Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Angststoornissen
Wanneer na een angstprikkel een ongewoon intense en/of langdurige angst ontstaat die buiten proportie is, of wanneer de angst zonder angstprikkel aanwezig is, is dat pathologische angst.
Als een mens niet meer normaal kan functioneren vanwege de angst, is er sprake van een angststoornis. Dit is wanneer de pathologische angst klinisch relevant is.
Etiologie (biopsychosociaal model)
Predisponerend factoren (kwetsbaarheid)
Genetisch: 40-50%
Persoonlijkheid/psychologische factoren: neurocitisme
Opvoeding: controlerende, overbeschermde ouders
Uitlokkende factoren: stressvolle gebeurtenissen
Ontwikkeling en beloop
Meestal ontstaan angststoornissen sluipend na meerdere stressvolle levensgebeurtenissen, maar ze kunnen ook zomaar beginnen.
Hangt samen met iemands internaliserend temperament: een gedragsstijl waarbij emoties naar binnen worden gekeerd. Dit leidt tot innerlijke onrust.
Beloop is wisselend: evidence based behandelingen kunnen succesvol zijn, onbehandeld kunnen het chronische aandoeningen worden.
Kan op den duur samengaan met depressieve stoornis of de klachten kunnen verergeren door stoornis in het gebruik van een middel.
Behandeling
Psychologische behandeling
Cognitieve therapie
Gedragstherapie: responspreventie & exposure in Vivo
Overige CGT-interventies: socialevaardigheidstraining
Farmacotherapie
Antidepressivum (SSRI)
Tricyclisch antidepressivum (TCA): bij non-respons van psychologische behandeling, paniek of GAS wordt dit ingezet
Benzodiazepinen in laatste geval vanwege risico op afhankelijkheid
Paniek cirkel: het instandhouden van angst
Uitlokkende situatie: ik loop naar de supermarkt
Negatieve gedachte: wat als ik flauwval en niemand helpt
Lichamelijke reactie: hartkloppingen, duizeligheid, ademnood
Gedrag: clint rent terug naar huis
Gevolg: clint vermijdt de supermarkt nog meer, waardoor haar angst versterkt
***Komt vaak voor bij paniekstoornis
Soorten angststoornissen
Paniekstoornis: kenmerkt zich door herhaalde, onverwachte paniekaanvallen. Ontstaat in de vroege volwassenheid.
Een paniekaanval is een intense angstreactie met lichamelijk symptomen zoals een bonkend hart, snelle ademhaling, kortademigheid of moeite met ademhalen, zware transpiratie, zwakte of duizeligheid. Een paniekaanval begint plotseling en spontaan, zonder waarschuwing of duidelijke aanleiding. Mensen kunnen wel paniekaanvallen linken met bepaalde plekken waar zij eerder een paniekaanval hebben gekregen en deze plekken vermijden, dit kan leiden tot agorafobie.
Gegeneraliseerde angststoornis: kenmerkt zich door excessieve angst en bezorgdheid die zich niet beperken tot een enkel object of een enkele situatie of activiteit. Ontstaat in de pubertijd.
Dit gaat gepaard met lichamelijke symptomen zoals rusteloosheid, schrikachtigheid en hoge spierspanning.
Agorafobie: kenmerkt zich door angst om zich op open, drukke plaatsen te bevinden. Mensen met agorafobie vermijden dan ook dit soort plekken en kunnen thuis gesoleerd worden. Ontstaat in de vroege volwassenheid.
Met paniekstoornis: constant bang voor een paniekaanval en vermijdt openbare plaatsen waar een aanval heeft plaatsgevonden of zou kunnen plaatsvinden.
Specifieke fobie: kenmerkt zich door een aanhoudende, excessieve angst voor een specifiek object of een specifieke situatie die niet in verhouding staat tot het werkelijke gevaar dat deze objecten of situaties opleveren, gaat gepaard met vermijding van deze stimuli. Ontstaat in de kindertijd.
Sociale fobie: kenmerkt zich door intense angst voor een negatieve beoordeling van anderen. Angst om afgewezen, vernederd of in verlegenheid gebracht te worden. Hierdoor vermijden deze mensen sociale interacties en vluchten van hun angst door bijvoorbeeld niet te gaan of snel weg te gaan als ze angstig voelen. Ontstaat in pubertijd.
In sommige gevallen beperkt dit alleen tot spreken in openbaar (plankenkoorts). Deze mensen zijn verder niet bang om met andere mensen te praten.
Alcoholgebruik komt hier vaak voor
Angst door somatische oorzaak: wanneer de symptomen het directe gevolg zijn van een lichamelijke aandoening.
Angst door middel: gebruik van alcohol, drugs of bepaalde medicijnen kan leiden tot angstgevoelens of paniekaanvallen.
Obsessieve-compulsieve stoornis (OCS)
Bij dwangstoornissen is er sprake van repetitieve gedachten & handelingen en een onvermogen deze voldoende te remmen. De patint verliest controle over zijn gedrag.
Subtypen
Angst voor besmetting wasdrang
Angst voor gevaarlijke gebeurtenis controledwang
Agressieve, seksuele, religieuze obsessies en compulsies thought-action fusion (als ik denk dat iets gaat gebeuren, is de kans groter dat het ook gebeurt)
Symmetrie-obsessies en compulsies ordenen, tellen, verzamelen
Kernsymptomen
Obsessies = terugkerende, aanhoudende en ongewenste gedachte of drang die niet in bedwang te houden is
Dwanggedachten, dwangimpulsen en/of dwangbeelden
Ego-dystoon: patint beleeft ze als niet-eigen, opgedrongen en onwenselijk
De obsessie niet, of met veel moeite, van zich afzetten
Obsessieve gedachten
Denken dat je handen ondanks herhaaldelijk wassen nog steeds vies zijn
De gedachte dat een dierbare gewond of dood is niet van je af kunnen zetten
Je steeds weer afvragen of je de deur wel op slot hebt gedaan
Constant ongerust zijn dat je het gas niet hebt uitgedraaid
Voortdurend denken dat je een dierbare iets vreselijks hebt aangedaan
Compulsies = een zich steeds herhalende gedraging
Dwanghandelingen zoals handen wassen, ordenen, controleren
Geruststellende psychische activiteiten zoals bidden, tellen, woorden in stilte herhalen
Compulsies hebben als doel om de obsessies te negeren, te neutraliseren of te stoppen
Compulsieve gedragspatronen
Je werk steeds opnieuw controleren
Als je je huis verlaat steeds weer controleren of het gas uit is en de deur op slot zit
Constant je handen wassen zodat ze schoon en bacterievrij zijn
Oorzaken
Erfelijkheid: familie van patinten met een obsessieve-compulsieve stoornis hebben een verhoogd risico
Neurobiologisch
Veranderde functie ventrale en dorsale corticostriatothalamocorticale circuits (effect op planning, aandacht, doelgericht gedrag & motoriek)
Mogelijk daarom zijn SSRI's en bepaalde antipsychotica effectief bij behandeling
Psychosociaal
Opvoedingsstijl
Stressvolle levensgebeurtenissen
Behandeling
Psychologische behandeling : Cognitieve gedragstherapie
Exposure in vivo
Responspreventie
Neurobiologische behandeling : Antidepressiva
Die inwerken op het serotonerge systeem (SSRI's, TCA)
Relatief hoge dosis nodig voor werking
Minstens 10-12 weken behandeling
Bij staking, herstart verminderd het effect
Eventueel in combinatie met antipsychotica
DBS of TMS bij ernstige klachten
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is onbeperkt.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag