Leg mij uitgebreid het volgende onderwerp uit: leg alle leerstof op dit leerstof overzicht statistiek uit, op niveau van iemand van het secundair onderwijs. Doe dit aan door de nodige formules te geven en aan de hand van duidelijke voorbeelden
Telproblemen
Je lost telproblemen zonder herhaling op met combinaties.
Je doet dit in opgaven met context.
faculteit
telproblemen zonder herhaling waarbij de volgorde niet belangrijk is:
combinaties
Je lost telproblemen op zonder herhaling waarbij de volgorde niet belangrijk is, met en
zonder ICT.
Je berekent het totaal aantal opties van keuze 1 en keuze 2 als het product van
het aantal mogelijkheden voor keuze 1 met het aantal mogelijkheden voor keuze
2 (productregel).
Je berekent het totaal aantal opties van keuze 1 of keuze 2 als de som van het
aantal mogelijkheden voor keuze 1 en het aantal mogelijkheden voor keuze 2
(somregel).
Je berekent het aantal opties dat aan een bepaalde voorwaarde voldoet als het
totale aantal mogelijkheden verminderd met het aantal mogelijkheden dat niet
voldoet (complementregel).
Binomiale verdeling
Je berekent en interpreteert kansen met behulp van de binomiale verdeling.
Je doet dit in opgaven met context.
discrete en continue kansvariabele of stochast
kansverdeling
Bernouilli-experiment, Bernoulli-verdeling
binomiale verdeling
verwachtingswaarde, variantie, standaardafwijking
Je onderscheidt discrete en continue kansvariabelen.
Je bepaalt of een kansvariabele bij een experiment al dan niet binomiaal verdeeld
is.
Je stelt de kansverdeling op van een binomiale verdeling met ICT.
Je berekent de verwachtingswaarde en de standaardafwijking bij een binomiale
verdeling met ICT.
Je interpreteert de verwachtingswaarde en de standaardafwijking bij een
binomiale verdeling
Je berekent kansen bij een binomiale verdeling met ICT.
Je interpreteert kansen bij een binomiale verdeling.
Je lost vraagstukken op.
Hypothesetoetsen
Je toetst hypothesen.
Je doet dit in opgaven met context.
normale verdeling, binomiale verdeling
populatieproportie, populatiegemiddelde
steekproefproportie, steekproefgemiddelde
steekproevenverdeling van het steekproefgemiddelde
steekproevenverdeling van de steekproefproportie
nulhypothese H0
, alternatieve hypothese H1
, p-waarde, significantieniveau
eenzijdige en tweezijdige hypothesetoetsen
twee soorten fouten: onterecht verwerpen van de nulhypothese (type I-fout) en
onterecht niet verwerpen van de nulhypothese (type II-fout)
Je gebruikt de begrippen steekproefproportie, steekproefgemiddelde,
populatieproportie, populatiegemiddelde, steekproevenverdeling, nulhypothese,
alternatieve hypothese, eenzijdige en tweezijdige hypothesetoets, p-waarde en significantieniveau.
Je beoordeelt stellingen over de nulhypothese, de alternatieve hypothese, het
significantieniveau en de p-waarde. Je licht je antwoord toe.
Je stelt de nulhypothese en de alternatieve hypothese op.
Je controleert of de voorwaarden voldaan zijn om de steekproevenverdeling te
gebruiken.
Je bepaalt de parameters van de steekproevenverdeling.
Je berekent de p-waarde met ICT.
Je verwerpt al dan niet de nulhypothese op het gegeven significantieniveau en
verklaart je keuze.
Je interpreteert de conclusie omtrent het al dan niet verwerpen van de
nulhypothese.
Je berekent de kans op het onterecht verwerpen van de nulhypothese.
Betrouwbaarheidsintervallen
Je legt in betekenisvolle situaties de betekenis uit van betrouwbaarheidsniveau,
betrouwbaarheidsinterval en foutenmarge.
Je doet dit in opgaven met context.
normaalverdeling
populatieproportie, populatiegemiddelde
steekproefproportie, steekproefgemiddelde
steekproefvariabiliteit
steekproevenverdeling
betrouwbaarheidsniveau
foutenmarge
betrouwbaarheidsinterval
betrouwbaarheidsinterval voor het populatiegemiddelde
betrouwbaarheidsinterval voor de populatieproportie
verband tussen de breedte van het betrouwbaarheidsinterval en de
steekproefgrootte, standaardafwijking en het betrouwbaarheidsniveau
vaak voorkomende fouten bij het interpreteren van een
betrouwbaarheidsinterval
Je krijgt een betrouwbaarheidsinterval met een bepaald betrouwbaarheidsniveau en
beoordeelt stellingen over het betrouwbaarheidsinterval, de populatieproportie, de
steekproefproportie, het populatiegemiddelde, het steekproefgemiddelde, de
steekproefvariabiliteit, het betrouwbaarheidsniveau en de foutenmarge.
Je licht je
antwoord toe.
Je interpreteert een betrouwbaarheidsinterval waarbij je de begrippen
betrouwbaarheidsinterval, populatieproportie, populatiegemiddelde,
steekproefvariabiliteit, betrouwbaarheidsniveau en foutenmarge gebruikt. De nadruk
ligt op de betekenis, het is niet nodig om zelf berekeningen te maken.
Je duidt de fout aan bij het verkeerd interpreteren van een betrouwbaarheidsinterval
en verbetert deze.
Spreidingsdiagrammen
Je analyseert het verband tussen 2 numerieke grootheden in een dataset met behulp
van een spreidingsdiagram.
Je doet dit in opgaven met context.
spreidingsdiagram, scatterdiagram, puntenwolk
onafhankelijke en afhankelijke variabele
verbanden tussen grootheden: recht evenredig, omgekeerd evenredig,
lineair, kwadratisch
informeel begrip van trendlijn
informeel begrip van correlatiecofficint bij een lineair verband
correlatie
causaliteit
Je tekent een spreidingsdiagram met ICT.
Je interpreteert een spreidingsdiagram.
Je bepaalt het voorschrift van een trendlijn met ICT.
Je interpreteert een trendlijn.
Je bepaalt de correlatiecofficint met ICT.
Je geef aan de hand van de correlatiecofficint de sterkte en richting van het lineair
verband aan.
Je beschrijft het verband tussen de vorm van de puntenwolk en de waarde van de
correlatiecofficint. Je maakt daarvoor gebruik van de vuistregels in het formularium.
Je maakt onderscheid tussen correlatie enerzijds en causaliteit anderzijds.
Vuistregels voor het interpreteren van de correlatiecofficint vind je terug in het
formularium. Je krijgt dit bij het examen.
Werken met grote datasets
Je analyseert grote datasets met behulp van de rekenapps in functie van een statistisch
onderzoek.
Je doet dit in opgaven met context.
gegroepeerde en niet-gegroepeerde frequentietabellen
grafische voorstellingen: staafdiagram, lijndiagram, dotplot, histogram,
spreidingsdiagram, boxplot
centrummaten: rekenkundig gemiddelde, mediaan, modus
spreidingsmaten: variatiebreedte, kwartielen, interkwartielafstand,
standaardafwijking
steekproef, populatie, variabele
normale verdeling
hypothesetoetsen
informeel begrip van trendlijn en correlatiecofficint
correlatie
Je verkent met ICT de aangeleverde grote dataset:
Je groepeert gegevens.
Je stelt een frequentietabel met absolute en relatieve frequenties op.
Je maakt met ICT de nodige grafische voorstellingen om een zicht te krijgen op de
aangeleverde dataset:
Je beoordeelt welke grafische voorstelling in de gegeven situatie zinvol is. Je
kiest de meest geschikte voorstelling voor de gegeven dataset.
Je maakt grafische voorstellingen van de data
Je berekent met ICT centrummaten en spreidingsmaten.
Je beoordeelt op basis van een grafische voorstelling of het model van de normale
verdeling geschikt is voor de gegeven data.
Je stelt een hypothesetoets op en verwerpt al dan niet je nulhypothese op basis van de
gegeven data en bij een gegeven significantieniveau.
Je beoordeelt met ICT of er een al dan niet sterk lineair verband is tussen twee
variabelen. Je gebruikt hierbij de trendlijn en de correlatiecofficint.
Je interpreteert de resultaten van je statistische analyse in functie van een gegeven
probleemstelling of onderzoeksvraag.
De uitleg moet geschreven zijn op het niveau van de Middelbare school.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag