Studiebot antwoord

Stel een vraag ›
 
Vraag gesteld door: danieckwolbers - 5 maanden geleden

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Decubitus en Contracturen
Decubitus = doorliggen
Contracturen = gewrichtsverstijving, specifiek gerelateerd aan langdurige inactiviteit of een vaste houding wat leidt tot verkorting van spieren en pezen
Risicofactoren:
- Verminderde mobiliteit (waardoor druk en schuifkrachten toenemen)
- Slechte voedingstoestand (tast de huidkwaliteit aan)
- Verminderde doorbloeding en zuurstofopname
- Huidproblemen (door vocht en wrijving)
- Onderliggende aandoeningen (zoals diabetes, COPD, hartfalen, obesitas)

Interventies voor decubitus en contracturen richten zich op drukvermindering (door wisselhouding of bijvoorbeeld speciale matrassen), huidverzorging, voeding, beweging (soms met behulp van een fysiotherapeut) en correcte positionering met kussens op gewrichten soepel te houden

Preventieve maatregelen
- Regelmatig wisselen van houding
- Een veilige omgeving creren en schuiven/wrijven op de huid voorkomen (speciaal matras)
- Zorg voor gladde, schone onderlagen

Farmacologie en polyfarmacie
Farmacologie = geneesmiddelenleer
Farmacie = leer van de bereiding van geneesmiddelen
Farmacotherapie = behandeling (therapie) van ziekten en aandoeningen met geneesmiddelen, voorschrijven van geneesmiddelen
Farmacokinetiek = wat doet het lichaam met het geneesmiddel?
Farmacodynamiek = wat doet het geneesmiddel met het lichaam?

Verschillende vormen van farmacotherapie
Causale (curatieve) therapie
Profylactische (preventieve) therapie
Symptomatische therapie
Substitutie therapie (lichaamseigen stof waar tekort van is)
Placebo

Toediening
Toedieningswegen
Lokaal (buiten het lichaam)
Systemisch (in het lichaam)
Enteraal/oraal (via maag-darmstelsel)
Parenteraal (niet via mond-maag)

Toedieningsvormen
Droge toepassing
Poeder, capsule, tablet
Natte toepassing
Oplossing, suspensie, injectie
Vette toepassing
Zelf, crme, pasta


Farmacokinetiek
Wat doet het lichaam met het geneesmiddel? ADME
Opname (Absorptie)
Verdeling en transport in het lichaam (Distributie)
Afbreken (Metabolisme)
Uitscheiding (Extrectie)

Opname (absorptie)
Lokale toediening
Cutaan, oculair, vaginaal, inhalatie, oraal, nasaal
Komt nauwelijks in het bloed, werkt op plek van toediening

Systemische toediening
Enteraal (via maagdarmkanaal)
Oraal, rectaal of via sonde

Parentaal (buiten maagdarmkanaal om)
Intraveneus, subcutaan, intramusculair, intra-articulair
Verneveling en gassen, direct in liquor, pleister, sublinguaal

Factoren die de opname benvloeden:
Vulling in de maag
Vetoplosbaarheid/wateroplosbaarheid van een geneesmiddel
Doorbloeding/conditie maag-darmkanaal
Resorptiesnelheid afhankelijk van toedieningsweg
Gelijktijdig gebruik van andere middelen

Verdeling en transport in het lichaam (distributie)
First-pass effect = leverpassage
Eigenschappen geneesmiddel (lipofiel, hydrofiel)
De organen (stapelen van geneesmiddel: bloeddoorstroming)
Het individu (adipositas, oudere leeftijd)
Geneesmiddelen interacties

Metabolisme = onschadelijk maken van geneesmiddel of geschikt maken voor uitscheiding
Geneesmiddelen worden afgebroken tot metabolieten (= stofwisselingsproducten)

Belangrijke rol voor de lever

Geschikt maken van geneesmiddel

Verder door powerpoint!!!


Uitscheiding van het geneesmiddel (excretie)
Lipofiele stoffen
Via de lever > gal > maagdarmkanaal > faeces
Hydrofiele stoffen
Via de lever > bloed > nieren > urine

Factoren die excretie via nier benvloeden
Gebruik meerdere geneesmiddelen
Doorbloeding/conditie nieren
Leeftijd
pH urine


Hoeveelheid geneesmiddel in het bloed
Plasmaconcentratie
Tmax = tijdstip waarop concentratie in het lichaam het hoogst is
T1/2 = halfwaardetijd: tijd die nodig is om concentratie in plasma met de helft te verminderen
Therapeutische breedte = concentraties waartussen geneesmiddel optimaal effect heeft
Biologische beschikbaarheid = gedeelte van dosis die onveranderd in circulatie terechtkomt

Farmacodynamiek
Wat doet het geneesmiddel met het lichaam?

Aangrijpingspunten voor geneesmiddelen in het lichaam - hoe kan het effect hebben?
Receptoren
Ionkanalen
Enzymen
Transporteiwitten

Hoofdwerking = symptomatisch, causaal, profylactisch etc
Nevenwerking = extra werking, naast de hoofdwerking
Bijwerking = werking anders dan de hoofdwerking, schadelijk en onbedoeld
Interactie = verschillende stoffen benvloeden elkaars werking
Contra-indicatie = onder bepaalde omstandigheden mag het middel niet worden gegeven

Polyfarmacie
Chronisch gebruik van 5 of meer geneesmiddelen

Aandachtpunten:
Effecten geneesmiddelen bij ouderen vaak anders dan bij jongeren
Door grote hoeveelheid medicatie verhoogd risico op therapie-ontrouw
Verhoogde kans op bijwerkingen
Toename ziekenhuis- en verpleeghuisopname
Toename morbiditeit en mortaliteit

Verschillende vormen van uitscheiding
Urine (mictie)
Wat: Uitscheiding van urine via de nieren en blaas
Bevat: Afvalstoffen (zoals ureum), overtollig water en zouten
Normaal: 12 liter per dag
Aandachtspunten in de zorg:
Incontinentie
Retentie
Katheterzorg
Kleur, geur en hoeveelheid

Ontlasting (defecatie)
Wat: Uitscheiding van onverteerde voedselresten via de darmen
Bevat: Vezels, bacterin, afvalstoffen
Normaal: 3 per dag tot 3 per week
Aandachtspunten in de zorg:
Obstipatie
Diarree
Incontinentie
Stoma


Zweet (transpiratie)
Wat: Uitscheiding via de huid
Bevat: Water, zouten, kleine hoeveelheden afvalstoffen
Functie: Regulatie van lichaamstemperatuur
Aandachtspunten in de zorg:
Overmatig zweten
Uitdroging
Huidverzorging

Ademhaling (longen)
Wat: Uitscheiding via uitademing
Bevat: Koolstofdioxide (CO) en waterdamp
Aandachtspunten in de zorg:
Ademhalingsproblemen
Zuurstoftekort
Bewustzijnsveranderingen

Gal en ontgifting (lever en darmen)
Wat: Uitscheiding van afvalstoffen via gal naar de darmen
Bevat: Afbraakproducten van medicijnen en giftige stoffen
Wordt uitgescheiden via: Ontlasting
Aandachtspunten in de zorg:
Leverfunctie
Medicatiegebruik


Waarom is een gezonde voedingstoestand en voldoende vochtinname essentieel?
Een gezonde voedingstoestand en voldoende vocht zijn cruciaal omdat ze het lichaam voorzien van bouwstenen (eiwitten, vitamines, mineralen, energie) voor herstel, het immuunsysteem ondersteunen en afvalstoffen afvoeren (wat essentieel is om ziektes te voorkomen, het lichaam te onderhouden en herstel na ziekte te versnellen)

Gezonde voeding:
- Energie en bouwstenen (voeding levert energie voor lichaamsfuncties en de eiwitten voor spierherstel en het bouwen van nieuwe cellen)
- Vitamines en mineralen (reguleren lichaamsprocessen, versterken immuunsysteem en helpen bij wondgenezing)
- Preventie van ziekten (schijf van 5 verkleint risico op chronische ziekten)
- Gewichtsbeheersing (helpt bij behouden van gezond gewicht, cruciaal voor algehele gezondheid)

Voldoende vochtinname:
- Afvoer van afvalstoffen (nieren hebben water nodig om afvalstoffen af te voeren)
- Transport (vocht zorgt voor goede doorbloeding en transporteert voedingsstoffen naar cel)
- Regulatie van lichaamstemperatuur (zweten = lichaam verliest vocht, dus moet aangevuld worden)
- Symptoomverlichting (kan klachten zoals misselijkheid verminderen)

Vaardigheidslessen
Verplaatsingen
Dynamische belasting = treedt op wanneer je zichtbaar in beweging bent
Statische belasting = treedt op als je langere tijd in dezelfde houding werkt

Een zorgverlener mag maximaal 23 kg tillen tijdens een transfer
Een zorgverlener mag niet meer dan 15 kg per hand of 25 kg per twee handen trekken
Een zorgverlener mag niet meer dan 5 kg trekken wanneer de kracht uit de vingers komt

Bij statische belasting mag je niet langer dan 1 minuut staan als je romp meer dan 30 graden gedraaid is (zorg daarom dat je het hoog-laag bed gebruikt)
Anti-lifting = het beste is om helemaal niet te tillen (in de praktijk niet mogelijk)
Drie manieren om lichamelijke belasting tijdens een transfer te verminderen:
1. Zelfredzaamheid van de zorgvrager stimuleren
2. Haptonomische principes
3. Hulpmiddelen gebruiken

Let bij het helpen van mensen uit de stoel op de volgende punten:
- Voeten naar achter plaatsen
- Met het bovenlichaam naar voren hellen
- Afzetten met de armen
- Gewicht boven het steunvlak brengen en opstaan

Haptonomische verplaatsingsprincipes:
- Informeer de zorgvrager over de reden en wijze van verplaatsen
- Motiveer de zorgvrager om mee te werken
- Nodig de zorgvrager uit tot bewegen
- Raak de zorgvrager aan met je handpalmen en niet met je vingertoppen
- Verplaats de plek van aanraken en laat de zorgvrager zo voelen wat de bedoeling van aanraking is
- Neem de beweging over zodra de zorgvrager de beweging inzet

Hulpmiddelen binnen het bed:
- Papegaai rechtop in bed gaan zitten
- Glijzeil kantelen in bed
- Draaibed passief draaien in bed
Hulpmiddelen buiten het bed:
- Sta-opstoel zelfstandig in en uit de stoel gaan
- Draaischijf kwartslag draaien
- Opstahulp ondersteuning bij het staan
- Bedhulp zelfstandig in bed gaan en uit bed komen
- Tilriem houvast en steun bij verplaatsen, lopen en balans houden

Mobiliteitsklassen:
A = goede mobiliteit, kan zelf omdraaien in bed en lopen
B = redelijk goede mobiliteit, lichte ondersteuning nodig
C = mobiel met behulp van hulpmiddel
D = redelijk passief (minder mobiel), kan transfers niet zelf meer uitvoeren
E = volledig passief (slechte mobiliteit)

Beste houding tijdens een transfer:
- Houd je rug recht
- Houd je bekken licht voorover gekanteld
- Houd je buikspieren licht aangespannen
- Houd je knien gebogen

Basisprincipes voor de zorgvrager:
- Zorg dat je op de hoogte bent van de situatie van de zorgvrager
- Vertel de zorgvrager wat er gaat gebeuren
- Stimuleer de zorgvrager om zo goed mogelijk mee te helpen met de transfer
- Sluit aan bij natuurlijke bewegingen van de zorgvrager
- Houd oogcontact met de zorgvrager tijdens de transfer
Basisprincipes voor hulpmiddelen:
- Gebruik waar dat kan hulpmiddelen of vraag een collega om te helpen
- Gebruik hulpmiddelen op de juiste manier
- Zorg voor een goede samenwerking met de collega
- Stel de hoogte van het bed in, afgestemd op de kleinste zorgverlener
- Bespreek wie de leiding neemt tijdens de transfer
Basisprincipes voor de omgeving:
- Stel een werkhoogte in waardoor je zo veel mogelijk met een rechte romphouding werkt
- Creer voldoende bewegingsruimte
- Creer een juiste werkopstelling. Houd de afstand waarover de transfer plaatsvindt zo klein mogelijk
Schrede stand = voeten achter elkaar
Spreidstand = voeten naast elkaar
Schutterstand = beide benen gebogen (achterste knie op grond en voorste knie naar voren gewezen)

Complicaties voor de zorgvrager:
- De zorgvrager kan tegen het bedhek aan stoten
- De zorgvrager kan uit bed glijden als het glijzeil gebruikt wordt en het bedhek niet omhoog is
- De zorgvrager kan vallen of struikelen
Omgaan met tilliften
Actieve tillift = met een actieve tillift help je de zorgvrager bij het gaan staan en weer gaan zitten (stalift)
Passieve tillift = met een passieve tillift verplaats je een zorgvrager van bed naar stoel of van grond etc.

Voorwaarde actieve tillift:
- Zorgvrager heeft voldoende rompbalans
- Zorgvrager kan op minimaal 1 been steunen
- Zorgvrager kan zijn armen goed gebruiken
- Mobiliteitsklasse C
Een actieve tillift ondersteunt de zelfredzaamheid van de zorgvrager, het is wel van belang dat de zorgvrager begrijpt wat de bedoeling is, je moet ook altijd blijven uitnodigen en motiveren tot bewegen

Redenen om passieve tillift in te zetten:
- De zorgvrager begrijpt de aanwijzingen van de zorgverlener niet
- De zorgvrager heeft onvoldoende rompbalans
- Mobiliteitsklasse D & E

Voor het gebruik van tillift!
- Controleer of de lift en zwenkwielen niet beschadigd zijn
- Controleer of het onderstel van de lift onder het bed kan
- Controleer of de accu opgeladen is
- Controleer of er een keuringssticker op de lift zit en check de datum
- Controleer bij passieve lift of de baleinen in de tilband zitten
- Controleer de maat van de tilband
- Controleer de tilband op beschadigingen
Zet de tillift niet op de rem tijdens de verplaatsing!


Toiletgang
Mictie = plassen
Defecatie = poepen
Factoren die toiletgang benvloeden:
- Leeftijd
- Eten en drinken
- Psychische factoren
- Bekkenbodemspieren
- Omgeving


Incontinentie is het ongewild verlies van urine of ontlasting (feces)
Soorten incontinentie:
Inspanningsincontinentie = plast in zijn broek bij het niezen of lachen
Drangincontinentie = heeft een blaasontsteking en moet direct en vaak naar het toilet
Overloopincontinentie = verlies voortdurend en druppelsgewijs urine
Mictie-apraxie = heeft dementie en plast spontaan in zijn broek
Functionele incontinentie = kan niet goed lopen en haalt het toilet niet optijd
Bij hulp met toiletgang zijn volgende punten belangrijk:
- Hygine: reinig de huid van de zorgvrager goed. Maak ook kleding en spullen goed schoon. Bescherm jezelf met handschoenen
- Veiligheid: zorg dat iemand niet kan vallen of uitglijden
- Privacy: houd er rekening mee dat de zorgvrager zich kan schamen, doe de deur of het gordijn dicht en geef de zorgvrager een moment voor zichzelf
- Bereikbaarheid: overhandig het bel/alarmsysteem. Zo kan iemand je bereiken als hij hulp nodig heeft
Normale ontlasting herken je als volgt:
- De hoeveelheid hangt samen met de hoeveelheid voedsel
- De frequentie verschilt per persoon
- De kleur is afhankelijk van voeding, voeding met vlees = kastagne bruin, bruingeel bij plantaardig en goudgeel bij moedermelk
- De geur is onaangenaam
- De ontlasting is gebonden

Mondverzorging
Mondverzorging bestaat uit de volgende onderdelen:
- Mondinspectie
- Tandenpoetsen en tong reinigen
- Mondholte reinigen
- Gebitsprothese reinigen
Een goed verzorgde mond heeft een schoon gebit en schone mondslijmvliezen. De lippen moeten soepel zijn. Te veel speeksel en korstjes zijn niet goed. De tong mag geen beslag hebben. Beslag is een witte aanslag op de tong. Dat komt meestal door een ophoping van bacterin
Goede mondverzorging is dat de zorgvrager minimaal 1 keer per dan zijn tanden poetst of zijn gebitprothese verzorgt
Voor mensen die hun voeding via een sonde krijgen, is het wel belangrijk om af en toe slokjes water te drinken of de mond te spoelen met water. De lippen te verzorgen met vaseline en regelmatig de tanden te poetsen

Een mondinspectie moet twee keer per week plaatsvinden
Mondproblemen herken je aan de volgende signalen:
- Slechter eten en drinken
- Pijn aan de mond
- Slechte adem
- Slikklachten
- Slecht verdragen van warm, koud, zuur of hard voedsel
- Droge mond of bloed in de mond
- Gewichtsverlies

Slechte bacterin in de mond kunnen aderverkalking verergeren. De bacterin hopen zich op, op plaatsen met aderverkalking. Als de verkalking losscheurt in de ader, ontstaan er bloedstolseltjes oftwel trombose. Trombose kan hart- en vaatziekten veroorzaken, zoals bijvoorbeeld een hartinfarct
Complicaties in de mond:
- Caris (gaatjes)
- Tandplak
- Gingivitis (ontsteking van tandvlees)
- Parodontis (chronische ontsteking van weefsels rond gebit, kaakbot breekt af)
- Pulpitis (ontsteking weefsel binnen tand of kies)
Lange termijngevolgen van slechte mondverzorging:
- Hyposialie (minder speekselaanmaak)
- Xerostomie (minder speekselaanmaak, drogere mond)
- Halitose (vieze geur)
- Ondervoeding
- Pneumonie (longontsteking)
- Pijn
- Smaakstoornissen
- Tong- en mondbranden (chronische brandende pijn van tong of mondslijmvlies)

Kleden en uiterlijke verzorging
Goede uiterlijke verzorging draagt niet alleen bij aan de fysieke gezondheid, maar speelt ook een rol in de sociale relaties. Daarnaast bevordert het een positief zelfbeeld en een gevoel van frisheid. Het geeft de zorgvrager een comfortabel gevoel, waardoor hij beter in zijn vel zit. Door hierbij te helpen speel je dus een belangrijke rol in iemand welzijn en kwaliteit van leven

Negatieve gevolgen van verwaarloosde uiterlijke verzorging:
- Ingegroeide haren
- Oorinfectie (door verstopt gehoorapparaat)
- Zichzelf of anderen verwonden (door te lange nagels)
- Sociale gevolgen
- Verlies van zelfvertrouwen
Richtlijnen:
- Was het haar ten minste 1 keer in de week
- Scheren kan dagelijks maar ook om de dag (of minder vaak)
- Elke dag het gehoorapparaat reinigen
- Nagels knippen 1 tot 2 keer in de maandag


Hygine en infectiepreventie
Stappen van infectiecyclus:
1. Er bestaat een micro-organisme, zoals een bacterie
2. Een micro-organisme zit op een besmettingsbron (reservoir), zoals een mens, dier of voorwerp
3. Het micro-organisme verlaat de besmettingsbron via een uitgang, zoals de longen of darmen
4. Het micro-organisme wordt overgedragen, bijvoorbeeld via aanraking of hoesten
5. Het micro-organisme dringt het lichaam binnen, bijvoorbeeld via inademing of wond
6. De besmetting met het micro-organisme leidt tot infectie

Mensen met verminderde weerstand:
- Zwangeren
- Kraamvrouwen
- Mensen met brandwonden
- Mensen met ondervoeding
- Alcohollisten
- Mensen met obesitas
- Mensen met ziekten aan het immuunsysteem
- Kankerpatinten
- Ouderen
- Baby-s
Goede hygine bestaat uit:
- Handhygine
- Persoonlijke hygine
- Persoonlijke beschermingsmiddelen
- Een schoon werkveld

Wanneer handen wassen met water en zeep:
- Contact met bacterie
- Bij zichtbaar vuil
- Na hoesten of niezen
- Na onbeschermd contact met lichaamsvocht
- Voor en bij het gebruik van zuurstof
- Na toiletbezoek
- Bij plakkerige of nat aanvoeldende handen
- Bij contact met patinten met schurft

Wanneer handen wassen of desinfecteren:
- Na contact met voedsel
- Na roken
- Voor het begin van een dienst
- Na pauzes

Steriele handschoenen: draag je ter bescherming van de zorgvrager. Ze laten geen micro-organismen door. Je gebruikt ze daarom bij handelingen waarbij de overdracht van micro-organismen een groot risico is. Bijvoorbeeld bij het inbrengen van een blaaskatheter
Niet steriele handschoenen: laten wel micro-organismen door. Niet-steriele handschoenen draag je bijvoorbeeld als je in contact kunt komen met lichaamsvloeistoffen

Zuurstof toedienen
Bovenste luchtwegen
De ingeademde lucht wordt gezuiverd, op lichaamstemperatuur gebracht en verzadigd met waterdamp. De bovenste luchtwegen bestaan uit de neusholte, de keelholte (farynx) en het strottenhoofd (larynx)
Onderste luchtwegen
De onderste luchtwegen geleiden de lucht naar de longblaasjes (alveoli). Daar wisselen lucht en bloed zuurstof en koolzuur uit. De onderste luchtwegen bestaan uit de luchtpijp (trachea), de luchtpijptakken (bronchin) en longblaasjes (alveoli)
Tracheostomie = tijdelijke opening in de hals
Tracheostoma = blijvende opening in de hals
In de rode bloedcellen (erytrocyten) bindt hemoglobine (Hb) zich aan het zuurstof. Hemoglobine is een eiwit in het bloed. In de cellen laat de hemoglobine de zuurstof weer los
96% - 100% = acceptabel bij gezonde mensen
92% - 100% = acceptabel bij mensen met COPD of hartfalen (in overleg met arts)
< 95% = toediening zuurstof overwegen (in overleg met arts)
< 90% = in overleg met arts moet zuurstof worden toegediend

Vormen van zuurstoftoediening:
Zuurstofkatheter in de neus voor toediening van 1-6 liter per minuut
Zuurstofbril in de neus 0-6 liter per minuut (er vloeit veel zuurstof weg dat is een nadeel)
Zuurstofmasker neus en mond 10 tot 15 liter per minuut, voor normaal mond neus masker 5-10 liter
Venturimasker neus en mond, zuurstof wordt in constante flow toegediend 3-15 liter
Koppelstukje of masker wordt aangesloten op de luchtpijp
Zuurstofconnector op tracheacanule via de luchtpijp

Bloedarmoede = iemand heeft te weinig hemoglobine in het bloed. Hierdoor kan het bloed minder zuurstof naar de cellen brengen
Klaplong (pneumothorax) = deel van de longen is dichtgeklapt, waardoor niet voldoende gaswisseling kan plaatsvinden
COPD = luchtwegen zijn chronisch ontstoken
Taaislijmziekte = (cystic fibrosis) dik slijm (sputum) in de longen dit zorgt voor verstopping, hierdoor werken de longen minder goed en zijn ze vaak ontstoken

Apneu de ademhaling stokt
Hyperpneu diepere ademhaling (vaak bij lichamelijke inspanning)
tachypneu sterk versnelde ademhaling (vaak bij koorts en een longontsteking)
Cheyne-Stokes-ademhaling afwisselend snel en diep tot dat er pauze valt, om vervolgens weer snel en diep te worden
Kussmaul-ademhaling snel en zeer diep, zonder pauzes

Vitale functies
Vitale functies zijn:
- De ademhaling (saturatie meten, frequentie tellen) (zuurstoftekort = desaturatie of hypoxemie)
- De hartslag (pulsatie meten (pulsatie = de wanden van de slagaders zetten uit en nemen daarna weer normale vorm aan)) (verhoogde hartslag = tachycardie (>100)) (verlaagde hartslag = bradycardie(<60))
- De bloeddruk (tensie meten, de druk die het bloed op de bloedvaten uitoefent) (verhoogd = hypertensie) (verlaagd = hypotensie)
- Het bewustzijn (aanspreken van zorgvrager + testen van reactie op pijnprikkel) (AVPU)
- De lichaamstemperatuur (normaal tussen 36,5 en 37,5)

Normale hartslag (slagen per minuut):
- Tot 1 jaar = 110-160
- 1-2 jaar = 100-150
- 2-5 jaar = 95-140
- 5-12 jaar = 80-120
- >12 jaar/volwassene = 60-100

De bloeddruk is geen constante waarde, maar verschilt door het samentrekken en ontspannen van de hartspier. Op het moment dat de hartkamers samentrekken ook wel systole genoemd, wordt het bloed de lichaamsslagader (aorta) ingeperst en wordt de druk op de wanden van de slagaders (arterin) hoger. Tijdens de ontspanningsfase van het hart (diastole) neemt de druk op de vaten weer af
Bovendruk = Systolische druk
Onderdruk = Diastolische druk

AVPU-methode A is alert, V is verbaal, P is reactie op pijn, U is dat de persoon niet reageert op aanspreken of op het toedienen van een pijnprikkel
A = reageert normaal
V = reageert op aanspreken
P = reageert op pijnprikkel
U = reageert niet

ABCDE-methode
A = Airway luchtweg
B = Breathing ademhaling
C = Circulation bloedcirculatie
D = disability bewustzijn
E = exposure of environment kijk naar de omgeving en meet o.a. de lichaamstemp

Temperatuur boven de 38 = koorts
Temperatuur onder de 35 = hypothermie (onderkoeling)
Temperatuur tussen 37,5 en 38 = verhoging
Temperatuur boven de 40 = hyperthermie

Sondevoeding
Een sonde in de buikwand kan 6 maanden blijven zitten, dit wordt gekozen als een sonde langer moet blijven zitten. Dit is vaak prettiger voor de patint in plaats van een slangetje in de neus.
Indicaties voor een neus-maag sonde:
- Slik en of kauwproblemen
- Slokdarmaandoeningen
- Slechte voedingsopname
- Weinig eetlust
- Slechte lichamelijke conditie met een risico op wonden of decubitus, of in combinatie met een zware operatie
Contra-indicatie voor inbrengen van neus-maagsonde:
- Patinten met vergroeiingen of tumoren in de keelholte, slokdarm, maag of omliggende organen. Er kan dan namelijk een slokdarmperforatie ontstaan
- Patinten die net een operatie hebben gehad aan de slokdarm, hoofd/hals of maag. De kans op bloedingen is dan groter
- Patinten die ernstige stollingsstoornissen hebben. De kans op een bloeding is dan groter
- Patinten die onrustig zijn. Wanneer de zorgvrager onrustig is kan de sonde verplaatsen. Hierdoor ligt deze mogelijk niet meer goed in de maag

Een sonde moet de juiste lengte hebben, zodat hij goed in de maag ligt. De juiste lengte meet je door vanaf de neuspunt naar de oorlel naar het uiteinde van het borstbeen en daar tel je 10cm bovenop. Dit punt markeer je op de slang, zo kun je de volgende keer nog zien op de lengte nog klopt en de slang dus goed zit.
Voordat je voeding gaat toedienen moet je eerst controleren of de sonde nog wel in de maag ligt.
Als je zeker weet dat de sonde goed ligt dan spuit je deze eerst door met de afgesproken hoeveelheid water. Spoel dit door met kamertemperatuur water, te koud water kan ervoor zorgen dat de patint moet braken en misselijk wordt
Daarnaast is het ook belangrijk om dagelijks de mond en neus van de zorgvrager te verzorgen. Om zo het risico op ontstekingen aan het mondslijmvlies en decubitus aan de neus te verlagen.
Als je vermoed dat de sonde niet meer goed ligt, dan meet je eerst de pH-waarde van het aspiraat. Als de pH 5,5 of lager is ligt de sonde op de juiste positie. Ligt de waarde hoger, dan ligt de sonde mogelijk niet goed en mag er geen voeding toegediend worden.
Lukt het niet om aspiraat op te trekken, kijk dan via een rntgenfoto of de sonde nog in de maag ligt.
Als je verschijnselen ziet als blauwkleuringen, benauwdheid en zweten dan kan er sprake zijn van een levensbedreigende complicatie (aspiratie (vloeistof in de longen), longontsteking, pneumothorax) je moet dan snel handelen. Verwijder de neus-maag sonde en schakel een arts in.

Soorten sondes:
- Neus-maagsonde (nasogastrische sonde) via neus naar maag, voor korte duur
- Neus-darmsonde (nasoduodenale/nasojejunale sonde) via neus naar dunne darm, voor korte termijn
- Gastrostomie (PEG-sonde) direct door de buikwand naar de maag, voor langere tijd
- Button variant op PEG, als een knop op de huid, ideaal voor mobiele patinten en bolusvoeding
- PEJ-sonde (jejunostomie) direct door de buikwand naar de dunne darm, indien maag niet functioneert
Materiaal:
- Siliconen (3-4 maanden)
- Polyurethaan (4-8 weken)
- PVC (snel vervangen)
Soorten sondevoeding:
- Standaard voeding: basisenergie, eiwitten, koolhydraten, vetten
- Verrijkte voeding: extra energie, eiwitten of vezels (bij ondervoeding/herstel)
- Ziektespecifieke voeding: lactosebeperkt, eiwitarm, diabetes-specifiek
- Vorm: vloeibaar, poeder (om te mengen) of lepelbaar (pudding/mousse)
Bolus = aantal keer per dag een volledige portie (de overlegde portie met arts)
Complicaties bij Sondevoeding:
- Verstopping
- Lekkage
- Huidirritatie rond insteekopening
- Verplaatsing (dislocatie) kan leiden tot hoesten, benauwdheid of zelfs aspiratie (voeding in longen)
Wat je dan moet doen is regelmatig doorspoelen met water, medicijnen goed oplossen en met water toedienen
Bij klachten als hoesten, piepen of pijn de sonde-ligging controleren
Handelen:
Verstopping:
Preventie: spoel voor en na voeding/medicatie met lauw water
Bij verstopping: probeer met een spuit (max 10 ml) lauw water met zachte druk te spuiten. Indien nodig verdun stroperige medicatie met water en gebruik speciale injectiespuit
Lekkage en huidproblemen:
Preventie: controleer of het fixatieplaatje goed zit
Bij lekkage: houd de huid schoon en droog, gebruik een speciale crme
Verkeerde ligging:
Stop de voeding direct!
Neem contact op met de arts
Verslikken (aspiratie):
Stop de voeding direct!
Neem contact op met de arts
Infectie of wondinfectie:
Reinig de huid met water (geen zeep) en houd de huid droog, als het niet beter wordt contacteer de arts
Preventie: regelmatig spoelen met lauw water
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.

Antwoord gegenereerd door AI Antwoord rapporteren

Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.

Stel een vraag
 
Inloggen via e-mail
Nieuw wachtwoord aanvragen
Registreren via e-mail
Winkelwagen
  • loader

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items! Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

loader

Ontvang gratis €2,50 bij je eerste upload

Help andere studenten door je eigen samenvattingen te uploaden op Knoowy. Upload ten minste één document en krijg gratis € 2,50 tegoed.

Upload je eerst document