Studiebot antwoord

Stel een vraag ›
 
Vraag gesteld door: iandino2004 - 2 maanden geleden

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Hoofdstuk 3: Diervoeding

3.1 Introductie
Dieren hebben zo hun eigen manier van eten. Stil en geduldig, of juist gulzig en luidruchtig. Ook eten ze
verschillende soorten voer. In dit hoofdstuk lees je welk voer het best bij welk dier past en hoe je ze het
beste kunt voeren.

3.2 Begrippenlijst
Hieronder staan een aantal begrippen die je regelmatig tegenkomt in dit hoofdstuk. Deze begrippen
moet je kennen.
Voedingsstof: een onderdeel van het voer. Een dier haalt een voedingsstof uit het voer om het te
verteren en daarna te gebruiken in zijn lichaam.
Essentile voedingsstof: een voedingsstof die een dier nodig heeft, maar niet zelf kan maken uit
andere voedingsstoffen. De essentile voedingsstof moet daarom in het voer zitten.
Carnivoor: dit noemen we ook een vleeseter. Het zijn dieren die dierlijk voedsel eten.
Herbivoor: dit noemen we ook een planteneter. Het zijn dieren die plantaardig voedsel eten.
Omnivoor: dit noemen we ook een alleseter. Het zijn dieren die dierlijk n plantaardig voedsel eten.
Herkauwer: een planteneter met vier magen. Het dier herkauwt zijn voer.

Spijsverteringskanaal: het systeem dat in het lichaam zorgt voor de vertering van voer. Het spijs-
verteringskanaal loopt van de mond tot en met de anus. Een ander woord is het maag-darmkanaal.

Ruwvoer: voer dat bestaat uit vezelige stengels, zoals gras en hooi.
Krachtvoer: al het voer dat geen ruwvoer is, zoals biks. Dit wordt in een fabriek gemaakt.

3.3 Soorten eters
Dieren eten verschillende soorten voer. Sommige dieren eten alleen vlees, andere dieren eten alleen
planten. Je moet de verschillen kennen, want dan kun je de dieren op de juiste manier voeren.
We kunnen dieren indelen in soorten eters. Dit zijn de belangrijkste:
Vleeseters, zoals de hond en de kat. De wetenschappelijke naam van een vleeseter is een carnivoor.
Ook bij reptielen, amfibien en vissen komen carnivoren voor, zoals slangen die muizen eten of
padden die slakken eten.
Planteneters, ook wel herbivoren genoemd. Er zijn planteneters bij reptielen, amfibien en vissen.

Landschildpadden zijn herbivoren. Veel gehouden vissoorten zoals guppys en platys zijn herbivo-
ren. Bij de zoogdieren verdelen we planteneters nog verder:

Herkauwers, zoals rund, geit en schaap
Niet-herkauwers, zoals paard, cavia en konijn
Alleseters, zoals de rat en het varken. De wetenschappelijke naam voor een alleseter is omnivoor.

Ook bij reptielen, amfibien en vissen komen omnivoren voor. De roodwangschildpad is een be-
kend voorbeeld van een reptiel dat omnivoor is.

48 Biologie, voeding en voortplanting
Bij vogels kennen we ook verschillende soorten eters. De belangrijkste zijn:
zaadeters
fruit- en insecteneters
Er zijn ook zaadeters (eekhoorns) en fruiteters (sommige vleermuizen) die niet onder de vogels vallen
maar wel tot de herbivoren behoren.

3.4 Spijsvertering

Voedingsstoffen, zoals vetten, suikers en eiwitten, kunnen niet direct uit het voedsel worden opgeno-
men. Hiervoor moet het voedsel eerst worden omgezet in kleinere deeltjes. Dit verkleinen en opnemen

van voedsel wordt verteren genoemd. Dit gebeurt in het spijsverteringskanaal.
Het spijsverteringskanaal van een carnivoor, een herbivoor en een omnivoor zien er verschillend uit. Dat

heeft te maken met het soort voedsel dat het dier eet. Deze verschillen worden vooral veroorzaakt door-
dat vlees veel makkelijker is te verteren dan plantaardig voedsel. Daarom is de darm van een planteneter

veel langer dan die van een vleeseter. De lengte van de darmen van een schaap of geit ligt tussen 22 en
43 meter. De darmen van een hond zijn 2 tot 7 meter lang.
Ook zijn er verschillen in de blindedarm. Bij vleeseters en alleseters heeft de blindedarm geen functie.

Bij niet-herkauwers heeft de blindedarm wl een belangrijke functie. Daarom is de blindedarm van bij-
voorbeeld een konijn of cavia relatief groot. Bij paarden is de dikke darm heel groot, omdat daar al het

plantaardig materiaal wordt verteerd.

De spijsverteringskanalen van verschillende diersoorten naast elkaar
Dieren met een bijzonder spijsverteringskanaal zijn de herkauwers. Zij hebben vier magen in plaats van
n, namelijk:
pens
netmaag
boekmaag
lebmaag
De eerste drie magen zijn voormagen, de laatste maag is de echte maag.

Biologie, voeding en voortplanting 49
In de drie magen verteert de herkauwer het plantaardig voedsel dat hij eet. In de dunne darm vindt nog
maar een klein deel van de vertering plaats en worden de voedingsstoffen opgenomen in het bloed. In
de dikke darm wordt het vocht uit de voedselbrij gehaald.

3.5 Verschillen in gebit tussen carnivoren, herbivoren en omnivoren
Carnivoren, herbivoren en omnivoren hebben een verschillend gebit. Het gebit is aangepast aan het
soort voedsel dat ze eten. Dit zijn de belangrijkste verschillen:

Vleeseters en omnivoren hebben hoektanden, planteneters niet. Vleeseters gebruiken hun hoek-
tanden om hun prooi mee te vangen en/of te doden.

Vleeseters gebruiken een deel van hun kiezen om voedsel vast te houden. Andere kiezen gebruiken

ze om stukken vlees van hun prooi af te knippen en in kleine stukken te scheuren. Planteneters ge-
bruiken alle kiezen voor hetzelfde doel: voedsel vermalen.

De drie soorten eters hebben verschillende soorten kiezen:
Vleeseters hebben scherpe, puntige kiezen. Deze noemen we knipkiezen.
Planteneters hebben grote kiezen met plooien aan de bovenkant en zijkant van de kiezen. Dit
noemen we plooikiezen.
Omnivoren hebben kiezen die hier tussenin zitten, omdat zij vlees en planten eten. Deze kiezen
noemen we knobbelkiezen.
Herkauwers hebben geen snijtanden in hun bovenkaak. In plaats van de snijtanden zit er een gladde

en harde plaat. Dit noemen we de gehemelteplaat. Deze werkt als een soort snijplank: de herkau-
wer snijdt met de snijtanden van de onderkaak het voedsel af tegen de gehemelteplaat.

De gehemelteplaat is goed zichtbaar bij een geit.

3.6 Indeling soorten diervoeding
Er zijn veel verschillende soorten diervoeding, want iedere diersoort heeft zijn eigen behoeften. Je kunt
diervoeders op verschillende manier indelen.
Volledig en onvolledig voer

Gezelschapsdieren krijgen volledig en onvolledig voer. Volledig voer is precies afgestemd op de behoef-
ten van het dier. Voorbeelden hiervan zijn hondenbrok, kattenbrok en konijnenbrok. Onvolledig voer is

niet precies afgestemd op de behoefte van het dier, je moet hierbij ook ander voer geven. Voorbeelden
hiervan zijn hart en pens voor de hond.

50 Biologie, voeding en voortplanting
Ruwvoer en krachtvoer
Ruwvoer is van plantaardige herkomst, zoals hooi, gras, kuilgras en luzerne. Het is grofstengelig en dat
is goed voor het maagdarmkanaal van planteneters. Ruwvoer bevat ook veel celwandbestanddelen, ook

wel ruwe celstof of voedingsvezels genoemd. Celwanden zijn veel moeilijk verteerbaar; het spijsverte-
ringskanaal van de planteneters is aangepast voor de vertering van celwanden.

Krachtvoer is al het voer dat geen ruwvoer is. Krachtvoer kan zowel van planten als van dieren gemaakt
zijn. Bij krachtvoer kun je denken aan diervoeding, zoals brok of winterwortels, maar ook aan vlees of vis.
Gemengd en samengesteld voer
Gemengd voer bestaat uit een mengsel van verschillende producten, bijvoorbeeld gemengd kippenvoer
of gemengd knaagdierenvoer.
Een samengesteld voer is een voer waarin verschillende grondstoffen zijn gemengd en tot een brok zijn
geperst. Een andere naam voor samengesteld voer is mengvoer. Voorbeelden van samengesteld voer
zijn paardenbrok, konijnenkorrel en rundveebrok. Ook honden- en kattenbrokken zijn samengestelde
voeders.
Droogvoer en natvoer

Samengestelde voeders kun je verder onderverdelen in droogvoer, halfdroogvoer en natvoer. Het be-
langrijkste verschil is het vochtgehalte in de voeders. In droogvoer zit ongeveer 10% vocht en in half-
droogvoer ongeveer 30%. In natvoer kan wel 70 tot 80 % vocht zitten. Blikvoer voor honden en katten is

een voorbeeld van natvoer.
Voedseldieren

Voedseldieren zijn dieren die in hun geheel aan andere dieren worden gevoerd. Denk aan muizen, fruit-
vliegjes, krekels en meelwormen. Je voert voedseldieren vooral aan reptielen en amfibien. Voedsel-
dieren worden levend of dood gevoerd. Je hoeft als dierverzorger de voedseldieren niet zelf te doden.

Voedseldieren die dood worden gevoerd zijn bijvoorbeeld muizen. Deze worden dood en ingevroren
geleverd. Voordat je zon muis aan een slang voert, moet de muis ontdooid zijn.
Dierlijk voedsel en plantaardig voedsel
Vlees, melk en eieren noemen we dierlijk voedsel. Het is namelijk afkomstig van dieren. Dierlijk voedsel is

geschikt voor carnivoren en in kleine hoeveelheden ook voor omnivoren. Ook voedseldieren zijn natuur-
lijk dierlijk voedsel. Voedsel afkomstig van planten noemen we plantaardig voedsel. Het is geschikt voor

herbivoren en omnivoren. Denk hierbij aan granen, zaden en vruchten.
Let op: diervoeders behoren vaak tot meerdere groepen waar je hierboven over leest. Hondenbrokken
bijvoorbeeld zijn volledig voer, gemengd voer n droogvoer. Hooi is een ruwvoer, het is onvolledig en
plantaardig.

3.7 Soorten diervoeding per diersoort

Voor iedere diersoort is er ander voer beschikbaar, aangepast aan de behoefte van die diersoort. Hier-
onder worden verschillende voeders beschreven en de voor- en nadelen.

Biologie, voeding en voortplanting 51

3.7.1 Voeders voor honden en katten
Er zijn veel verschillende soorten voer voor honden en katten. De belangrijkste zijn:
droge brokken
blikvoer
dinervoer (voor honden, niet voor katten)

Geur, smaak en consistentie van voer zijn belangrijk.
Droge brokken
Droge brokken bevatten ongeveer tien procent vocht. Het is daarom belangrijk dat er voor de dieren
altijd vers en schoon water klaarstaat. Voor katten moeten de voerbak en de waterbak niet naast elkaar
staan. Zorg dat er minimaal 1 meter ruimte tussen zit, de waterbak mag ook in een andere ruimte dan de
voerbak staan. Dit heeft te maken met het natuurlijke gedrag van katten. Na het eten zijn katten gewend
om te lopen en daarna pas te drinken. Katten drinken minder als de waterbak direct naast de voerbak
staat.
Voordelen droge brokken:
Ze zijn goedkoper dan dinervoer en blikvoer.
Ze reinigen het gebit, doordat de dieren er goed op moeten kauwen.
Droge brokken bevatten veel energie per gram voer. Dit kan een voordeel zijn als een dier veel
energie nodig heeft.
Nadelen droge brokken:
Het voer is minder aantrekkelijk voor de dieren, omdat geur- en smaakstoffen pas goed vrijkomen

als ze zijn opgelost in water. Droge brokken bevatten weinig water, dus er komen niet zoveel geur-
en smaakstoffen vrij.

Voor een ziek of zwak dier zullen droge brokken wat moeilijker op te nemen zijn. Dit komt doordat
ze hard zijn en ze wat zwaarder op de maag kunnen liggen.
Doordat droge brokken weinig vocht bevatten, kan het een minder geschikt voer zijn voor dieren

met een droge huid of voor oudere dieren. Dan is het beter om het dier natvoer te voeren of droog-
voer en natvoer af te wisselen.

52 Biologie, voeding en voortplanting
Blikvoer
We noemen blikvoer ook wel natvoer.
Voordelen van blikvoer:
Veel dieren vinden het erg smakelijk en eten blikvoer goed.
Goed op te nemen voor jongere en oudere dieren, dieren met gebitsproblemen of zieke of zwakke
dieren.
Nadelen van blikvoer:

Het bevat veel vocht, meestal zon 70 tot 80%. In vocht zitten geen voedingsstoffen, dus de voedings-
stoffen zitten in de overige 20 tot 30%. Hierdoor moet een dier meer eten van blikvoer dan van

droogvoer of dinervoer.
Hierdoor is blikvoer duurder dan droge brokken en dinervoer.
Er kan sneller en meer tandsteen ontstaan door het eten van blikvoer.
Dinervoer
Dinervoer bestaat uit een mengsel van brokken, voorbewerkte granen en vaak gekleurde stukjes brood.
Het voer ziet er voor de eigenaar interessant uit. Honden beoordelen echter met hun neus en niet met

hun ogen of het voer aantrekkelijk is. Dinervoer is te vergelijken met droogvoer. Sommige soorten di-
nervoer moeten worden aangelengd met water. Hierdoor gelden de nadelen die voor droogvoer gelden,

niet voor dinervoer.
Rauw voedsel
Je kunt een hond of kat ook voeren met rauw voedsel. Hierbij voer je vooral botten en rauw vlees. Dit zou

beter aansluiten bij de natuurlijke manier van eten; het benadert het eten van prooidieren beter. Er zit-
ten ook nadelen aan het voeren van rauw voedsel, zoals een groter risico op besmetting met schadelijke

bacterin. Het is ook moeilijk om een voeding samen te stellen die precies past bij de hond of de kat. Er
zijn ook kant-en-klare rauwe producten te koop, maar deze hebben niet altijd de juiste verhoudingen van
mineralen. Bij bedrijven zie je eigenlijk nooit dat er rauw voedsel wordt gevoerd, omdat het meer werk
is om dit klaar te maken en omdat je er veel over moet weten. Rauw voedsel geven gebeurt dus eigenlijk
alleen bij eigenaren thuis.
Het beste voer?

Het is moeilijk te zeggen welk voer het beste is. Dit hangt volledig af van de situatie, het dier en de wen-
sen van de eigenaar. Droge brokken, dinervoer en natvoer zijn alle drie volledige voeders. Dat betekent

dat het voer voor een gezonde hond of kat alle voedingsstoffen in de juiste hoeveelheid bevat als het
dier er voldoende van eet. In een normale situatie is het dus niet nodig om extra vitaminen, mineralen of

andere voedingssupplementen aan het voer toe te voegen. Soms is het nodig dat een hond of kat dieet-
voeding krijgt. Hierover lees je meer in hoofdstuk 4.

3.7.2 Voeders voor konijnen en knaagdieren
Voor konijnen en knaagdieren zijn veel verschillende voeders te koop. Het voer is te verdelen in:
gemengd voer, zoals gemengd knaagdierenvoer en rattenmix;
samengesteld voer, zoals konijnenkorrel en caviakorrel.
Geef bij voorkeur een samengesteld voer. Alle korrels of brokjes zien er hetzelfde uit, bevatten dezelfde
voedingsstoffen en ruiken hetzelfde. Hierdoor eten de dieren alles op en krijgen ze alle voedingsstoffen

Biologie, voeding en voortplanting 53
die ze nodig hebben, binnen. Bij gemengd voer zijn verschillende grondstoffen gemengd, zoals granen
en zaden. Dieren eten de lekkerste producten het eerst op en laten de minder lekkere producten vaak

liggen. Dan krijgen de dieren dus niet alle voedingsstoffen binnen die ze nodig hebben. Dat is het groot-
ste nadeel van gemengd voer. Een ander nadeel is dat gemengd voer vaak duurder is dan samengesteld

voer.
Zorg ervoor dat de konijnen en knaagdieren kunnen knagen, dit is belangrijk voor het afslijten van hun
tanden. Hiervoor geef je de dieren hooi. Let op dat veel ratten allergisch zijn voor stof; geef ratten dus
een klein beetje schoon hooi dat weinig stof bevat. Je kunt konijnen en knaagdieren ook wilgentakken
of takken van onbespoten fruitbomen geven om te knagen. Gebruik geen knaagsteen, die bevat te veel
kalk.

Je kunt knaagdieren af en toe iets extras geven, zoals een klein stukje fruit of groente of zaden. Chinchil-
las en degoes mogen geen fruit, vanwege de grote hoeveelheden fruitsuikers die hierin zitten. Gerbils en

hamsters zijn ook gek op meelwormen; deze kun je ook af en toe geven.
Konijnen

Konijnen moeten 24 uur per dag hooi kunnen eten. Zorg dat je voldoende hooi geeft waar ze mee kun-
nen doen tot de volgende voerbeurt. Hooi houdt het maagdarmkanaal van konijnen actief.

Konijnen geef je twee tot vier keer per week groenvoer en/of fruit. Geef niet te veel, want daarvan kun-
nen ze diarree krijgen. Geschikte soorten zijn andijvie, bleekselderij, boerenkool, broccoli, sinaasappel,

witlof, paprika zonder steel, peer, wortel en wortelloof, appel, blad van de bloemkool en paardenbloem-
blad. Geef geen sla, dit bevat te veel vocht. Geef ook geen andere koolsoorten dan boerenkool of bloem-
koolblad, want hierdoor ontstaat veel gas in de darmen. Voer de dieren konijnenbrok en geen gemengd

knaagdierenvoer.
Ratten
Ratten geef je rattenvoer. Geef een klein beetje schoon hooi, want ratten zijn gevoelig voor stof.
Ratten zijn alleseters, dus deze dieren geef je ook af en toe dierlijk voedsel. Geef ratten n keer per week
een gekookt ei. Je kunt dit met schil geven, maar zonder schil kan ook. Je kunt het ei ook rauw geven,
maar dat geeft wel een vies verblijf. Je kunt ook n keer per week meelwormen geven. Per rat geef je
vijf tot tien meelwormen.
Cavias
Cavias moeten 24 uur per dag hooi kunnen eten. Zorg dat je voldoende hooi geeft waar ze mee kunnen
doen tot de volgende voerbeurt. Hooi houdt het maagdarmkanaal van cavias actief.
Voer cavias bij voorkeur een speciale caviabrok die vitamine C bevat. Cavias kunnen zelf geen vitamine C

maken uit andere voedingsstoffen. Veel andere dieren kunnen dit wel. Daarom is het voor cavias belang-
rijk dat ze iedere dag vitamine C binnenkrijgen. Voer geen gemengd knaagdierenvoer of konijnenbrok,

want beide soorten bevatten te weinig vitamine C.
Als je cavias voert met caviabrok met vitamine C, geef dan twee tot vier keer per week ook wat groenvoer

en/of fruit. Geschikte soorten zijn andijvie, bleekselderij, boerenkool, broccoli, sinaasappel, witlof, pa-
prika zonder steel, peer, wortel en wortelloof, appel, blad van de bloemkool en paardenbloemblad. Geef

geen sla, dit bevat te veel vocht. Geef ook geen andere koolsoorten dan boerenkool of bloemkoolblad,
want hierdoor ontstaat veel gas in de darmen.

54 Biologie, voeding en voortplanting
Je kunt ook op andere manieren vitamine C aan cavias geven:
vitaminedruppels in het water (druppels zijn verkrijgbaar in de dierenspeciaalzaak);
vitamine C-tablet (tablet met 50-70 mg vitamine C, geschikt voor mensen); dagelijks voldoende verse
groente en fruit; waarbij afwisseling zeer belangrijk is.
Hamsters

Hamsters voer je met hamstervoer. Hamsters stoppen alles in hun wangzakken. Dit noemen we ham-
steren. Deze wangzakken zijn een tijdelijke opslagplaats om het voer naar een voorraadhoek te kunnen

vervoeren. Kijk voordat je een hamster nieuw voer geeft altijd of er ergens in een hoekje van het verblijf
voer verstopt ligt. Meestal ligt er een voorraadje. Als er nog voer in het verblijf ligt, geef dan geen nieuw
voer. Als je dit wel doet, wordt de hamster te dik.
3.7.3 Voeders voor landbouwhuisdieren
Voor alle landbouwhuisdieren behalve de kip is ruwvoer het belangrijkste voer. Als het nodig is, krijgen
de dieren daarnaast ook krachtvoer, zoals brok.
Rund
Ruwvoer is het belangrijkste voor runderen. Denk aan vers gras, kuilgras of hooi. Hobbykoeien die niet

drachtig of zogend zijn en in een goede conditie verkeren, hebben geen krachtvoer nodig. Een goed ruw-
voer is dan voldoende.

Krachtvoer is bij hobbykoeien alleen nodig tijdens de zoogperiode. Zorg voor een liksteen bij runderen
die geen krachtvoer krijgen, zodat ze wel voldoende mineralen binnenkrijgen.
Paard
Paarden moeten dag en nacht de beschikking hebben over ruwvoer: vers, gras, hooi of kuilgras. Als het
paard langere tijd geen ruwvoer krijgt, gaat de productie van maagzuur en darmsappen wel gewoon
door. Deze sappen kunnen dan zorgen voor beschadigingen in het maagdarmstelsel.

Paarden die extra inspanningen doen, zoals manegepaarden en wedstrijdpaarden, moet je ook kracht-
voer geven. Er bestaan veel soorten krachtvoer voor paarden, bijvoorbeeld paardenbrok. Maar ook wor-
tels en luzerne zijn krachtvoer. Ook paarden die drachtig zijn of een veulen zogen, moeten krachtvoer

krijgen naast hun ruwvoer.
Varken
Varkens hebben de neiging om snel te dik te worden. Geef varkens daarom ruwvoer, want dit bevat
veel voedingsvezels. Dit zorgt ervoor dat de varkens een vol gevoel hebben, maar toch niet te veel eten.
Geschikt ruwvoer voor varkens is gras, kuilgras, hooi, groente en bietenpulp. Varkens zijn ook vaak lang
bezig met het eten van ruwvoer, dat voorkomt dat de dieren zich gaan vervelen.
Naast het ruwvoer krijgen de varkens nog een klein beetje krachtvoer, in de vorm van varkensbrok. Er
zijn verschillende soorten brok verkrijgbaar speciaal voor hobbyvarkens. Varkens mogen beslist geen
varkensbrok dat geschikt is voor varkens in de commercile varkenshouderij, want dit voer bevat te veel
energie en te weinig vezels voor hobbyvarkens.
Vrijwel alle soorten fruit zijn geschikt voor varkens, maar voer dit slechts n tot twee keer in de week,
omdat het veel suiker bevat. Ook van brood, mas, ongekookte aardappels en aardappelschillen worden

varkens snel dik. Geschikte groentesoorten zijn onder meer andijvie, witlof, paprika en wortels. Voeder-
bieten zijn ook geschikt. Voer geen koolsoorten, hierdoor ontstaat gasvorming in de darmen.

Biologie, voeding en voortplanting 55
Varkens zijn alleseters, dus af en toe voedsel van dierlijke oorsprong zullen de varkens zeker waarderen.

Denk hierbij aan gekookte of ongekookte eieren (met schaal), eendagskuikens en diverse wormensoor-
ten. Als varkens een uitloop naar buiten hebben, zullen zij zelf ook regelmatig insecten en wormen bij

elkaar scharrelen.
Het voeren van keukenafval (swill) aan varkens is in Nederland verboden, omdat het ziekteverwekkers
kan bevatten.
Geit
Hobbygeiten die niet drachtig zijn of geen lammeren zogen, hebben voldoende aan gras en hooi. In de
winter moet er meer hooi worden bijgevoerd, omdat er dan minder gras beschikbaar is. Je kunt geiten
ook kuilgras geven. Geef de geiten een likblok om mineralen aan te vullen.
Er is speciaal geitenbrok of geitenmuesli te koop, maar je kunt geiten ook voeren met een basisbrok voor
runderen. Voer geiten geen schapenbrok, want dit bevat te weinig koper. Voer alleen brok aan geiten die

lammeren zogen of die in de tweede helft van de dracht zijn. Zorg ervoor dat deze krachtvoergift lang-
zaam wordt opgebouwd.

Voer liever geen brood, dat is een dikmaker voor geiten.
Schaap

Hobbyschapen die niet drachtig zijn, in de groei of lammeren zogen, hebben voldoende aan gras, even-
tueel aangevuld met hooi of kuilgras. Schapen die in de laatste vier weken van de dracht zijn en schapen

die lammeren zogen, moeten ook schapenbrok krijgen.
Sommige schapenrassen, waaronder de Texelaar, zijn gevoelig voor het mineraal koper. Voer daarom
altijd schapenbrok, want hier zit minder koper in. Schapenbrok kun je niet voeren aan andere dieren,
voor hen bevat het juist te weinig koper. Heideschapen, zoals het Drents heideschaap en het Veluws

heideschaap, hebben juist een grotere behoefte aan koper. Voer daarom aan heideschapen een basis-
rundveebrok.

Texelaar Drents heideschaap
Kip

Goede voeding voor kippen bestaat uit legkorrel of legmeel. Beide zijn een volledig voer en bevatten de-
zelfde voedingsstoffen. Voor kuikens is er kuikenvoer, ook in vorm van meel of kleine korrels.

Naast het volledige voer kun je de kippen voeren met groente, fruit, gemengd graan, gebroken mas
en ruwvoer. In de ren of los in de tuin zullen de kippen ook regelmatig wat dierlijk voedsel eten, zoals
insecten. Voer graan en mas slechts af en toe, want hier vervetten de kippen snel van. Dit kan op de
grond gestrooid worden, zodat de kippen kunnen scharrelen. Strooi niet te veel, want resten trekken
ongedierte aan.

56 Biologie, voeding en voortplanting
Kippen eten graag verschillende soorten groenvoer, zoals gras, andijvie, witlof, boerenkool, brandnetel,
paardenbloem, vogelmuur, voederbieten, wortels en wortelloof. Ook fruit en ruwvoer (hooi, luzerne,
stro of snijmais) kun je af en toe geven. Het ruwvoer zorgt voor actief pik- en scharrelgedrag. Zeker voor
kippen die in een ren verblijven, is dit belangrijk. Ook kun je af en toe takken en bladeren geven, om de
kippen actief te houden.
Kippen moeten maagkiezel krijgen. Dit zijn kleine steentjes, die helpen bij het verkleinen van het voedsel
in de spiermaag. Leggende kippen moeten ook grit krijgen. Grit zijn kleine stukjes schelp die veel kalk
(calcium) bevatten. Kalk heeft de kip nodig om de eischaal, die veel kalk bevat, te kunnen produceren.
Maagkiezel en grit worden vaak in n mengsel aangeboden.

Kippengrit
3.7.3 Vogelvoeders

Voor zaadeters worden zaadmengsels gemaakt. Probleem bij zaadeters is dat als we de vogels onbe-
perkt (ad libitum) voeren, ze de lekkere zaden eten en de minder lekkere zaden laten liggen. We noemen

dit selectief eten. Daardoor kunnen vogels een tekort krijgen aan bepaalde voedingsstoffen. Daarom
bestaat er ook pelletvoer voor vogels. Pelletvoer bestaat uit korrels die er hetzelfde uitzien en hetzelfde
ruiken. In iedere pellet zitten dezelfde voedingsstoffen. Hierdoor kunnen de vogels niet meer alleen de
lekkere zaden uitzoeken. Je hebt wel geduld nodig om een vogel te laten wennen aan pelletvoer. Als je
jonge vogels vanaf het begin pellets voert, dan eten ze deze zonder problemen.

Er zijn zaadmengsels en pelletvoer voor verschillende vogels. Zo zijn er zaadmengsels voor grote parkie-
ten, maar ook voor kleine parkieten en voor tropische vogels. De mengsels verschillen qua samenstelling

en grootte van de zaden en de pelletvoeders verschillen qua samenstelling en grootte van de pellet.
Eivoer

Eivoer is een voer dat gemaakt is van eieren. Eivoer geef je in kleine hoeveelheden naast zaden om tekor-
ten aan te vullen. Er bestaat ook vochtig eivoer. Hieraan is honing toegevoegd, dit vinden de vogels lek-
kerder. In de perioden dat vogels extra voedingsstoffen nodig hebben, geef je meer eivoer. Dit is nodig

bij ziekte, broeden of jongen grootbrengen.
Maagkiezel en grit
Zaadeters hebben ook maagkiezel en grit nodig. Lees hier verder over bij kippen. Let op: kiezel en grit
voor vogels is verkrijgbaar in verschillende maten, passend bij de grootte van de vogel. Geef geen grit en
kiezel voor kippen aan vogels.
Universeelvoer
Universeelvoer geef je aan vruchten- en insecteneters. Het is een volledig voer dat bestaat uit insecten en
vruchten, zoals bessen. Vaak is het een gemengd voer en kun je de insecten en vruchten goed in het voer
herkennen. Er is ook universeelvoer in de vorm van pellets. Er zijn verschillende soorten universeelvoer
met verschillende samenstellingen, want iedere vruchten- en insecteneter heeft andere behoeften.

Biologie, voeding en voortplanting 57

3.7.4 Vissenvoer
Voor vissen zijn er de volgende soorten voer:
droogvoer, zoals vlokvoer en voertabletten;
levend voer, zoals watervlooien en rode muggenlarven;
diepvriesvoer, waarin voederdieren zitten die zijn ingevroren;
gevriesdroogd voer. Hierin zijn levende voederdieren diepgevroren en daarna is alle vocht eruit
gehaald. Door dit proces worden alle voedingsstoffen goed bewaard.
Droogvoer is een volledig voer. Het is in allerlei vormen te koop. De bekendste zijn vlokvoer en tabletten.
Vlokvoer is een droogvoer dat blijft drijven en goed is te zien door de vissen. Voertabletten zinken en
worden vooral door bodemvissen gegeten.
Het is goed voor vissen om droogvoer af te wisselen met levend voer, diepvriesvoer of gevriesdroogd
voer. Veel vissoorten eten graag levend voer. Het bevordert de groei en het voortplantingsgedrag. Ook

diepvriesvoer en gevriesdroogd voer hebben deze eigenschappen. Voordeel van diepvriesvoer en ge-
vriesdroogd voer is dat je het makkelijk in de vriezer kunt bewaren.

3.7.5 Voeding terrariumdieren
Er zijn veel verschillende soorten reptielen en amfibien. Ze hebben allemaal hun eigen soorten voeding.
Daarom kunnen we hier niet alles opnoemen.

Vleesetende reptielen en amfibien eten voedseldieren. Voedseldieren geef je dood of levend. Veel ge-
bruikte voedseldieren zijn:

knaagdieren, zoals muizen en ratten;
insecten, zoals sprinkhanen, krekels, meelworm, moriowormen en fruitvliegjes.

Herbivore reptielen en amfibien voer je met groenten. Als je de dieren groenten geeft, dan maak je al-
tijd een combinatie van bladgroenten en vruchtgroenten. Bladgroenten zijn groenten als witlof, andijvie,

Chinese kool en spinazie. Vruchtgroenten zijn bijvoorbeeld paprika en tomaat. Geef deze dieren slechts
af en toe fruit.

Je kunt plantenetende reptielen en amfibien ook goed voeren met kruiden uit de natuur. Paarden-
bloemblad, gras, weegbree, klaver, vogelmuur brandnetel, wikke en herderstasje zijn prima kruiden om

te voeren. Let wel op de vindplaats van de kruiden: niet plukken in bermen en/of op plekken waar hon-
den uitgelaten worden.

Mineralen en vitaminen voor terrariumdieren

Bij de voeding van reptielen en amfibien moet je vooral letten op de aanwezigheid van de mineralen cal-
cium en fosfor. Knaagdieren zijn een goed voer vanwege hun skelet, vlees en maaginhoud. Bij het voeren

komt calcium vrij bij de vertering van het skelet van het knaagdier. Insecten bevatten heel veel fosfor. De
hoeveelheid calcium en de verhouding calcium-fosfor kun je corrigeren door een calciumpoeder aan het
voer toe te voegen.
Ook vitamine D is belangrijk voor reptielen en amfibien. Vitamine D is nodig bij de calciumopname. Een
tekort geeft dezelfde verschijnselen als een calciumtekort. Er is nog veel onduidelijk over vitamine D.
Sommige terrariumhouders geven wel vitaminepoeder over het voer, anderen doen dit niet. Zij geven
aan dat terrariumdieren vitamine D kunnen maken uit de UV-verlichting in het terrarium.

58 Biologie, voeding en voortplanting
3.8 Voedingsstoffen

In elke soort diervoeding zitten voedingsstoffen. Het dier heeft deze voedingsstoffen nodig, om te groei-
en bijvoorbeeld of als energiebron om te bewegen. Hieronder wordt beschreven uit welke voedingsstof-
fen goed voer is opgebouwd en welke eigenschappen de voedingsstoffen hebben.

3.8.1 Zes belangrijke voedingsstoffen
Voeding bevat brandstoffen die energie leveren, bouwstoffen bevatten om te groeien en regulerende
stoffen om processen in het lichaam te regelen. Voeding is opgebouwd uit een aantal voedingsstoffen
die elk hun eigen functie in het lichaam van het dier hebben.
voedingsstof functie
koolhydraten brandstof
vetten brandstof
bouwstof
oplosmiddel voor vet- oplosbare vitaminen

eiwitten bouwstof
brandstof

vitaminen stoffen die allerlei processen in het lichaam regelen of ondersteunen
mineralen (zouten) stoffen die allerlei processen in het lichaam regelen of ondersteunen
water bouwstof
Sommige voedingsstoffen zijn essentieel, omdat een dier die niet zelf kan maken, maar wel nodig heeft.
Zon essentile voedingsstof moet dus in het voer zitten. Een niet-essentile voedingsstof mag in het voer
zitten, maar dat hoeft niet. Welke voedingsstoffen essentieel zijn, verschilt per diersoort.
Voorbeelden van essentile voedingsstoffen

Vitamine C is een essentile voedingsstof voor cavias. Veel andere dieren kunnen in hun lichaam vita-
mine C maken uit andere voedingsstoffen, maar een cavia kan dit niet. Daarom moet caviavoer altijd

vitamine C bevatten.

Vitamine C is een essentile voedingsstof voor cavias.

Taurine en arginine zijn twee essentile voedingsstoffen voor katten. Andere dieren kunnen dit zelf ma-
ken uit andere voedingsstoffen, maar katten niet. Je mag katten daarom niet voeren met bijvoorbeeld

hondenvoer, want in hondenvoer zit geen of te weinig taurine en arginine. Als je dat toch doet, missen
katten deze essentile voedingsstoffen.

Biologie, voeding en voortplanting 59

Koolhydraten

Koolhydraten bevatten veel energie. Koolhydraten zijn brandstoffen, die zijn opgebouwd uit een of meer-
dere suikermoleculen. Het lichaam heeft vooral glucose nodig. We kennen het ook als druivensuiker en

dextrose. De koolhydraten die in het voer worden opgenomen, worden afgebroken tot enkelvoudige
suikers en omgezet in zuivere glucose.
De glucose wordt opgenomen in het bloed en door het lichaam naar elke cel vervoerd. Als er meer
glucose wordt opgenomen dan er nodig is op dat moment, dan wordt dit opgeslagen in de lever en de
spieren. Als er glucose nodig is, haalt het dier dit uit de lichaamsvoorraad.
Als er meer glucose in de voeding zit dan de opslag in de lever en spieren aankan, dan wordt glucose
omgezet in lichaamsvet. Lichaamsvet vormt een voorraad energie. Een beetje lichaamsvet is voor een
dier geen probleem. Als een dier te lang te veel koolhydraten via zijn voeding krijgt, dan kan het dier te
dik worden. Dat levert risicos op voor de gezondheid van het dier.
Voedingsvezels of ruwe celstof
Voedingsvezels zijn een bijzondere soort koolhydraten. We noemen voedingsvezels ook wel ruwe celstof.
Het voornaamste bestanddeel van voedingsvezels is cellulose. Cellulose is te vinden in de celwand van
planten. Planteneters kunnen ruwe celstof goed verteren, hun spijsverteringskanaal is daarop aangepast.
Voor planteneters is ruwe celstof heel belangrijk voor een goede werking van het spijsverteringskanaal.
Carnivoren kunnen ruwe celstof heel slecht verteren. Van de hoeveelheid ruwe celstof in het voer wordt
maar een klein deel verteerd. Het overige, onverteerde deel wordt met de ontlasting uitgescheiden. Toch
zijn voedingsvezels belangrijk voor carnivoren, het zorgt ervoor dat het voedsel niet te snel door het
spijsverteringskanaal gaat. Op die manier kunnen carnivoren alle voedingsstoffen die ze nodig hebben
uit het voedsel halen. Bij carnivoren die voer krijgen zonder voedingsvezels zal het maagdarmkanaal
verstopt raken.
Vetten

Vetten bevatten een zeer grote hoeveelheid energie, dus vetten zijn vooral belangrijk als brandstof. Daar-
naast is vet ook een bouwstof. Veel lichaamsonderdelen bevatten vet. Denk maar aan de onderhuid. In

de onderhuid zit veel vet opgeslagen. Daarnaast zijn veel organen ter bescherming ingebouwd in een
laagje vet, zoals de nieren en de ogen.
Vetten zijn ook belangrijk als oplosmiddel. De zogenaamde vet oplosbare vitaminen (vitamine A, D, E en
K) kunnen alleen worden opgenomen als er vet in het voer zit om deze vitaminen in op te lossen. In het
lichaam worden deze vitaminen opgeslagen in vet. Bij sterke vermagering verliest het lichaam ook deze
voorraad vitaminen.
Eiwitten

Eiwitten zijn vooral nodig als bouwstof, want de meeste weefsels in het lichaam zijn opgebouwd uit ei-
witten Tijdens de groei van het lichaam zijn er veel eiwitten nodig om alle weefsels te laten groeien. In

bijvoorbeeld puppyvoer of kittenvoer zit daarom meer eiwitten dan in voer voor volwassen honden en
katten. Maar eiwitten blijven het hele leven nodig, want het tijdens het hele leven worden verschillende
weefsels van het lichaam voortdurend vervangen. Voor deze vervanging zijn eiwitten nodig.

Eiwitten zijn opgebouwd uit aminozuren. Er bestaan twintig verschillende aminozuren. Met deze ami-
nozuren kan het lichaam zeer veel verschillende eiwitten opbouwen. De meeste aminozuren kan het li-
chaam zelf maken uit andere aminozuren, maar een aantal niet. Dit zijn de essentile aminozuren. Welke

aminozuren essentieel zijn, verschilt per diersoort.

60 Biologie, voeding en voortplanting

Als er in de voeding meer eiwitten zitten dan nodig is, dan worden de aminozuren omgebouwd tot vet-
ten. Deze vetten worden verbrand of omgezet in lichaamsvet. Als de voeding te weinig eiwitten bevat,

gaat het lichaam de lichaamseiwitten verbruiken. Hierdoor zullen de spieren minder worden. Een heel
mager dier is dan ook nauwelijks meer gespierd.
Vitaminen
Vitaminen zijn stofjes die een rol spelen bij verschillende lichaamsprocessen. Welke vitaminen een dier
nodig heeft, verschilt per diersoort.
Er zijn twee groepen vitaminen: de vet oplosbare en de wateroplosbare.

Vet oplosbare vitaminen zijn de vitaminen A, D, E en K. Deze vitaminen kunnen in het lichaamsvet wor-
den opgeslagen. Dieren kunnen er dus een voorraadje van aanleggen.

Wateroplosbare vitaminen zijn vitaminen B en C. Deze vitaminen moeten iedere dag voldoende in het
voer zitten, want een overschot wordt met de urine uit het lichaam verwijderd.
In het volgende overzicht zie je de verschillende vitaminen en de functie die ze vervullen.
vitamine functie
A zien
horen
botgroei

B stofwisseling: cellen nemen stoffen op voor energie en als bouwstof. Ze voeren ook

afvalstoffen af. Die processen samen noemen we stofwisseling.
functioneren van zenuwen
C genezen van wonden
opbouw van botten

D opbouw van botten en tanden

handhaven verhouding calcium en fosfor in het lichaam

E afweer

voortplantingsprocessen

K bloedstolling
Water
Water is onmisbaar voor belangrijke lichaamsfuncties:
als bouwstof van het lichaam: 60-70% van het lichaam bestaat uit water;
het transporteren van voedingsstoffen en afvalstoffen;
het handhaven van de lichaamstemperatuur;
de productie van melk voor de jongen.
Een dier krijgt op twee manieren water binnen: via het drinkwater en via het voer. De hoeveelheid water
in de voeding is afhankelijk van het soort voer. Vlees bevat bijvoorbeeld zon 60% water, terwijl bepaald
plantaardig voedsel, zoals sla of komkommer, ruim 99% water bevat.

Biologie, voeding en voortplanting 61

Een koe moet voor het produceren van melk veel water drinken.
Mineralen
Mineralen zijn bouwstoffen voor het lichaam. Ze regelen allerlei processen in het lichaam. Mineralen
zijn nodig voor een goede gezondheid en een normale groei en ontwikkeling. Mineralen komen in kleine
hoeveelheden voor in voeding. Het lichaam heeft maar weinig van ieder mineraal nodig.
Er zijn veel verschillende soorten mineralen. Vier bekende minderalen zijn calcium, magnesium, natrium
en fosfor. Maar er zijn ook minder bekende mineralen, zoals jodium. Calcium is de wetenschappelijke
naam voor kalk. Calcium is nodig voor de botten en de spieren, net als magnesium en fosfor. Natrium is
belangrijk voor het regelen van de bloeddruk en voor een goede werking van spier- en zenuwcellen.

3.9 Kwaliteit van voer
Je wilt dieren het beste voer geven. Je moet dus iets weten over de kwaliteit van voer. Kwaliteit van voer
wordt bepaald door:
verpakking
bewaren
kwaliteit bepalen
3.9.1 Voerverpakking
Er zijn veel verschillende soorten verpakkingen van voer: emmers, potjes, blik, papieren zakken, plastic
zakken en zakken met een aluminiumlaagje aan de binnenkant. De fabrikant kiest de juiste verpakking

voor het voer. Op de verpakking van diervoeders staat veel informatie. De drie belangrijkste vermeldin-
gen zijn:

samenstelling van het voer
bewaaradvies
houdbaarheidsdatum
Samenstelling van het voer
Op het etiket staat welke grondstoffen er zijn gebruikt om het voer te bereiden. De fabrikant vermeldt

niet precies welke grondstoffen dit zijn en hoeveel, want het recept is geheim. Als de exacte samenstel-
ling op een verpakking staat, dan zou een andere fabrikant het voer kunnen namaken.

62 Biologie, voeding en voortplanting
De volgende categorien worden vaak op een etiket vermeld:
vlees- en dierlijke bijproducten
vis- en visbijproducten
ei- en eiproducten
granen
suikers
olin (vetten)
De volgorde van de grondstoffen staan op volgorde van het hoeveelheid die in het voer zit. De eerste
grondstof zit het meeste in het voer, de laatste grondstof het minste. Kijk maar eens op een verpakking
van honden- of kattenvoer. Als daar granen als eerste product worden genoemd, dan weet je dat graan
het grootste bestanddeel van het voer is. Hoe goed is dit voer om te voeren aan een vleeseter?
Bewaaradvies
Het bewaaradvies geeft aan waar en hoe je het voer het beste kunt bewaren.
Volg het bewaaradvies van de fabrikant zoveel mogelijk op.
Houdbaarheidsdatum
De houdbaarheidsdatum staat vaak als een THT-datum op de verpakking. THT betekent: tenminste

houdbaar tot. Hiermee geeft de fabrikant de volgende zekerheid: tot die datum bevat het voer alle voe-
dingsstoffen in de hoeveelheid zoals het op de verpakking staat.

Na deze datum geeft de fabrikant niet meer de zekerheid dat alle hoeveelheden kloppen. Vitaminen bij-
voorbeeld veranderen na verloop van tijd van samenstelling. Hierdoor kan een dier de vitaminen niet of

niet voldoende opnemen uit het voer.
3.9.2 Bewaren van voer
Voor veel diervoeders gelden in ieder geval de volgende bewaareisen:
afgesloten van licht
luchtdicht
vochtvrij
Dit betekent dat je emmers, potten, blikken enzovoort altijd meteen afsluit nadat je het voer hebt gepakt.
Voor veel soorten ruwvoer gelden deze bewaareisen niet. Hooi en kuilgras kun je niet altijd in het donker
bewaren. Zorg er wel voor dat ruwvoer altijd van de grond af ligt, bijvoorbeeld op een pallet. Dan kan er
geen vocht intrekken.
Als voer geleverd wordt, dan leg of zet je dit op volgorde van houdbaarheid in het magazijn. Dat betekent
dat het voer met de eerstkomende houdbaarheidsdatum vooraan of bovenop ligt. Zo pak je het voer dat
als eerste op moet, als eerste uit het magazijn.

Biologie, voeding en voortplanting 63

3.9.3 Kwaliteit bepalen
Voordat je gaat voeren let je op de kwaliteit van het voer. Je stelt jezelf de volgende vragen:
Is het voer schoon? Zie je bijvoorbeeld ontlasting van ongedierte? Dan is het voer niet meer geschikt
om te voeren.
Zie je schimmel? Dat zie je als stengels in ruwvoer wit zijn gekleurd. Beschimmeld voer gooi je weg.
Ruikt het voer fris? Schimmel bijvoorbeeld stinkt.
Er is verschil in kwaliteit van ruwvoer. Hooi met een groene kleur en een frisse, kruidige geur heeft een
hoge voedingswaarde. Bruin hooi dat muf of karamelachtig ruikt heeft een mindere kwaliteit.
Er is ook verpakt ruwvoer, zoals kuilgras in plastic balen. Vanaf het moment dat deze balen open zijn,
moet je goed opletten of het kuilgras goed blijft. Let hier vooral op schimmel.

Voer dat je hebt gemorst moet je altijd direct opruimen, anders trekt het ongedierte aan. Denk aan mui-
zen en ratten, die daarna weer meer voer gaan opzoeken en opeten. Ze laten dan ook hun ontlasting

achter in het voer. Het voer kun je dan niet meer voeren.
Twijfel je over kwaliteit van het voer? Vraag dan altijd een collega of leidinggevende om mee te kijken of
het voer nog goed is.

64 Biologie, voeding en voortplanting. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.

Antwoord gegenereerd door AI Antwoord rapporteren

Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.

Stel een vraag
 
Inloggen via e-mail
Nieuw wachtwoord aanvragen
Registreren via e-mail
Winkelwagen
  • loader

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items! Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

loader

Ontvang gratis €2,50 bij je eerste upload

Help andere studenten door je eigen samenvattingen te uploaden op Knoowy. Upload ten minste één document en krijg gratis € 2,50 tegoed.

Upload je eerst document