Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Les 4
De ziekte van Parkinson is een progressieve neurologische aandoening.
Risicofactoren, etiologie en pathofysiologie: Bij de ziekte van Parkinson wordt het eiwit alfa-nuclene niet goed opgeruimd door het lichaam. Hierdoor ontstaan er ophopingen in de hersenen. De precieze oorzaak van de eiwitophoping is niet bekend. Door deze lewy-lichaampjes gaan voornamelijk de dopamine producerende neuronen in de substantia nigra verloren. Dopamine speelt onder andere een rol bij bewegen. Als 70-80 procent van de dopamine producerende gebieden in de hersenen kapotgaan. Bij de ziekte van Parkinson is het dopamine gehalte dus verlaagd, maar er is ook sprake van een verstoord evenwicht van andere neurotransmitters, zoals serotonine, noradrenaline en acetylcholine. Omgevingsfactoren, zoals blootstelling aan bepaalde toxische stoffen, lijken het risico te verhogen. Erfelijke factoren spelen vaker een rol wanneer de aandoening zich op jongere leeftijd manifesteert.
Symptomen: De ziekte van Parkinson kan zich uiten in motorische en niet-motorische symptomen. De motorische symptomen beginnen vaak aan een kant van het lichaam en blijven daar ook het hevigst. Motorische symptomen zijn:
Bradykinesie en hypokinesie
Minder mimiek, zachtere spraak en slikstoornissen
Lopen: minder meebewegen van een arm tijdens het lopen, schuifelend lopen, freezing
Vaardigheden: moeite met omdraaien in bed
Rigiditeit, rusttremor in handen, voeten en/of gelaat. De tremor wordt erger bij emotie en moeheid. De tremor is bij bewegen minder en tijdens het slapen helemaal weg.
Houding en balansstoornissen: voorovergebogen houding
Niet-motorische symptomen zijn:
Psychische symptomen: depressie, dementie, psychotische verschijnselen, impulscontrolestoornis
Autonome stoornissen, zoals orthostatische hypotensie, obstipatie, mictiestoornissen en eretitel disfunctie
Overig: slaapstoornissen, verminderde reuk.
Diagnostiek: Voordat de diagnose ziekte van Parkinson kan worden gesteld, moeten andere oorzaken van de symptomen zijn uitgesloten, zoals bijwerkingen van medicatie of een andere hersenaandoening. Om de laatste reden wordt laboratoriumonderzoek gedaan en wordt er een CT/MRI-scan gemaakt. Als twijfel blijft bestaan over de oorzaak van de symptomen, kan een hersenscintigrafie worden gemaakt, waarbij een kleine hoeveelheid radioactieve stof wordt toegediend.
Behandeling: De ziekte van Parkinson is niet te genezen. De behandeling richt zich op het verminderen van symptomen. Vaak wordt medicatie gebruikt die het dopaminegehalte in de hersenen verbetert. Het meest effectieve medicijn is Levodopa, dat in de hersenen wordt omgezet in dopamine. Om dit proces te verbeteren wordt Carbidopa toegevoegd. In een later stadium kan de werking van de medicatie afnemen en kunnen motorische bijwerkingen ontstaan, zoals over overbeweeglijkheid (dyskinesie). Naast levodopa kunnen ook dopamine-agonisten worden gebruikt. Wanneer de ziekte verder gevorderd is, kan gekozen worden voor Deep Brain Stimulation (DBS) of voor medicatie via een pomp onder de huid of in de darm. Bij DBS worden elektroden in de hersenen geplaatst die via een stimulator op de borst elektrische signalen geven. De behandeling van Parkinson's disease is multidisciplinair. Verschillende zorgverleners zijn betrokken, zoals een neuroloog, Parkinson-verpleegkundige, fysiotherapeut, logopedist en ditist en er is ook aandacht voor psychosociale problemen van de zorgvrager en mantelzorgers.
Complicaties: De symptomen van de aandoening en de behandeling ervan kunnen beide tot complicaties leiden. Het lastige daarbij is dat symptomen van de aandoening ook bijwerkingen van medicatie kunnen zijn. Complicaties zijn:
Letsel als gevolg van vallen
Gewichtsverlies en/of aspiratiepneumonie bij slikstoornissen
Motorische verschijnselen; dyskinesien, responsfluctuaties of on-off-fluctuaties in eerste instantie zijn deze fluctuaties vaak te voorspellen.
Niet motorische verschijnselen:
Gedragsproblemen en stemmingsstoornissen. Gedragsproblemen kunnen ook optreden bij overmatig gebruik van medicatie.
Psychotische verschijnselen, depressie;
Autonome stoornissen, zoals orthostatische hypotensie, obstipatie, mictie stoornissen, erectiele disfunctie
Slaapstoornissen
Bijwerkingen als gevolg van diepe hersenstimulatie
Verergering van de symptomen
Prognose en preventie: De ziekte van Parkinson is een progressieve aandoening. Daardoor is er op den duur hulp nodig bij de dagelijkse activiteiten en kan opname in een verpleeghuis nodig zijn. De snelheid van achteruitgang wisselt per zorgvrager. De levensverwachting van zorgvragers met de ziekte van Parkinson is gemiddeld 2 jaar korter dan die van mensen zonder de zieke. Preventie is gericht op het voorkomen van vallen, gewichtsverlies, obstipatie en aspiratie.
Verpleegkundige aandachtspunten: Verpleegkundigen hebben een belangrijke rol in het voorlichten en begeleiden van zorgvragers met Parkinson's disease en hun naasten. Ze ondersteunen bij het behouden van eigen regie en letten op veranderingen in symptomen, bijwerkingen en complicaties. Juiste inname van medicatie is belangrijk, omdat verkeerde inname van anti-Parkinson medicatie kan leiden tot meer off-periodes en een lagere kwaliteit van leven. Het bevorderen van therapietrouw is daarom een belangrijke taak. Bij een delier mogen zorgvragers met Parkinson geen Haloperidol krijgen.
Epilepsie: Is het optreden van epileptische aanvallen (insulten) als gevolg van een tijdelijke verstoorde elektrische hersenactiviteit.
Risicofactoren: Er is een verhoogd risico op epilepsie voor zorgvragers met:
Aandoeningen van de hersenen, zoals een CVA, aangeboren vaat-of hersenafwijkingen, ernstig traumatisch hoofd hersen stelsel, een hersentumor, meningitis, encefalitis
Hersenschade door chronisch overmatig alcohol of drugsgebruik
Een verstandelijke beperking
Een insult of koortsstuip in de voorgeschiedenis
Epilepsie in de familie
Etiologie en pathofysiologie: Bij een epilepsie gaat de normale hersenactiviteit plotseling over in een epileptische aanval. Het precieze ontstaansmechanisme hiervan is nog niet bekend. De epileptische aanval is het gevolg van een verhoogde prikkelbaarheid van de hersencellen die leidt tot een gelijktijdige ontlading. Je zou dit kunnen zien als een soort kortsluiting in de hersenen. Bij de verhoogde prikkelbaarheid spelen ionenkanalen in de celmembraan en neurotransmitters een rol. Bij het merendeel van de zorgvragers met epilepsie is er geen specifieke oorzaak aantoonbaar. Wanneer de hersenen zijn beschadigd en/of wanneer er sprake is van uitlokkende factoren vergemakkelijkt dit het ontstaan van een epileptisch aanval.
Symptomen: De symptomen zijn verschillend voor de verschillende vormen van epilepsie en hangen onder andere af van de plaats in de hersenen. De belangrijkste symptomen van epileptische aanvallen vind je op de afbeelding.
Diagnostiek: De diagnose Epilepsie wordt pas gesteld als iemand voldoet aan bepaalde criteria, zoals terugkerende aanvallen of een grote kans op herhaling. De arts baseert zich vaak op het verhaal van omstanders of een video van de aanval. Soms herkent de zorgvrager zelf een aura vr de aanval. Onderzoek zoals een Electroencephalography (EEG) en een MRI wordt gedaan om oorzaken te vinden en het herhalingsrisico te beoordelen. Soms worden ook hartonderzoek of bloedonderzoek gedaan om andere oorzaken uit te sluiten.
Behandeling: Tijdens een aanval van Epilepsie moet altijd eerste hulp worden verleend. Bij een focale aanval is het vaak voldoende om de zorgvrager gerust te stellen, gevaarlijke voorwerpen weg te halen en hem rustig te begeleiden. Bij een gegeneraliseerde aanval is het belangrijk het hoofd te beschermen, scherpe voorwerpen te verwijderen, een bril af te doen en strakke kleding los te maken. Steek niets tussen de tanden. Een Tonisch-clonische aanval duurt meestal 23 minuten. Duurt de aanval langer dan 5 minuten, dan is dit een noodsituatie. Na de aanval wordt de zorgvrager in de stabiele zijligging gelegd zodat speeksel niet in de luchtpijp komt. De behandeling richt zich op zo min mogelijk aanvallen en een goede kwaliteit van leven. Soms wordt na de eerste aanval afgewacht, maar bij een grote kans op herhaling kan behandeling met Anti-epileptic drugs worden gestart. Bij moeilijk behandelbare epilepsie kan een operatie of een speciaal dieet worden overwogen. Na een aanval mag iemand tijdelijk niet autorijden en gelden er soms extra regels voor bepaalde beroepen.
Complicaties: Zorgvragers met epilepsie kunnen ernstig gewond raken wanneer zij vallen als gevolg van bewustzijnsverlies of het wegvallen van de normale spierspanning. Een andere acute complicatie is een convulsieve status epilepticus. Hiervan is sprake als de tonisch-clonische aanval langer dan 5 min duurt, of wanneer meerdere aanvallen achter elkaar optreden. Het is hierbij belangrijk om de vitale functies veilig te stellen met de ABCDE-methodiek. De aanval moet zo snel mogelijk doorbehandeld worden door naasten of omstanders met mida-zolam-neusspray toediening. Soms kunstmatige beademing nodig intuberen.
Prognose: Ongeveer 70 procent van de zorgvragers met epilepsie blijft dankzij behandeling met anti-epileptica aanvalsvrij. Bij 30 procent blijven de aanvallen echter terug keren. Vooral zorgvragers met frequente tonisch-clonische aanvallen slecht onder controle zijn, hebben een verhoogd risico op plotselinge overlijden. Dit noemen we SUDEP.
Preventie: Om aanvallen te voorkomen moeten de uitlokkende factoren zo veel mogelijk worden vermeden. Ook therapietrouw is van groot belang. Risicovolle situaties kunnen ontstaan wanneer een aanval optreedt tijden baden, zwemmen of in het verkeer. Om die reden wordt zorgvragers aangeraden dit te doen met toezicht. Zorgvragers met epilepsie moeten een tijdje aanval vrij zijn om weer auto of motor te kunnen rijden.
Verpleegkundige aandachtspunten: Verpleegkundigen kunnen een rol spelen bij het signaleren van epilepsie door te letten op de genoemde symptomen. Door de onvoorspelbaarheid van de aanvallen kunnen vrees, angst of schaamtegevoelens bij komen kijken. Omdat een epileptische aanval invloed heeft op het dagelijkse leven en de kwaliteit van leven negatief kan benvloeden, kan ondersteuning door een multidisciplinair team wenselijk zijn, met daarin bijvoorbeeld een epilepsieverpleegkundige of verpleegkundig specialist, epilepsieconsulent, psycholoog, maatschappelijk werker en arbeidsconsulent. Daarnaast is het belang om de zorgvrager en zijn naasten voor te lichten bij onvoldoende kennis over epilepsie, uitleg over medicatie te geven, therapietrouw te bevorderen, gevaren in de omgeving te bespreken en hulpmogelijkheden aan te bieden.
Multipele sclerose (MS) is een chronische aandoening die meestal begint bij mensen tussen de 20-40 jaar. Op meerdere plaatsen in het centraal zenuwstelsel treedt uiteindelijk verharding op.
Risicofactoren: voor MS zijn
Geslacht: vrouwen hebben ongeveer 2-3 keer grote kans op het krijgen van MS
Familie leden met MS
Opgroeien in een gematigd klimaat
Etiologie en pathofysiologie: De precieze oorzaak van MS is niet helemaal duidelijk, maar gedacht wordt dat het een auto-immuunreactie is. Deze reactie wordt mogelijk uitgelokt door een virus. Dit zorgt voor demyelinisatie. Hierdoor gaat de zenuwgeleiding minder goed en ontstaan er symptomen. Daarbij wordt ook een ontstekingsreactie gezien en treedt er verharding op. Er kan ook schade optreden aan de neuronen zelf. Er zijn verschillende vormen van MS. De twee meest voorkomende v ormen zijnrelapsing-remitting MS en primair progressieve MS.
Symptomen: Er zijn vaak meerdere neurologische uitvalverschijnselen. De symptomen hangen af van de plaats waar de demyelinisatie (is het beschadigen van de myeline) optreedt. Bij zorgvragers met MS kunnen symptomen worden verergerd door hitte, bijvoorbeeld bij koorts of in de zon zitten. We onderscheiden onder andere de volgende symptomen:
Virusstoornissen, oogbewegingsstoornissen, dysartrie, duizeligheid
Spierzwakte, spacticiteit, coordinatiestoornissen, tintelingen, neuropathische pijn
Vermoeidheid, milde cognitieve stoornissen, stemmingsstoornissen
Mictiestoornissen, seksuele klachten
Diagnostiek: Bij anamnese, het lichamelijk onderzoek en beeldvormend onderzoek moet er sprake zijn van minimaal twee afwijkingen op verschillende plaatsen van het centraal zenuwstelsel. Deze afwijkingen moeten niet tegelijk zijn ontstaan. Soms wordt nog ander onderzoek gedaan, zoals een lumbaalpunctie. Laboratoriumonderzoek wordt gedaan om andere oorzaken van symptomen uit te sluiten.
Behandeling: MS is nog niet te genezen. De behandeldoelen van medicatie zijn dan ook het verminderen van de symptomen, het verminderen van de frequentie en/of duur van exacerbaties en zo lang mogelijk zelfstandig kunnen lopen. Immuunmodulerende behandeling, zoals interferonen en glatirameeracetaat, vormt de basis en heeft invloed op de werking van het immuunsysteem. Hierdoor is er minder kans op nieuwe ontstekingsreactie en schade. De medicatie wordt toegediend via subcutane of intramusculaire injecties. Bij onvoldoende werking of bijwerkingen kan worden overgestapt naar nieuwere medicatie, zoals natalizumab of fingolimod. Deze medicatie onderdrukt het immuunsysteem. Vanwege het risico op ernstige bijwerkingen wordt starten van deze medicatie goed overwogen door het behandelteam en wordt de zorgvrager zorgvuldig gevolgd. Bij exacerbaties van MS wordt regelmatig een kortdurende behandeling met corticosteroiden gegeven.
Complicaties: Door symptomen van MS is er een verhoogd risico op complicaties, zoals vallen, obstipatie, urineweginfectie, gewichtsverlies, decubitus en osteoporose. Daarnaast kunnnen er bijwerkingen optreden van de mediactie.
Prognose en preventie: MS is nog niet te genezen. Het verloop van de aandoening hangt af van de vorm en verschilt ook per zorgvrager. Bij een deel van de zorgvragers met relapsing-remitting MS verandert het ziekteverloop naar de secundair progressieve vorm. In een later stadium heeft een deel van zorgvragers hulp nodig bij het lopen. Preventie is gericht op het voorkomen en vroeg signalering van complicaties.
Verpleegkundige aandachtspunten: Verpleegkundigen spelen een belangrijke rol bij het ondersteunen van de zorgvrager bij de diagnose en het ziekteverloop van MS. Gezien de leeftijdscategorie waarin deze aandoening voornamelijk optreedt, dient er daarnaast specifiek aandacht te zijn voor de thuis/gezin en werk situatie. Het inschakelen van een maatschappelijk werker en/of lotgenotengroep kan helpen om het risico op overbelasting van de zorgvrager en zijn omgeving te verkleinen.
Polyneuropathie is een aandoening van meerdere perifere zenuwen ( zenuwen in de armen en benen).
Risicofactoren: diabetes mellitus, overmatige alcoholgebruik, chemotherapie en hart en vaatziekten.
Etiologie: 25% van de zorgvragers heeft geen oorzaak. De meest voorkomende:
o Chronische aandoeningen
o Blootstelling aan (neuro)toxische stoffen
o Te veel of tekort van bepaalde vitaminen
o Auto-immuunaandoening
o Infecties (bijv hiv, ziekte van lyme)
o Sommige vormen van polyneuropathie zijn erfelijk
Pathofysiologie: Meerdere perifere zenuwen zijn aangetast. De aantasting kan bestaan uit beschadiging van het axon zelf, afbraak van de myelineschede of een combinatie hiervan. Een mogelijke oorzaak is dat de bloedvoorziening van de axonen verstoord is. Beschadiging van de axonen/myelineschede verstoort de prikkelgeleiding/prikkeloverdracht. Soms zijn ook de hersenzenuwen aangetast (bijv bij diabetes mellitus, Guillain-Barrsyndroom en ziekte van Lyme).
Symptomen: Meestal ontstaan de klachten over een periode van maanden/jaren. Begint vaak met tintelingen/doof/brandend gevoel in de tenen of voeten. De klachten worden langzaam erger en breiden zich uit naar de handen en onderbenen. Verminderde sensorische info richting het CZS > onzeker looppatroon. De symptomen zijn vrijwel altijd links en rechts hetzelfde.
Diagnostiek: Anamnese, lichamelijk onderzoek. Bij een deel van de zorgvragers is aanvullend EMG nodig (bepaling welk type polyneuropathie). Bloedonderzoek, beeldvormend onderzoek, een lumbaalpunctie/biopt van een spier, zenuw of huid.
Behandeling: Wegnemen/verminderen van de oorzaak. Bij zorgvragers met diabetes, is de behandeling gericht op goede regulatie van bloedglucosewaarden. Pijnbestrijding, voorkomen van complicaties en behoud van kwaliteit van leven. Neuropatische pijn als gevolg van polyneuropathie is lastig te behandelen. Podotherapeut kan helpen bij voetzorg. Ergotherapeut en fysiotherapeut kunnen advies geven ten aanzien van hulpmiddelen.
Complicaties: Zorgvragers die geen pijn/tempratuurverandering voelen, lopen risico op (brand) wonden. Bijvoorbeeld diabetische voet. Ook sprake van een verhoogd valrisico door de spierzwakte en/of gevoelsstoornissen. Nachtelijke pijnklachten > slaapstoornissen en vermoeidheid overdag.
Prognose en preventie: Gezonde leefstijl kan het risico op polyneuropathie verminderen. Blootstelling aan zware metalen en andere (neuro) toxische stoffen vermijden. Bij diabetes is een goede bloedglucosewaarden belangrijk.
Verpleegkundige aandachtspunten: Signaleren van polyneuropathie. Wondjes aan de voeten controleren en bezig houden met valpreventie.
Dwarslaesie: Beschadiging van het myelum kan voor blijvende, ernstige neurologische uitval van allerlei functies zorgen. Onderbreking van het myelum en de daarin lopende zenuwbanen heet dwarslaesie.
Risicofactoren: Verhoogd risico hebben o.a. zorgvragers met:
o Traumatisch letsel van de wervelkolom (leeftijd tussen 15-35, man, brommerrijden/motorrijden/risico sporten en leeftijd ouder dan 60 met artrose/osteoporose lopen risico)
o Tumoren van wervelkolom en myelum
o Operatie aan de rug
o Hernia nuclei pulposi
o Aangeboren ruggenmergletsel
Etiologie: Het meeste ontstaan door een ongeval. Of ernstige artrose, tumoren, hernia, infecties, multipele sclerose en vaataandoeningen. Bij ernstige spina bifida kan het ook aangeboren zijn.
Pathofysiologie: Hoge dwarslaesie (vanaf nekwervels tot en met de eerste borstwervel) en lage dwarslaesie (vanaf de tweede borstwervel omlaag). Er kan sprake zijn van een doorsnijding/scheur in het myelum. Verder kan het bekneld zijn door bot bij een wervelfractuur/HNP, ruggenmerg kneuzing door trauma. Tumor, HNP, abces/infarct/bloeding zorgen voor een meer geleidelijk begin van verdrukking van het myelum. Ernstige artrose kan tot vernauwing van het wervelkanaal leiden en daardoor myelum verdrukken. Bij osteoporose veranderen spontane fracturen van de wervels de stand van het myelum. Schade aan motorische banen leidt tot krachtverlies (parese) onder het niveau van letsel. Schade aan sensibele banen leidt tot gevoelsstoornissen in de dermatomen onder het letsel. Complete hoge dwarslaesie leidt tot een verlamming van beide armen en beide benen. Complete lage dwarslaesie leidt tot verlamming van beide benen.
Symptomen: Bij complete dwarslaesie treden krachtverlies, gevoelsstoornissen en autonome disfunctie tegelijkertijd op. Bij incomplete letsels zijn de symptomen:
o Motorisch
- Parese/paralyse van armen, benen, rompspieren.
- Parese/paralyse van de ademhalingsspieren
- Gespannen, pijnlijke spieren, spasticiteit
o Sensorisch
- Tintelingen, hypesthesie, anesthesie
o Autonoom
- Urineretentie, obstipatie
- Incontinentie voor urine en feces
- Erectiele disfunctie
Diagnostiek: Anamnese, neurologisch onderzoek en beeldvormend onderzoek. MRI-scan, rntgenonderzoek en een CT-scan. In geval van infectie/ontsteking: bloed/liquoronderzoek.
Behandeling: Adviseren wervelkolom immobiliseren. Spoedoperatie kan nodig zijn voor beknelling van myelum wegnemen en stabiliseren wervelkolom. In geval van infectie wordt intraveneus antibiotica toegediend. Bij dreigende dwarslaesie als gevolg van kanker, word radiotherapie gedaan. Revalidatie is belangrijk bij herstel, word ondersteund door multidisciplinair team.
Complicaties: In de acute fase kunnen ernstige autonome stoornissen optreden, zoals hypotensie, verstoord tempratuurregulatie en autonome dysreflexie (waarbij hypertensie ontstaat). Veel complicaties zijn ten gevolge van immobiliteit, voorbeelden: DVT, contracturen, decubitus, ademhalingsproblemen, pneumonie, urineretentie, incontinentie, depressie.
Prognose: Bij complete dwarslaesie is vaak sprake van permanent verlies van functie. Als gedeeltelijke dwarslaesie vroegtijdig wordt onderkend en behandeld, is de kans op (gedeeltelijk) herstel wel aanwezig. De meeste hebben levenslange begeleiding nodig, maar leren omgaan met hun beperkingen en ervaren normale kwaliteit van leven.
Preventie: Traumatisch letsel kan deels worden voorkomen door maatregelen zoals een helm, rugprotector en maatregelen die valrisico verminderen.
Verpleegkundige aandachtspunten: Signaleren. Observeren en verandering rapporteren. Verminderen van het risico op complicaties d.m.v. ademhaling ondersteuning, hygine maatregelen etc. Angst, vrees en gevoelens bespreekbaar maken. Nagaan of er psychologische en emotionele begeleiding nodig is.
Traumatisch hoofd-hersenletsel: Traumatisch hoofd-hersenletsel (trauma capitis) is elk traumatisch letsel aan het hoofd waarbij er mogelijk ook sprake is van intracranieel letsel. Dat betekent letsel binnen in de schedel, zoals bloeding.
Risicofactoren en etiologie: Bij ouderen en jonge kinderen is meestal een val van beperkte hoogte, verkeersongeval, sportongeval of misdrijf een oorzaak. Risico:
o Mensen ouder dan 40 jaar
o Situaties waarin sprake is van hoogenergetisch trauma, val van hoogte, aanrijding, ongeval.
o Gebruik van anticoagulantia of stollingsstoornissen
Pathofysiologie: Mild functieverlies van de hersenen zonder zichtbare schade bij beeldvormend onderzoek noemen we een hersenschudding/commotio cerebri. Bij intracranieel letsel is er wel sprake van zichtbare schade, zoals bloeding/kneuzing. Kan gepaard gaan met fracturen. Of de hersenschade blijvend is, wordt bepaald door de ernst en door schade aan de neuronen.
Symptomen: Bij licht hoofd-hersenletsel is bewustzijn normaal/korte periode van desorintatie. Vaak last van hoofdpijn en evt amnesie (geheugenverlies). Braken, doorgemaakt bewustzijnverlies, uitwendig letsel van het hoofd en neurologische symptomen zijn alarmsymptomen. Matig en ernstig hoofd-hersenletsel gaat altijd gepaard met (tijdelijk) bewustzijnverlies. Bij ernstig letsel, spreken we van een coma.
Diagnostiek: Adhv anamnese en lichamelijk onderzoek wordt het risico ingeschat. Bij verhoogd risico, wordt een CT-scan gemaakt >fracturen en bloedingen. Lab onderzoek>stollingsstoornissen, afwijkende bloedglucose, overmatig alcohol/drugs.
Behandeling: ABCDE-methodiek voor het veiligstellen. Bij verdenking op nekletsel > nek stabilisatie. Als er geen risico is op intracranieel letsel, word zorgvrager thuis geobserveerd. Ze kunnen orale pijnstilling gebruiken en evt wekadvies (eerste 24u na het ontstaan van letsel om de 1-2 uur controle of iemand goed wakker wordt). In het ziekenhuis wordt bij ernstiger letsel elk uur controles uitgevoerd. Bij matig/ernstig letsel is er intensieve zorg nodig, met vitale functie ondersteuning (vb beademing). Vaak is operatie noodzakelijk bij specifieke intracranile bloedingen.
Prognose: Bij licht hoofd-hersenletsel is prognose gunstig. De eerste dagen-weken zijn vaak nog klachten aanwezig, die nemen spontaan af. Prognose bij matig-ernstig letsel is minder gunstig. Ernstig leidt in 25% van de gevallen tot overlijden. 50% herstelt zonder functieverlies. Hoe langer de coma, hoe groter de kans op neurologische restverschijnselen (cognitief en emotionele stoornissen).
Preventie: Dragen van hoofdbescherming bij risico, verminderen valrisico in huis en bevorderen van verkeersveiligheid.
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 10.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag