Studiebot antwoord

Stel een vraag ›
 
Vraag gesteld door: annicklysen18 - 2 maanden geleden

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: 6 FARMACOLOGISCHE AGENTIA RT EN NG
6.1 Radiotherapie - oncologische therapien
6.1.1. Chemotherapie
Cytostatica zijn stoffen die de celdeling van kankercellen en normale cellen
remmen door in te grijpen op de replicatie van DNA of op de eigenlijke mitose.
Deze middelen worden gebruikt bij maligne aandoening.
Cytostatica worden meestal gecombineerd met andere vormen van behandeling
bij kanker. Chemo kan gegeven worden als curatieve of als palliatieve
behandeling. Een curatieve behandeling kan voorafgaand plaatsvinden aan
radiotherapie of chirurgie (neoadjuvant) of na RT/chirurgie (adjuvant). Bij een
palliatieve behandeling is het doel van de chemotherapie om de symptomen
zoals pijn te verlichten. De toediening van cytostatica kan oraal, intramusculair,
subcutaan, intra-arterieel, intraveneus, in holten (blaas, pleura, peritoneum),
intra-oculair, intrathecaal via lumbaalpunctie en lokaal.
Er zijn verschillende cytostatica beschikbaar. De keuze voor een bepaalde
cytostaticum, of een bepaalde combinatie van cytostatica, is afhankelijk van heel
wat factoren, zoals het type kanker, de stadiring, het doel van de behandeling
(palliatief, neoadjuvant of adjuvant), eerder chemotherapeutisch behandelingen,
mogelijke bijwerkingen, de leeftijd van de zorgontvanger, . Door de combinatie
van cytostatica toe te dienen, probeert men te bereiken dat de kankercellen
minder snel resistent worden en sneller aangetast worden doordat er op
verschillende fasen van de celcyclus ingewerkt zal worden. Chemotherapie wordt
meestal in een bepaalde cyclus gegeven, waarbij toediening van het cytostatica
afgewisseld wordt met rustperiodes waarin de gezonde cellen de kans krijgen om
te herstellen van de bijwerkingen.Vaak wordt chemotherapie om de drie tot vier weken toegediend. De
bijwerkingen zullen zich vooral manifesteren bij snel delende cellen, zoals in het
rode beenmerg, het maag-darmslijmvlies, de geslachtsklieren en de haarfollikels.
Als cytostatica met elkaar worden gecombineerd, neemt de kans op bijwerkingen
toe.
Door de hoofdhuid af te koelen met een ijsmuts kan haaruitval verminderen of
voorkomen worden. Door de temperatuur te verlagen, vermindert de
doorbloeding van de haarfollikels, daardoor nemen de haarwortels minder
cytostatica op. De hoofdhuidkoeling gebeurt voor, tijdens, en na de toediening
van de chemotherapie. Bij bepaalde cytostatica is er ook kans op
nagelafwijkingen en op het hand-voetsyndroom met als gevolg symptomen
zoals jeuk, tintelingen, pijn, gevoeligheid, roodheid en zwelling van de
handpalmen en voetzolen. Daarom wordt soms koeling van de handen en voeten
toegepast door het dragen van ijshandschoenen en ijspantoffels tijdens de
chemokuur. Ook hier wordt er minder cytostatica opgenomen in de lidmaten ten
gevolgen van de verminderde doorbloeding door de kou.
Het soort bijwerkingen en de ernst ervan worden bepaalde door meerdere
factoren:
Het soort cytostaticum dat toegediend wordt (cisplatine leidt vaker tot braken
en nausea dan fluorouracil).
De dosis (een hogere dosis leidt meestal tot meer bijwerkingen).
Het toedieningsschema (cycli die elkaar snel opvolgen, zorgen voor minder
herstel van de gezonde cellen).
De wijze van toediening (blaasinstillatie verhoogt het risico op irritatie van de
blaas).
Genetische factoren
Comorbiditeit (het tegelijkertijd voorkomen van twee of meer aandoeningen
of stoornissen bij n persoon).
Steeds meer zorgontvangers zetten hun behandeling met cytostatica thuis
verder. Dus ook in de thuiszorg kan cytostatica per os of intraveneus toegediend
worden.6.1.2. Targeted therapie
Targeted therapie of doelgerichte therapie richt zich specifiek op kankercellen of
op weefsels rond de tumor. Dit kan aan de hand van verschillende inhibitoren
namelijk: monoklonale antilichamen, protenekinase-inhibitoren, PARPinhibitoren en proteasoominhibitoren. De eerste twee groepen worden in de
praktijk het meeste toegepast.
Door het toenemend gebruik van targeted therapie in de behandeling van kanker
ziet men nu ook een stijging in nieuwe bijwerkingen. Enkele mogelijke
ongewenste effecten van doelgerichte therapie zijn huidtoxiciteit, gastrointestinale klachten, leverfunctiestoornissen, stomatitis of
overgevoeligheidsreacties. De bijwerkingen bij targeted therapie worden soms
aangepakt door de behandeling te onderbreken of de dosis te verlagen,
daarnaast kan het ook symptomatisch behandeld worden.
6.1.2.1 Monoklonale antilichamen
Monoklonale antilichamen zijn gemodificeerde eiwitten die zijn ontwikkeld om
immunologische processen te benvloeden. Het aantal middelen en de
indicatiegebieden nemen sterk toe. Tegenwoordig wordt deze therapie vooral
toegepast bij uiteenlopende behandelingen van diverse kankersoorten,
reumatische aandoeningen, astma, psoriasis, inflammatoire darmziekten,
multiple sclerosis en transplantatiereacties. De stofnaam van monoklonale
antilichamen eindigt meestal op mab, voorbeelden zijn bevacizumab en
trastuzumab. Monoklonale antilichamen worden bij kanker vooral intraveneus
toegediend en in sommige gevallen subcutaan. Bepaalde monoklonale
antilichamen zijn gericht op de mutaties van de tumorcel die kanker aansturen of
op de angiogenese in de tumor.
Voorbeeld monoklonale antilichaam bevacizumab: het werkingsmechanisme
ervan is gericht op het remmen van de vasculaire endotheliale groeifactor (VEGF)
die de angiogenese in tumoren bevordert. Op deze manier worden normale
cellen niet getroffen, met als gevolg dat er minder bijwerkingen zijn voor de
patint. Dat betekent niet dat er helemaal geen bijwerkingen gaan voorkomen,
gekend bijwerkingen zijn hypertensie en protenurie.
Voorbeeld monoklonale antilichaam trastuzumab: bij sommige patinten met
borstkanker is door een genetisch afwijking een verhoogde aanwezigheid van
HER-2 receptoren op de kankercellen aanwezig. Door de aanwezigheid van deze
receptoren op de tumorcellen zullen signaleringsroutes in de cel geactiveerd
worden. Deze activiteit leidt tot ontsnapping van de tumorcellen aan apoptose of
celdood, door toename van de celdelingen en angiogenese. Door het
monoklonale antilichaam trastuzumab of Herceptin toe te dienen zullen HER-2
receptoren geblokkeerd worden. Met als gevolg dat het groeistimulerend effect
van HER-2 geblokkeerd wordt.
6.1.2.2 Protenekinase-inhibitoren
De protenekinase-inhibitoren zijn laagmoleculaire stoffen die de celwand kunnen
passeren. Deze inhibitoren kunnen bepaalde signaleringsroutes in de
kankercellen blokkeren waardoor ze de ongecontroleerde activiteit van het
verantwoordelijke protenekinase gaan blokkeren. Door het gebruik van deze
inhibitoren is de prognose van zorgontvangers met bepaalde vormen van kanker
verbeterd. Protenekinase-inhibitoren worden op basis van hun specifieke
werking ingedeeld in ALK-inhibitoren, BCR-ABL-inhibitoren, BRAF-inhibitoren,
CDK4/6-inhibitoren, EGFR-inhibitoren, MEK-inhibitoren, mTOR-inhibitoren en een
aantal diverse protenekinase-inhibitoren. De stofnaam van de protenekinaseinhibitoren eindigt op nib, met uitzondering de mTOR-inhibitoren die eindigen
op olimus. Voorbeelden van deze inhibitoren zijn: crizotinib, dabrafenib,
imatinib. Deze inhibitoren worden oraal toegediend met uitzondering
temsirolimus dat intraveneus wordt toegediend.
Voorbeeld van protenekinase-inhibitoren zijn EGFR-inhibitoren: de epidermale
groeifactor (EGF) stimuleert de celdeling door te binden op de EGF-receptoren en
komt bij bijna alle soorten epitheelcellen voor. In sommige gevallen is er een
mutatie ontstaan in het gen dat gecodeerd is voor het EGF-eiwit, waardoor er
een ongeremde deling ontstaat, zoals bij bepaalde vormen van longkanker.
Indien deze mutatie aangetoond kan worden in de tumorcellen, komt de patint
in aanmerking voor een behandeling van EGFR-inhibitoren.76.1.4. Anti-hormonale middelen in de oncologie
Bepaalde carcinomen zijn erg gevoelig voor hormonen, dat geldt vooral voor
borstcarcinoma en prostaatcarcinoma. Sommige types van borstcarcinoma
hebben het vrouwelijke geslachtshormoon oestrogeen nodig om te groeien
(oestrogeenreceptorpositieve carcinomen). Door de toediening van gonadorelineagonisten of antagonisten neemt de productie van oestrogeen af, waardoor de
tumor in omvang kan afnemen. Met selectieve oestrogeenreceptor-modulatoren
(anti-hormonale middelen) wordt de werking van oestrogeen geblokkeerd ter
hoogte van de borst, waardoor het carcinoma in omvang kan afnemen.
Tamoxifen heeft een agonistisch effect op de oestrogeenreceptoren van skelet en
lever, een antagonistisch effect op de oestrogeenreceptoren van het borstweefsel
en een partieel agonistisch effect ter hoogte van het endometrium.
Een andere optie voor vrouwen na de menopauze is de behandeling van de
zogenaamde aromatase-inhibitoren. Dit zijn stoffen die de synthese van
oestrogeen afremmen, daardoor neemt de groei van oestrogeengevoelige
tumorcellen af. Op dezelfde wijze kan bij mannen met prostaatkanker worden
geremd met gonadoreline-agonisten of antagonisten. Antiandrogenen worden
gegeven bij inoperabele of gemetastaseerde prostaatcarcinomen.
De bijwerkingen van hormonen en antihormonen lopen nogal uiteen en zijn
afhankelijk van de functie van het hormonaal gevoelige systeem dat ze
benvloeden. Deze hormonen of anti-hormonen hebben in ieder geval veel
minder ernstige bijwerkingen dan cytostatica. Een behandeling met hormonen of
anti-hormonen kan men ook gedurende een veel langere periode (maanden tot
jaren) geven.
6.2 Nucleaire geneeskunde
In dit hoofdstuk gaan we de verschillende mogelijke onderzoeken die op dienst
nucleaire geneeskunde worden uitgevoerd niet in detail bekijken. Maar om deze
onderzoeken te kunnen uitvoeren dient er steeds een radioactieve vloeistof
genjecteerd te worden. Het basisprincipe achter de aanmaak van deze
verschillende radiofarmaca wordt hier besprokenAls eerste het radioactieve isotoop, de meeste radiofarmaca in de klassieke
nucleaire geneeskunde wordt gemaakt aan de hand van Technecium-99m. Om
Technecium-99m te verkrijgen dient de isotopengenerator Mo99 elke ochtend
gemolken te worden. Vervolgens wordt de berekende hoeveelheid activiteit van
Tc-99m toegevoegd aan het farmacon naar keuze. Voor het uitvoeren van
skeletscintigrafie onderzoeken wordt gebruik gemaakt van HDP.
Praktijkvoorbeeld: er staan 5 skeletscintigrafien op de planning, een
standaarddosis ligt tussen 650-700MBq (-20mCi). Maar omdat deze patinten
niet allemaal meteen worden ingespoten en radioactiviteit vervalt in de tijd dient
er extra gemaakt te worden ook omdat er in de loop van de dag eventueel nog
dringende patinten kunnen bijkomen. Hierdoor wordt er in de praktijk gerekend
met 40mCi per patint. Dus er staan 5 patinten op de planning, maar er voor 7
patinten gemaakt om beetje reserve te hebben moesten er in de loop van de
dag nog patinten bijkomen (7 x 40 mCi = 280 mCi). Elk farmacon heeft een
bijsluiter waar instaat hoeveel activiteit en volume er minimum en maximum in
mag. Bij HDP moet het volume zitten tussen 3-10ml en is er geen minimum
activiteit maar wel een maximum van 370mCi. In dit praktijkvoorstel zou er
280mCi toegevoegd worden met een volume van 7ml, er dient steeds evenveel
lucht te onttrekken als er volume wordt toegediend om een overdruk te
voorkomen. Na de toevoeging dient er met HDP nog 30sec geschud te worden.
Dit verschilt ook van farmaca tot farmaca en is steeds terug te vinden in de
bijsluiter. Na de reconstructie wordt HDP in de koelkast bewaart.. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is onbeperkt.

Antwoord gegenereerd door AI Antwoord rapporteren

Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.

Stel een vraag
 
Inloggen via e-mail
Nieuw wachtwoord aanvragen
Registreren via e-mail
Winkelwagen
  • loader

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items! Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

loader

Ontvang gratis €2,50 bij je eerste upload

Help andere studenten door je eigen samenvattingen te uploaden op Knoowy. Upload ten minste één document en krijg gratis € 2,50 tegoed.

Upload je eerst document