op dier; uiterlijk zegt veel over habitat.
Biotoop: omgeving waarin dier van nature leeft en waarvan het een samenhangend onderdeel is.
Taak dierverzorger 5 basisregels bij introductie nieuwe omgeving:
Inspelen op natuurlijk gedrag en natuurlijke leefomgeving.
1. Leefomgeving: inrichting zoveel mogelijk als natuurlijk.
2. Zorgen dat dier al zijn natuurlijke gedrag kan uiten (sociale gedrag, comfort- en exploratiegedrag).
3. Water en voer overeenkomstig met natuurlijke behoeften en eetgedrag verstrekken.
4. Rekening houden met natuurlijk gedrag bij vangen en verplaatsen.
5. Altijd geduldig en rustig blijven, gedrag verzorger mag nooit voor (veel) extra stress zorgen.
Bronstverschijnselen en stimuleren bronst
Gedrag verandert (Baltsgedrag), feromonen, uiterlijk (vulva) verandert.
Stimuleren: natuurlijke omgeving, soortgenoten, lichtintensiteit en daglengte (seizoensgebonden bronst), voeding; evt. gebruik geurspray of hormonen.
Dracht herkennen
Zoogdieren
- Niet opnieuw bronstig
- Gedragsveranderingen
- Buikomvang 2e helft, eind melkklieren, melkproductie, zwelling en roder worden vulva
- Pols, adem, temperatuur hoger
- Palperen/stoten, echo, rntgen, bloed-/melkonderzoek
Vogels
- Eieren schouwen
- Broeds worden (compleet legsel)
Reptielen en amfibien
- Geen broedzorg
- Reptielen: zonne-/rottingswarmte; amfibien: water
Embryonale en foetale ontwikkeling (koe)
Bevruchting eicel in eileider embryo ontstaat.
Embryo in baarmoeder verbinding met moederdier komt tot stand. Snel delende cellen vruchtvliezen hechten aan baarmoederwand. Eerste 2 weken cruciale periode.
Na 15 dgn kloppend hart, na 45 dgn organen aangelegd foetus herkenbaar geslacht.
Na 70 dgn skelet en huid, na 230 dgn haar en levensvatbaar.
Vogels: embryo op kiemschijf, voeding vanuit eidooier via bloedvaatjes. Eitand voor openbreken eierschaal. Buik sluit vlak voor uitkomen ei i.v.m. laatste restje voeding.


Energie die moederdier opneemt gebruikt voor:
Onderhoud eigen lichaam (zelfde als niet drachtig).
Laten groeien jongen (incl. placenta en vruchtvliezen).
Groeien melkklieren.
Reserve: extra energie voor zoogperiode.
Ook niet te veel extra voeding jongen groeien te hard, moeder wordt te dik.
Abnormale dracht en verwerpen vrucht:
- Vaginale uitvloeiing: baarmoederbloeding (koe), gestorven vruchten, baarmoederontsteking, vaginale bloeding, infectie vagina/baarmoeder.
- Vaginaprolaps: hond tijdens loopsheid, koeien/schapen bij dracht persen.
- Buikbreuk: buikspieren scheuren (schapen).Liesbreuk: baarmoeder zakt door de breuk (hond).
- Valse ween (paard en rund).
- Draaiing baarmoeder (paard en kat).
- Teveel vruchtwater (rund).
- Doodgaan vrucht: infectieus of niet-infectieus. Gevolg (afhankelijk van stadium):
* opname door lichaam
* abortus
* mummificeren
* verweken
* opzwellen en rotten
- Schijndracht progesteron aanmaak (konijnen en honden; paard na miskraam).
Instrumentarium/benodigdheden geboorte:
- Emmer warm water: schoonhouden moeder.
- Glijmiddel voor evt. inwendige begeleiding.
- Schone doek voor materiaal.
- Navelklem/hechtdraad/touw: afbinden navelstreng.
- Ontsmettingsmiddel voor navel jong.
- Schone emmer voor evt. melken.
- Emmer koud water: evt. ademhaling op gang brengen.
- Middel voor op gang brengen ademhaling.
- Schone handdoeken: slijm uit bek jong, droogwrijven/bloedsomloop op gang brengen.
- Slijmzuigertje: vrijmaken luchtwegen.
- Biest, kitten- of puppymelk indien nodig/noodgeval.
- Telefoonnummer DA.
Geboortefasen:
1. Voorbereidingsfase:
- Vulvazwelling en uitvloeiing: helder slijm, slijmprop, bloederige uitvloei; groene uitvloei hond start ontsluiting.
- Verslappen bekkenbanden.
- Verandering melkklieren: zwellen, melkuitvloei, roder worden.
- Verandering gedrag.
- Verandering lichaamstemperatuur: soms daling vlak voor de geboorte.
- Baarmoedercontracties.
2. Ontsluitingsfase: ween.
3. Uitdrijvingsfase: persween. Waterblaas, vruchtblaas, drooglikken.
4. Nageboortefase:
Drinken jong stimuleert afkomen placenta. Moeder eet placenta op en bijt navelstreng door. Per jong een placenta, moet er in geheel uitkomen.

Voordelen kopligging t.o.v. stuitligging:
- Kop duwt snel tegen uitgang geboortekanaal vroeg in bevalling geleidelijk opgerekt.
- Snellere bevalling.
- Bij stuitligging krijgt jong vruchtwater binnen bij ademreflexen (moeizame bevalling).
- Hoe groter jong, hoe meer complicaties bij stuitligging.
Abnormale geboorte zoogdieren:
Oorzaken moederdier:
- Ziekte
- Weenzwakte
- Afwijkingen geboorteweg
- Onvolgroeid bekken (te jong)
- Afwijkende ligging baarmoeder
- Hormonale problemen
Oorzaken jong:
- Te grote vrucht (past niet)
- Afwijkende ligging
- Dode vrucht
- Afwijkende vrucht

Afwijkende kop- en stuitliggingen:
Afwijkende kopliggingen:
- Eenzijdige schouderelleboogligging (1 gebogen voorpoot)
- Kruinligging (kop met kruin eerst)
- Teruggebleven kop (kop blijft steken tegen bekken)
- Pootje boven de kop
- Zijwaarts teruggeslagen kop en hals (achterom kijken)
- Carpaalligging (1 of 2 poten gebogen in pols)
- Schouderligging (1 of 2 poten gebogen in schouder normaal bij pups)
Afwijkende stuitliggingen:
- Tarsaalligging (1 of 2 poten gebogen in hakgewricht)
- Heupligging (1 of 2 poten gebogen in heupgewricht)
Keizersnede als correctie niet meer mogelijk is.
Abnormale geboorte vogels:
- Legnood: eieren blijven steken in eileider cloaca zacht maken/masseren. Cloaca buiten lichaam.
- Gebroken eieren.
- Verdwaalde dooiers: dooier in buikholte darmverkleving sterfte.
- Windeieren: dunne schaal door kalktekort of wormen (eieren te vroeg uit lichaam).
Specialist inschakelen:
- Moederdier perst, maar geboorte vordert niet. (Hond/kat: 15-30 min persen per jong, 1e 45 min)
- Uitdrijving begonnen, maar nauwelijks persen.
- Te lange tijd tussen jongen. (Hond/kat: max 2-3 uur, zonder persen)
- Ziekteverschijnselen.
- Afwijkende uitvloeiing.
- Eerder bekend probleem.
- Onzekerheid over de situatie.
- Niet afkomen placenta.

Nazorg moederdier controle:
Nageboorte: snel genoeg en in geheel, placentas tellen, als ze blijft persen, perst ze mogelijk baarmoeder eruit. Binnen 12 uur (paard 4 uur), anders infectiegevaar.
Melkgift: op gang komen controleren door beetje melken, anders jong geen melk + kans op melkklierontsteking. Slappe melkklier mogelijk onvoldoende melkproductie.
Algehele conditie: monitoren; meestal dorst. Diarree te veel placentas.
Nazorg moederdier herstelfase en voeding:
Samentrekken baarmoeder resten bloed en weefsel eruit, bloedvaatjes dicht (= vaginale uitvloeiing rood lichter kleurloos) vermindering bloedingen krimpen baarmoeder. Herstel baarmoederwand en afname zwelling vulva.
Extra voer/water voor melkgift of broedzorg (afhankelijk van worpgrootte).
Spenen: moment dat jongen bij moeder weggaan voergift terug naar onderhoudsvoer.
Nazorg moederdier gezondheidsproblemen na de bevalling:
- Baarmoederontsteking = endometritis. Baarmoedermond open tijdens bronst en geboorte infectiegevaar. Placenta die blijft zitten broedplaats bacterin. Ophoping pus bloedvergiftiging of pussige uitvloei.
- Beschadiging geboorteweg en baarmoeder. Oppervlakkige wonden of perforatie; door bijv. poten jong of ingreep DA.
- Melkklierontsteking.
- Calciumtekort (hypocalcemie) eclampsie. Calciumbehoefte neemt snel toe (melk en botten), bloedvoorraad niet snel genoeg vanuit botten aangevuld.
- Slepende melkziekte (acetonemie). Rund/schaap met meer jongen kost energie glucosetekort lichaamsreserves aangebroken (eiwit + vet glucose) aceton (geur). Dodelijk.
- Baarmoederprolaps of vaginaprolaps door persen.
Nazorg jongen directe hulp na de geboorte:
Geboortevliezen en navelstreng: vliezen moeten verwijderd i.v.m. stikken. Navelstreng ver van buik afscheuren (na ca. 5 min extra bloed uit placenta).
Ademhaling: moet goed op gang komen, anders evt. slijm uit bek verwijderen slijmzuiger/doek, anders op kop + heen en weer, soms koud water over kop.
Lichaamstemperatuur: moeder moet schoonlikken, anders droogwrijven stimuleert bloedsomloop, voorkomt afkoeling. Aan tepel leggen.
Biest en darmpek: biest is rijk aan voedingsstoffen en antistoffen z.s.m. na geboorte veel en vaak drinken, na 24 uur start gewone melkproductie. Biest stimuleert spijsvertering laxerend darmpek binnen 24 uur uitgescheiden, anders verstopping koliek. Jong aan tepel leggen als nodig.
Nazorg jongen onderzoek pasgeborene:
Ademhaling, hartslag, slijmvliezen: adem snel regelmatig, hartslag voelbaar op borstwand, slijmvliezen snel roze.
Temperatuur: warme droge plek, warmtelamp lichaamstemperatuur nog niet goed op peil houden.
Gedrag: indicatie conditie.
Reflexen
Controle navelstreng: te kort/lang, ontsmetten navelstomp.
Controle trauma/aangeboren afwijkingen.
Gewicht.
Nazorg jongen ontwormen, ontvlooien, vaccineren:
Hond en kat: slapende spoelwormen tijdens dracht geactiveerd (larven) pups/kittens ontwormen.
Vlooien bloedarmoede + sterfte jonge dieren ontvlooien.
Verplichte vaccinaties.
Drachtigheid voorkomen:
Sterilisatie: onderbreken eileiders eicel niet in baarmoeder, zaadcel niet bij eicel.
Castratie: baarmoeder/testikels verwijderen (hormonen veranderen, sneller dik).
Chemische castratie: tijdelijk met hormooninjectie.
Vogels: eieren rapen.
Genen, allelen en locus:
Gen: code op chromosoom voor algemene erfelijke eigenschap (bijv. vachtkleur); veel genen op 1 chromosoom.
Locus: plaats op chromosoom waar gen ligt, zelfde op beide helften chromosomenpaar.
Allelen: soortgelijke genen op beide helften, specifieke vorm van de eigenschap (bijv. bruin/zwart).
Homozygoot en heterozygoot:
Homozygoot: 2 gelijke allelen voor 1 gen, bijv. homozygoot zwart.
Heterozygoot: 2 verschillende allelen voor 1 gen, bijv. zwart (B) en bruin (b). Een is dominant (B), de ander recessief (b).
Fokzuiver: homozygoot voor eigenschap.
Fokonzuiver: heterozygoot voor eigenschap.
Genetica, DNA, chromosomen:
Genetica: wetenschap omtrent erfelijkheid.
DNA: opslagplaats erfelijke info in elke celkern als chromosomen (2x) chromosomenpaar 1 vader, 1 moeder. Chromosoom bevat vele genen. Beide chromosomen van een paar zijn gelijk in opbouw. Geslachtscellen bevatten geen paren, maar losse chromosomen.
Genotype en fenotype:
Genotype: genetische eigenschappen, niet zichtbaar (BB en Bb allebei zwart).
Fenotype: wel zichtbaar, afhankelijk van genotype en omgeving.
Fenotype = genotype + milieu.
Erfelijkheidsgraad: mate waarin genotype het fenotype bepaalt.
Monogeen en polygeen:
Monogeen kenmerk: erfelijke eigenschap die van 1 gen afhankelijk is (kleur: bruin/zwart).
Polygeen kenmerk: erfelijke eigenschap die van meer genen afhankelijk is.
Geslachtschromosomen en -cellen; mitose en meiose:
2 typen geslachtschromosomen bij zoogdieren: X en Y. X-chromosoom groot, veel erfelijke info (Y-chromosoom klein, weinig info). Vrouwtjes: XX, mannetjes: XY.
Vogels: W en Z vrouwtjes: WZ, mannetjes: ZZ.
Mitose: celdeling lichaamscellen chromosomenaantal verdubbelt, cel deelt zich.
Meiose: productie geslachtscellen - chromosomenparen gesplitst tot enkele chromosomen in ei- en zaadcellen; paren ontstaan weer bij bevruchting.
Eicellen: X-chromosomen; zaadcellen: helft X en helft Y. Geslacht bepaald door zaadcel. Bij vogels andersom, geslacht door vrouwtje bepaald.
Genetische overerving:
Genotypen ouders bepalen dat van jongen. Kruisingsschema: berekenen welk geno- en fenotype jongen krijgen, kan ook voor meer kenmerken. Eigenschappen op verschillende chromosomen vererven onafhankelijk, op dezelfde chromosomen vererven ze afhankelijk.
Autosome chromosomen: niet-geslachtsgebonden, overerving man en vrouw gelijk.
Genen X-chromosoom geslachtsgebonden, ook ziekten (vaak recessief).
Crossing-over: chromosomen kruisen bij meiose genetische info verandert.
Mutaties: verandering erfelijk materiaal.
Letale factor: niet levensvatbaar bij homozygoot allel. Subletale factor: verminderd levensvatbaar. Beide recessief.
Voorbeelden letaal en subletaal:
Bulldogkalf.
Gladde tong bij koe.
Dwergveulen.
Intermediaire merle-factor (hond).
Hemofilie (bloederziekte).
Naakthonden.
Fokprogramma:
Fokken: doelbewust paren voor nakomelingen met bepaalde kenmerken.
Vermeerderen: geen ander doel dan meer nakomelingen.
Vaak als synoniemen gebruikt. Fokprogramma voor georganiseerd fokken.
Fokdoel kan objectief of subjectief zijn. Rasstandaard: objectieve doelen per ras.
Fokwaarde: genetische aanleg voor bepaald kenmerk. Selectie op 2 soorten eigenschappen:
Kwalitatief: makkelijk, vaak 1 of enkele genen, geen invloed milieu (bijv. kleur).
Kwantitatief: moeilijk, veel genen, grote invloed milieu (bijv. melkproductie)
fokwaardeschatting.
Fokschema: na fokdoel + -waarde selectie en combinatie dieren, planning toekomstige combis.
Fokmethoden:
Inteelt: paring tussen nauw verwante dieren (broer/zus; vader/dochter). Bewuste toepassing: groep dieren die genetisch gelijk zijn ontstaat, geen onverwachte nakomelingen. Onbewuste toepassing: beste dieren toevallig uit 1 familie. Ongewenste eigenschappen ook sterker (vaak recessief); kans op homozygoot steeds groter.
Lijnenteelt: gematigde inteelt (neef/nicht; kleindochter/grootvader)
Inteeltdepressie: nakomelingen worden minder vitaal.
Uitteelt (outcross): bewust inbrengen lijnen of rassen, tegenovergestelde van inteelt. Bastaard vaak sterker dan rashonden.
Veredelingskruising: 1 of 2x kruisen met ander ras voor inbreng bepaalde genen, daarna weer oorspronkelijke ras.
Schadelijke raskenmerken en erfelijke ziekten:
Schadelijke raskenmerken: bewust om te voldoen aan rasstandaard.
Erfelijke ziekten: niet bewust, vaak door inteelt. Soms dier alleen drager, of later tot uiting. Bijv:
- Heupdysplasie: kop + kom heup sluiten niet mooi aan; vooral herders, dogachtigen, jachthonden.
- Elleboogdysplasie: afwijkingen tijdens ontwikkeling kraakbeen/groeischijven; vooral grote rassen.
- Doofheid: vaak witte rassen, ook vorm bij niet-witte rassen.
- Oogafwijkingen: progressieve retina atrofie (PRA) afwijking netvlies blindheid; congenitale cataract vorm van staar bij de geboorte.
Primaire en secundaire geslachtskenmerken:
Primair: vanaf geboorte aanwezig.
M: penis, testikels, bijballen, prostaat/klieren.
V: baarmoeder, eierstokken, eileiders, vagina, evt. schaamlippen.
Secundair: nog niet zichtbaar bij geboorte. Ontstaan o.i.v. geslachtshormonen bij geslachtsrijpheid.
Bijv. kleur, vorm, grootte, beharing, gewei, lel (haan).
Mannelijk geslachtsapparaat:
Teelballen/testikels: meestal in balzak/scrotum, soms in buikholte (vogels, vissen) productie zaadcellen.
Bijballen: rijping en opslag zaadcellen.
Accessoire geslachtsklieren: productie spermavocht cowperse klieren (voorvocht voor urinebuis), prostaat (voeding voor zaadcellen), zaadblaas (gelei ter afsluiting vagina). Niet altijd alle drie.
Zaadcellen + vocht klieren = sperma zaadleider urinebuis buiten.
Mannelijke geslachtshormonen:
Productie in testikels.
Testosteron: aanmaak zaadcellen, geslachtsdrift, secundaire geslachtskenmerken.
Lage waarde oestrogenen. Aansturing door hormonen hypofyse:
LH (luteniserend hormoon) aanmaak testosteron.
FSH (follikelstimulerend hormoon) aanmaak zaadcellen.
Vrouwelijk geslachtsapparaat:
Eierstokken, eileiders, baarmoeder, baarmoederhals, vagina, vulva. Eicellen vanaf geboorte aanwezig.
Voor ovulatie: rijpen 1 of meer eicellen Graafs follikel (blaasje met vocht om eicel).
Ovulatie: eicel springt vanuit eierstok in eileider bevruchting vindt hier plaats.
Baarmoederhals opent alleen tijdens bronst (sperma eicel) en bevalling.
Vrouwelijke geslachtshormonen:
Vruchtbaarheidscyclus vanaf geslachtsrijpheid o.i.v. FSH en LH (hypofyse).
FSH rijping eicellen folliculaire fase.
LH ovulatie: Graafs follikel barst open, eicel springt in eileider. Geel lichaam (resten follikel) ontstaat op eierstok luteale fase.
Folliculaire fase: Graafs follikel oestrogeen verdikking baarmoeder (klaar voor innesteling), bronstkenmerken en -gedrag (paringsbereidheid).
Luteale fase: geel lichaam progesteron processen voor dracht + voorkomen bronstig tijdens dracht. Geel lichaam verdwijnt als niet drachtig nieuwe cyclus.
Zoogperiode: hypofyse prolactine (melkaanmaak) + oxytocine (melkgift + samentrekken baarmoeder).
Vruchtbaarheidscyclus:
Folliculaire fase:
- Pro-oestrus: rijping Graafse follikels, oestrogeen productie, enkele vruchtbaarheidstekenen.
- Oestrus: piek in oestrogeen, ovulatie, toelaten mannetje.
Luteale fase:
- Met-oestrus: ontstaan geel lichaam, progesteronproductie, afname oestrogeen.
- Di-oestrus: progesteron stijgt, oestrogeen daalt. Einde di-oestrus: progesteron daalt als geel lichaam wordt vernietigd pro-oestrus of anoestrus (tijdelijk geen vruchtbaarheidscyclus).
Redenen voor ontbreken vruchtbaarheidscyclus:
- Dracht
- Jongen/zoogperiode
- Seizoen soms seizoensafhankelijk
- Stress dier heeft energie zelf nodig
- Ziekte/afwijkingen geslachtsapparaat of algeheel
- Standaard anoestrus
Vogels, reptielen, amfibien, vissen hebben geen bronstcyclus.
Genduceerde ovulatie:
Ovulatie gestimuleerd door dekking, als deze niet plaatsvindt ontstaat er geen luteale fase. Poes wordt snel weer krols. Katten, konijnen, fretten. Gunstig voor dieren die maar af en toe partner tegenkomen.
Kunstmatige inseminatie:
Toepassing rundvee:
- Sperma winnen met bok (dummy)
- Verdunnen rietjes stikstof
- Inseminatie ontdooit rietje in pistolet rectum-vagina-baarmoederhals-baarmoeder; 2e helft tochtigheid.
Voordelen: verdund vele vrouwtjes, buitenland, goede erfelijke eigenschappen.
Soms vers sperma of directe inseminatie.
Embryotransplantatie:
Koeien en paarden. Koe:
Superovulatie: meer eicellen door geslachtshormonen meermaals insemineren. 7 dagen later uitspoelen embryos. Beste kwaliteit ingevroren. Mindere kwaliteit inplanting draagkoeien. Inbrengen op 7e dag na tochtigheid draagkoe. Synchronisatie met donorkoe mogelijk voor directe inplanting.
OPU + ivp (reageerbuisbevruchting):
OPU = Ovum Pick Up: verzamelen eicellen van eierstok.
In-vitromaturatie (ivm): rijping eicellen in laboratorium.
In-vitrofertilisatie (ivf): bevruchting eicellen, elk kan met ander sperma.
In-vitroculture (ivc): embryos 7 dagen in broedstoof.
Ivm + ivf + ivc = ivp: in-vitroproductie.
Daarna embryos geplaatst of ingevroren.
Spermaonderzoek:
Kwaliteit + hoeveelheid zaadcellen en samenstelling vocht essentieel voor goede vruchtbaarheid. Onderzoek:
- Volume
- Geur (abnormaal urine/ontstekingscellen)
- Kleur roomkleurig (rood bloed, geel urine)
- Dikte (te waterig weinig zaadcellen)
Onder microscoop:
- Beweeglijkheid (gezond heel beweeglijk)
- Aantal
- Vorm (geen dubbele kop/geknikte staart)
- Levend aantal
Vruchtbaarheidsproblemen man (afwijkingen):
Testikels invloed op zaadproductie
- Anorchidie: geen of 1 testikel(s)
- Crytorchidie: 1 of 2 dalen niet in
- Testikelontsteking en -tumoren (of bijbal)
Prostaat ontsteking, cystes, tumoren, goedaardige vergroting
- Prostaatontsteking
- Goedaardige prostaatvergroting door productie testosteron
Penis geen invloed op sperma
- Verwondingen: vechten, uit elkaar trekken tijdens paring
- Vijgwratten en tumoren: door virus, goedaardig (condylomen), maar kan kwaadaardig worden
- Vernauwing voorhuid: probleem met uitschachten (en terug)
- Vergroeiing penis en voorhuid
- Konijnen syfilis M en V: bacterieel
- Algeheel ziek: koorts kan zaadcellen beschadigen
Meest voorkomende afwijkingen cyclus vrouw:
- Geen vruchtbaarheidscyclus (metabole ziekten, medicijnen, afwijking eierstokken, onzichtbare tekenen).
- Korter inval tussen cycli (te weinig hersteltijd baarmoeder).
- Te lange pro-oestrus (geen eisprong).
- Te korte oestrus (geen lichamelijke afwijking, komt door onzichtbaarheid).
- Verlengde oestrus (hormoonproducerende cystes op eierstokken, tumoren of medicatie).
- Gespleten pro-oestrus (begint normaal, maar geen oestrus, wel nieuwe loopsheid).


Vruchtbaarheidsproblemen vrouw (afwijkingen):
Vagina
- Vaginaseptum: bindweefselstreng die tijdens embryonale ontwikkeling hoort te verdwijnen.
- Vaginaprolaps (loopsheid teef).
- Vaginitis: slijmvliesontsteking door bacterie, virus, hormonen, plasproblemen of beschadigingen.
- Vijgwratten: virus net als man tumor.
Baarmoeder
Cysten, ontsteking, tumoren kunnen innesteling verhinderen.
Eierstokken
Cystes kunnen oestrogenen produceren verlengde oestrus; mogelijk periode zonder cyclus.
Medicijnen (bronstonderdrukkend)
Duurt lang voor loopsheid weer optreedt.
Infectieuze ziekten
Brucella (bacterie) abortus.
Herpesvirus mogelijk verminderd vruchtbaar of abortus; sterfte jonge dieren.



. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 25.

Antwoord gegenereerd door AI Antwoord rapporteren

Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.

Stel een vraag
 
Inloggen via e-mail
Nieuw wachtwoord aanvragen
Registreren via e-mail
Winkelwagen
  • loader

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items! Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

loader

Ontvang gratis €2,50 bij je eerste upload

Help andere studenten door je eigen samenvattingen te uploaden op Knoowy. Upload ten minste één document en krijg gratis € 2,50 tegoed.

Upload je eerst document