Maak een oefenexamen van de volgende tekst:
INTRODUCTIECOLLEGE COS I
1.1 ALICE IN DE WONDERE WERELD VAN COS
Samenvatting van "Welkom in Wonderland"
Het boek Alice in Wonderland van Lewis Carroll wordt gebruikt als metafoor voor complexe opvoedingssituaties (COS I en II). Alice belandt, gedreven door nieuwsgierigheid, in een wonderlijke wereld die haar confronteert met vragen over identiteit, betekenis en verandering. Carroll speelt met taal en logica, waardoor de lezer wordt uitgedaagd om na te denken over perspectief en context.
Kernpunten:
Alices zoektocht draait om zelfontdekking en haar relatie tot de wereld.
Haar fysieke veranderingen (groeien en krimpen) symboliseren innerlijke ontwikkeling.
Personages zoals het witte konijn, de rups en de Koningin van Hartjes vertegenwoordigen opvoedkundige themas:
o Het konijn staat voor de overgang naar volwassenheid.
o De rups stimuleert zelfreflectie en geeft richting.
o De Koningin belichaamt autoriteit en onrechtvaardigheid.
Het verhaal kent een niet-lineaire, complexe structuur waarin gebeurtenissen op elkaar inhaken zonder duidelijke oorzaak-gevolgrelaties.
Deze wonderlijke wereld weerspiegelt de verwarring, groei en confrontaties die gepaard gaan met opvoeding en persoonlijke ontwikkeling.
Inleiden in de wereld
Zelf weg zoeken: focus op autonomie en ontdekking
Perspectivistische lenigheid:
Interactie met diverse personages die Alice leren om telkens ander perspectief in te nemen
Kritisch leren denken, vragen stellen
1.2 DE KRACHT VAN VERHALEN
Verhalen zijn essentieel voor de mens, die volgens Byung-Chul Han een animal narrans is: een wezen dat leeft door verhalen te vertellen en zo betekenis geeft aan de wereld. Doorheen de geschiedenis boden grote verhalen zoals religie, wetenschap en ideologie houvast en richting. Deze zogenaamde grand rcits, zoals Lyotard ze noemt, vormden het fundament van gemeenschappen.
Van modernisme naar postmodernisme
In het modernisme stonden universele waarheden centraal.
Het postmodernisme (vanaf jaren 50-60) bracht een breuk: grote verhalen verloren hun geloofwaardigheid.
Fragmentatie, relativisme en pluraliteit kwamen in de plaats van totaliteit.
Waarheid werd contextueel en taalgebonden.
Impact op kunst
Postmoderne kunst kenmerkt zich door collage, pastiche, ironie en intertekstualiteit.
Lineaire verhalen en duidelijke moraal verdwijnen.
Conceptuele kunst stelt vragen over de aard van kunst zelf, zoals Duchamps Fountain, een urinoir dat tot kunst werd verheven.
Micronarratieven en de crisis van het verhaal
In een gendividualiseerde samenleving zijn grote verhalen vervangen door losse, persoonlijke micronarratieven.
Han waarschuwt voor een crisis: deze fragmenten missen diepgang en verbindende kracht.
Verhalen die cht de wereld veranderen ontstaan uit collectieve processen en dragen een waarheidsmoment in zich.
Verhalen als kompas
Verhalen blijven cruciaal om ervaringen te ordenen, betekenis te geven en morele kaders te vormen. Binnen de opleiding SRW en de OPOs COS I en II wordt daarom gewerkt met diverse narratieven om de wereld beter te begrijpen en te verbinden.
1.3 TAAL DOET ER TOE
Taal is meer dan een communicatiemiddel: ze vormt ideen, schept betekenis en benvloedt ons denken. In Alice in Wonderland toont het personage Humpty Dumpty dat taal afhankelijk is van wie spreekt, wat aansluit bij het postmoderne idee dat betekenis contextueel is.
Filosofische inzichten:
Wittgenstein stelt dat taal geen spiegel van de werkelijkheid is, maar een menselijke praktijk. Hij introduceert het concept van taalspelen: betekenis ontstaat door gebruik binnen een gedeelde levensvorm. Opvoeding is het proces waarbij men wordt ingewijd in deze taalspelen.
Zijn uitspraak If a lion could speak, we could not understand him benadrukt dat woorden pas betekenis krijgen binnen een gedeeld referentiekader.
Binnen COS I en II word je gentroduceerd in een specifiek vaktaalspel, waarin context bepalend is voor betekenis.
John Austin bouwt voort op Wittgenstein en stelt dat taal niet enkel beschrijvend is, maar ook handelend. Een uitspraak zoals sluit het raam is een taalhandeling die de werkelijkheid benvloedt. Taal is dus een krachtig instrument dat ingrijpt in de wereld.
Conclusie: Taal vormt ons denken, onze wereld en onze opvoeding. Binnen COS I en II leer je hoe taal betekenis krijgt in context en hoe ze actief vormgeeft aan de werkelijkheid.
1.4 DENKEN ZONDER LEUNING
Denken is geen gesoleerde activiteit in je hoofd, maar een relationeel en publiek proces. In Alice in Wonderland toont de dialoog tussen Alice en de Cheshire Cat hoe verwarring en het stellen van vragen een denkproces op gang brengen. Zoals Caroline Pauwels stelt: zonder verwondering stopt het denken.
Denken als dialoog
Denken vereist interactie, taal en context.
Hannah Arendt benadrukt pluraliteit: verschillende perspectieven zijn nodig om eigen aannames te bevragen.
Denken is traag, open en moreel noodzakelijk het beschermt tegen gedachteloosheid.
Ruimte voor denken
Rodins beeld De Denker symboliseert de nood aan innerlijke ruimte.
Byung-Chul Han pleit voor inactiviteit als bron van creativiteit en vrijheid, in contrast met de prestatiemaatschappij.
COS I en II creren ruimte voor samen denken en co-creatie van kennis.
Denken en doen: theorie & praktijk
Denken is ook fysiek: filosofen als Socrates en Nietzsche wandelden.
Theorie en praktijk zijn onlosmakelijk verbonden. Theorie krijgt betekenis in de praktijk en omgekeerd.
Nijenhuis, Houweling en Wolbert spreken van ervaring van theorie: inzichten die plots tot leven komen en richting geven aan pedagogisch handelen.
Meirieus drie polen van pedagogiek
1. Axiologie Wat is wenselijk? (waarden, mensbeeld, samenleving)
2. Wetenschap Wat weten we? (kennis uit o.a. psychologie, biologie)
3. Praxeologie Hoe handelen we? (methoden, technieken)
Deze drie polen vormen een dynamisch geheel. Zonder n ervan verliest pedagogiek haar balans. Binnen COS I en II wordt deze samenhang actief onderzocht en toegepast.
1.5 CONTEXTUALISERING
Contextualisering betekent dat we ideen, uitspraken of gebeurtenissen begrijpen binnen hun specifieke achtergrond. In pedagogiek is dit essentieel: elke uitdaging of vraagstuk krijgt pas betekenis in relatie tot de context waarin ze zich voordoet.
Voorbeeld: Alice in Wonderland
Historisch: geschreven in 1865 in Victoriaans Engeland, een tijd van strikte sociale regels. Het verhaal kan gelezen worden als kritiek op deze orde.
Biografisch: Carroll had een band met Alice Liddell, die hem inspireerde. Als wiskundige en logicus verwerkte hij paradoxen en taalspelletjes in het boek.
Filosofisch/psychologisch: Alices zoektocht naar identiteit speelt zich af in een wereld zonder vaste regels, waarin themas als macht, logica en taal centraal staan.
Waarom context belangrijk is Zonder deze contexten lijkt het verhaal misschien absurd, maar met contextualisering komen diepere lagen en betekenissen naar boven. Voor pedagogisch professionals is context een noodzakelijke gids om complexe situaties te begrijpen en zinvol te handelen.
CONTEXTUALISERING: MAATSCHAPPIJ
-Neoliberaal gedachtegoed
-Individualistisch
-Kapitalistisch: produceren versus consumeren
-Complex en risicovol
-Divers en pluralistisch
-Digitalisering
ADOLESCENSE
Het verhaal: De dertienjarige Jamie Miller wordt midden in de nacht gearresteerd voor de moord op een klasgenote. Hoewel de politie overtuigd is van zijn schuld, twijfelt zijn vader sterk aan de beschuldigingen. De serie volgt het onderzoek, de psychologische impact op Jamie en zijn familie, en de bredere maatschappelijke context waarin dit drama zich afspeelt
DE TOREN VAN BABEL
1 volk met 1 taal en 1 gemeenschap. Verhaal is dat God zou beslist hebben dat er verschillende talen konden spreken en dat ze elkaar niet meer konden verstaan waardoor er conflicten ontstonden.
Je moet veel mensen begrijpen waarmee je mee praat.
Vakjargon
Pmh/Pm beperking ipv handicap. Het gaat over het idee dat taal iets doet met mensen, het heeft connotaties met woorden en het is belangrijk dat je daar stil bij staat.
"But if thought corrupts language, language can also corrupt thought. (Orwell, 1984)
Hij haalde dingen in die tijd die nu wel zijn uitgekomen.
Het maatschappelijk denken gaat ervoor zorgen dat de concepten ontstaan en die woorden gaan impact hebben op wat we denken.
De manier waarop je spreekt doet er toe.
VERHALEN EN CULTUUR IN COS
Verhalen als ankerpunten die zin-geven en richting bieden
Verhalen die de wereld veranderen en openen
Verhalen die scheppen, verwonderen en doen denken en luisteren
Complex proces waarbij verschillende spelers en krachten betrokken zijn
Postmoderne (en postnarratieve) samenleving:
Wegvallen van grote, stichtende, verbindende en gemeenschapsvormende verhalen
Verbrokkeling, individualisering
Invloed kapitalisme (verhalen als consumptie)
Verhalen verschillen van informatie
VERSCHILLENDE PERSPECTIEVEN`
Kijken vanuit verschillende brillen (cf. pedagogie inleiding) of perspectieven.
Combinatie van verschillende perspectieven maar niet exhaustief.
Altijd per definitie kwestie van keuze door het vakteam.
Eigen referentiekader.
KRITISCH DENKEN
Is per definitie relationeel: tot de wereld, tot de ander
Gebeurt steeds in een publieke ruimte
Inzichten moeten veruitwendigd en afgetoetst worden
Denken in afstemming met de wereld
Meedenkers en tegenstemmen zijn belangrijke reispartners
Gebeurt steeds in een context
Houdt nooit op
COMPLEXITEIT
Het Latijnse woord complexus, afgeleid van het werkwoord complecti, betekent letterlijk het omarmen, samenvoegen en verweven van elementen tot n geheel.
COMPLEXITEIT: INSPIRATIE
Edgar Morin, een Franse socioloog geboren in 1921, staat bekend om zijn theorie rond complexiteitsdenken. Volgens Morin is de sleutel tot complex denken de interrelatie tussen verschillende elementen. Dit vraagt om een multidisciplinaire en integratieve aanpak waarbij diverse kennisgebieden met elkaar verbonden worden.
Kennis is volgens hem enkel relevant wanneer ze in een specifieke context geplaatst wordt.
Daarom pleit hij voor een holistische benadering die antireductionistisch is: men mag de werkelijkheid niet herleiden tot afzonderlijke, gesoleerde onderdelen.
Morin benadrukt dat systemen dynamisch zijn, waardoor kennis steeds adaptief moet zijn en mee moet evolueren. In plaats van te streven naar absolute zekerheid, moeten we leren omgaan met onzekerheid en ambiguteit.
Complex denken is bovendien recursief: het voedt zichzelf en vernieuwt zich voortdurend. Er is een constante heen-en-weer beweging tussen elementen die elkaar wederzijds benvloeden, wat leidt tot een rijker en meer genuanceerd begrip van de werkelijkheid.
We kunnen niet alles weten, maar we hebben kennis nodig die zijn grenzen kent en werkt met de onzekerheid van de realiteit, die tegenstrijdig is aan determinismen.
COMPLEXE OPVOEDINGSSITUATIES EEN GELAAGDE BENADERING
Complexiteit in opvoeding is geen vastomlijnd begrip, maar een dynamisch en contextgebonden fenomeen. Wat als complex wordt ervaren, hangt af van persoonlijke, sociale en maatschappelijke factoren. Een eenvoudige situatie kan door omstandigheden, perspectief of achtergrond complex worden. Denk aan het voorbeeld van een autorit: rijervaring, stress, externe factoren en persoonlijke gemoedstoestand bepalen de mate van complexiteit.
Edgar Morin en complexiteitsdenken Morin stelt dat complex denken draait om:
Interrelatie tussen elementen
Contextualisering van kennis
Holistische benadering (meer dan de som der delen)
Adaptiviteit in dynamische systemen
Omgaan met onzekerheid i.p.v. streven naar controle
Recursiviteit: denken voedt en vernieuwt zichzelf
Complexiteit in opvoeding Opvoeding is per definitie complex, zoals Vanobbergen stelt: het is omgaan met het onbekende. In COS I en II wordt opvoeding bekeken vanuit micro-, meso- en macroniveau. De pedagogische triade (opvoeder, opvoedeling, wereld) toont hoe opvoeding ingebed is in bredere maatschappelijke contexten zoals ongelijkheid, klimaatcrisis of migratie.
Metafoor: het opblaasbare bootje Dagdagelijkse opvoeding is als samen varen. Complexiteit ontstaat bij storm, miscommunicatie of kwetsbaarheid. Dan is externe hulp nodig. Het verschil tussen gewoon en complex zit in de intensiteit en gelaagdheid van de situatie.
Referentiekaders en beleid Het dossier Gewoon Complex van het Kinderrechtencommissariaat toont hoe jongeren met complexe problematieken vaak tussen de mazen van het systeem vallen: lange wachtlijsten, strikte opnamecriteria en problematische diagnostiek. De werkgroep Jongerenwelzijn stelt dat deze jongeren geen ruis zijn, maar symptomen van bredere maatschappelijke en organisatorische disfuncties.
Pedagogische visie Binnen COS I en II wordt complexiteit niet als probleem, maar als uitnodiging tot reflectie en dialoog benaderd. Theorie en praktijk benvloeden elkaar wederzijds. Door pluraliteit, context en interdisciplinaire inzichten ontstaat een rijker begrip van opvoeding.
HOOFDSTUK 1 - PEDAGOGISCH (KIJKEN EN) HANDELEN
HC2: COMPLEXITEIT VAN GEDRAG
DOELSTELLINGEN:
Je kan
de complexiteit van gedrag begrijpen en uitleggen.
de impact van taal op het beschrijven van gedrag duiden.
het belang van contextualisering begrijpen en duiden.
KLEINE RECAP
Opvoeding gebeurt steeds in triade: opvoeder, opvoedeling en wereld.
Opvoeding in brede betekenis: opvoedeling inleiden in de wereld, helpen in mens-wording.
Verschillende perspectieven: micro, meso, macro.
Kindbeelden kleuren sterk mee hoe er naar gedrag gekeken wordt en hoe er over gesproken wordt.
Triade= pedagogische driehoek: opvoeder, opvoedeling, de wereld.
FOTO NADENKSTOEL
Als een kind fout gedrag stelt mag die op de stoel gaan zitten zodanig er een associatie wordt bedacht tussen de stoel en fout gedrag.
Kind zal geen fout gedrag stellen omdat hij niet op de stoel zitten gedachte er rond.
Wat is de impact van het zelfbeeld van het kind?
Is een kleuter in staat om dit principe toe te passen als je denkt volgens ontwikkelingspsychologie?
Achteraf lukt het wel maar een kleuter kan niet op het moment dat die iemand wil knijpen beslissen om zelf te stoppen en anders moet die op de stoel. Principe van de stoel is dus het preventief bedoelt.
Is het aan de opvoedeling om initiatief te nemen tot herstel na dat er gedrag is gesteld dat niet door de beugel kan?
We doen het zelf want de opvoedeling weet niet hoe die daaraan moet beginnen.
Het heeft geen waarde, zo een relatie met een opvoeder zou onvoorwaardelijk moeten zijn. Ook al gaat het kind verkeerd gedrag stellen ga je het kind persoonlijk niet afwijzen, het gedrag wel maar de persoon niet. De verantwoordelijkheid ligt altijd bij de opvoeders zelfs bij pubers.
FRAGMENT SANYI UIT HONGARIJE
(1ste fragment Min 19-22, 2e fragment Min 40-50. Fragmenten leerstof voor het examen. En de analyse die er bij hoort.)
Op welke manier speelt contextualisering een rol in het kijken naar en denken over gedrag?
1 specifiek gedrag kan 1000 betekenissen hebben aanvankelijk van je referentiekader. Zoals een ui ga je de lagen van gedrag observeren om dan een interpretatie toe te voegen.
Welke contextuele elementen hebben volgens jou een impact op het gedrag dat Sanyi stelt?
Zijn ouders
De armoede/leefomstandigheden
Cultuur
Zijn sociaal netwerk (vrienden)
Onveiligheid
Dienst Kinderbescherming
Politiek
School, beleid van de school
Opvoedingomstandigheden
Muziek
Taal
Sanyi heeft zeer weinig perspectief op het moment dat hij gefilmd wordt, gebrek aan zingeving.
1.HOE DEFINIREN WE GEDRAG?
AANDACHTSPUNTEN
Objectief beschrijven van concreet waarneembaar gedrag.
Neiging tot interpretatie en causaliteit.
Niet eenvoudig om gedrag te beschrijven zonder waardeoordelen.
Invloed belevingswereld en referentiekader opvoeder.
Zekere mate van subjectiviteit en normativiteit.
Kennis van ontwikkelingspsychologie een noodzakelijk element
o Wat mogen we op welke leeftijd van kinderen verwachten
o Rol van aanleg met daarin bv tempo, talent en temperament
o Maar niet het enige leidende principe + legt cesuur en is per definitie normatief
Sociaal-emotionele ontwikkeling als basis voor gedrag
IJSBERGMODEL VAN MC CLELLAND
Er is doorgaans een groot verschil tussen de buitenkant en de binnenkant.
Voorbeeld: jongere van 13j met een fysieke beperking doet op de speelplaats grootse uitspraken naar andere jongeren. Zij komen dit melden bij de toezichter aangezien ze dit storend vinden.
Buitenkant: Uitspraken zoals Ik ga later de grootste gamer ter wereld worden en Ik ben de sterkste.
Binnenkant: Laag zelfbeeld, zeer onzekere jongen met veel twijfels en angsten rond toekomstperspectief.
HANDELEN VS GEDRAG
Gedrag zijn alle waarneembare activiteiten van mens of dier.
Handelen is wat mensen doen, en het handelen in opvoeding is bewust handelen, en handelen in relatie.
2.WELKE TAAL GEBRUIKEN WE IN HET BESCHRIJVEN VAN GEDRAG?
Taal heeft een scheppende kracht, is niet alleen communicatie. Verhalen zijn nodig het zijn de lens hoe je naar de wereld kijkt.
FRAGMENT PROBLEEM KINDEREN
Welke woorden/acties vielen jou op?
Probleem kleuter
Lijkt op honden training
Gewenst gedrag, wat is lief, wat is goed gedrag? holle begrippen we gaan er van uit dat er een universeel begrip is maar dat is niet.
We geven daar allemaal een ander betekenis aan.
Kind heeft controleverlies en had een volwassen nodig die zijn emoties ging reguleren.
TAAL DOET ERTOE
Humpty Dumpty eigent zich de macht toe dat hij zelf bepaalt wat woorden betekenen maar in essentie is taal een gedeeld systeem.
Belangrijke verantwoordelijkheid voor de professional.
Zorg dragen voor een gedeeld lexicon (en gedragen betekenis) met alle betrokkenen.
Zorgen voor co-creatie altijd opnieuw.
Wie de betekenis van taal bepaalt, heeft controle.
Wie bepaalt welk woord gebruikt wordt?
Waar liggen bepaalde grenzen: vanaf wanneer is iets een probleem of een stoornis?
Taal is nooit neutraal, draagt altijd bepaalde normen, waarden en verwachtingen in zich.
Wat is de impact van het gebruik van bepaalde woorden in een hulpverleningscontext?
Humpty Dumpty toont aan dat ook taal afhankelijk is van context en perspectief.
Betekenis is nooit vast, maar flude.
In sommige gevallen lijkt taal echter gestold (denk hierbij aan kinderen die steevast moeilijk hanteerbaar gedrag vertonen). Het zou een mooie opdracht voor de jeugdprofessional zijn om dit proces opnieuw in beweging te brengen.
KERNGEDACHTEN
Gedrag staat nooit op zichzelf, maar voltrekt zich steevast binnen de pedagogische relatie.
Gedrag dient steeds betekenis te krijgen vanuit diverse contexten (micro, meso en macro).
Gedrag is meer dan wat louter zichtbaar is.
De taal die we gebruiken om over gedrag te spreken, benvloedt mee ons denken en handelen.
Gedrag is een manier waarop een opvoedeling zich verhoudt tot zichzelf, de ander en de wereld. Het is geen probleem om op te lossen maar een uiting van een ontwikkelingsproces.
HC 3: PEDAGOGISCH HANDELEN
DOELSTELLING
Je kan
pedagogisch handelen benoemen als specifieke vorm van sociaal handelen.
schetsen hoe pedagogen Giesecke, Van Manen, Langeveld en Meirieu inkleuring geven aan pedagogisch handelen.
beschrijven hoe perspectieven, kindbeelden en de invulling van waartoe we moeten opvoeden het pedagogisch handelen bepalen en dit toepassen vanuit het gedachtengoed van bekende pedagogen.
de taken en ruimten van pedagogisch handelen in eigen woorden benoemen en hiervan voorbeelden geven.
de verhouding tussen de impliciete en expliciete theoretische onderbouwing van pedagogisch handelen toelichten.
het spanningsveld uitleggen tussen instrumentele en normatieve professionaliteit.
1.WAT VERSTAAN WE ONDER PEDAGOGISCH HANDELEN?
Eenvoudige interventie-effect relaties vs de relatie tussen beoogd/bedoeld handelen van opvoeders en het effect op het kind.
Communicatie
Normativiteit
Bij pedagogisch handelen is het niet zo eenvoudig zoals bij medische problemen. Het ligt wat complexer.
We weten niet wat het effect is bij de ander ook al hebben we goede bedoelingen. En dat heeft 2 redenen: communicatie: het is flue proces, heel open.
Je weet nooit welke betekenis de tegenpartij zal verlenen. We gaan gauw opruimen
interpretatie voor gauw, opruimen is voor een 6 jarige anders dan voor jou.
Wat je in opvoeding wilt is niet zo duidelijk: bv wil je een creatief kind,. maakt het pedagogisch proces zo complex.
TECHNISCH HANDELEN VS SOCIAAL HANDELEN HERMANN GIESECKE (1932)
Is het handelen gericht op een verandering, dan wordt gesproken van technisch handelen,
Dit vertrekt vanuit een causaliteitsbeginsel. Is het handelen gericht op de verandering van mensen (verhoudingen of omstandigheden) dan wordt gesproken over sociaal handelen, waartoe politiek, medisch en ook pedagogisch handelen behoort. Sociaal handelen is altijd wederzijds handelen, gericht op handelen van anderen.
De man maakt een verschil tussen technisch en sociaal handelen.
BV auto die kapot gaan, logische causaal verband,
Anders bij sociaal handelen: Gaat altijd over relaties met mensen, je handelt in contact met mensen, sociaal handelen is niet perse pedagogisch handelen.
Met uw handelen wil je het handelen van de ander handelen. actie reactie
HERMANN GIESECKE (1932)
De Duitse pedagoog beschouwt handelen als een bewuste en intentionele activiteit van mensen, gericht op het vormgeven van de werkelijkheid met specifieke doeleinden en motieven. Binnen deze visie wordt pedagogisch handelen gezien als een vorm van sociaal handelen die opvoeding en vorming mogelijk maakt.
Het is een proces van begeleiding: mensen worden ondersteund in hun leven, waarbij leren een alledaagse dimensie vormt. Pedagogiek is dan ook geen losstaand domein, maar besloten in onze levenssamenhang. Opvoeding is geen aparte activiteit zoals sporten dat kan zijn; het is verweven met het leven zelf. De vraag Hoe leef je? en Wat leef je voor aan de opvoedeling? staat centraal, omdat opvoeding altijd plaatsvindt binnen de context van het geleefde leven.
Een belangrijk concept binnen deze pedagogische benadering is speelruimte. Speelruimte zorgt ervoor dat een kind altijd opgevoed kan worden, omdat het ruimte biedt voor vrijheid en wederzijdse interactie. Zowel de opvoeder als de opvoedeling beschikken over speelruimte in hun contact. Dit betekent dat de opvoeder iets initieert, maar dat het kind daarop kan reageren soms zelfs tegen de bedoelingen van de opvoeder in. Die reactie biedt op haar beurt weer ruimte voor de opvoeder om opnieuw te handelen. Er is dus altijd vrijheid en speelruimte om af te wijken van wat vooraf bedacht was. Opvoeding is daarmee een open proces, waarvan de uitkomst niet vastligt en anders kan zijn dan oorspronkelijk gedacht.
JUIST HANDELEN VS ADEQUAAT HANDELEN
Het mooie aan de benadering van Giesecke is dat hij duidelijk aangeeft dat er geen juist
pedagogisch handelen is, maar enkel adequaat handelen is en dat er, daaruit voortvloeiend,
steeds meerdere mogelijkheden zijn voor verstandig handelen. Er bestaat dus geen juist
pedagogisch handelen in die zin, dat men alleen op die manier en niet anders te werk zou
kunnen gaan.
MAX VAN MANEN (1942)
Nederlandse pedagoog
Pedagogische tact:
o Vermogen van de opvoeder om op het juiste moment het juiste te doen voor het welzijn van het kind.
o Vereist gevoeligheid voor behoeften en emoties van het kind en intutief begrip van wat een situatie vraagt.
o Praktische wijsheid uit ervaring en empathie.
o Contextgebonden en situatieafhankelijk.
Concept: pedagogische tact. juist: er is niet 1 juist het gaat over afstemming: bedoeling ios dat je intuitief begrijpt wat de situatie vraagt. sensitieve responsitief.
Kan je niet uit boeken leren, komt door evraring. Wijsheid die meng je met de empathie. Afhankelijk van de context en de situatie ga je anders reageren geen 1 juist manier om te reageren. Voorturedne afstemming met wie je werkt. reflectie is cruciaal. Je gaat moeten reflecten om je pedagiogische tact te stellen.
Door ervaring op te doen ga je meer pedagogische tact gedrag stellen.
MARTINUS JAN LANGEVELD (1905-1989)
Nederlandse pedagoog
Pedagogiek als handelingswetenschap
Een wetenschap
Gericht op handelen en praktische interventies in de opvoedingspraktijk.
PEDAGOGISCH HANDELEN ALS
o bewust handelen
o met bepaald doel voor ogen: het begeleiden van kinderen naar volwassenheid.
o contextgebonden.
o vorm van kunst.
PHILIPPE MEIRIEU (1949)
Franse pedagoog.
Pedagogiek als manier van denken en doen.
Wetenschap als aanbieder van praktische theorie: een samenhangend verhaal dat uitlegt waarom een doel te bereiken is met een bepaalde aanpak of benadering.
Door dat we theorie hebben kunnen we over de praktijk denken. ze hebben elkaar nodig.
2.HOE KUNNEN PERSPECTIEVEN, KINDBEELDEN EN DE INVULLING VAN WAARTOE WE MOETEN OPVOEDEN HET PEDAGOGISCH HANDELEN BEPALEN?
VAN PRAKTIJK NAAR PERSPECTIEF EN VICE VERSA
De basis van het begrijpen, het benaderen en het handelen in opvoedingssituaties: een perspectief.
o Bekende denkers hebben elk unieke perspectieven en benaderingen die mee het pedagogisch handelen sturen.
o Elk van deze pedagogen heeft unieke pedagogische praktijken ontwikkeld die passen bij hun opvoedkundige filosofien.
KINDBEELDEN
Hoe dat een deel van de samenleving kijkt naar kinderen in een bepaalde tijsperiode.
Wat we van de ouders en de kinderen verwachten in de opvoeding. Het is contextgebonden.
Descreptief: Je beschrijft het kind hoe die is.
Prescreptief: Je beschrijft hoe het kind zou moeten zijn.
JOHN DEWEY
Periode? 1859-1952
Locatie? Amerikaan
Achtergrond? Pedagoog en filosoof
Vooruitsgaandenken
urbanisalisatie, indsutrialiasatie
Hij wou dat de onderwijs anders was.
sta stil bij de geografische context waar die zijn denken heeft ontwikkelt
DEWEYS BLIK OP HET KIND
Hij zag het kind als van nature uit:
Actief
Creatief
Leergierig en nieuwsgierig
Hij stelt dat kinderen de omgeving verkennen via interactie en ervaring.
DEWEYS BLIK OP OPVOEDING
Opvoeding als een proces van continue reconstructie van ervaring.
Opvoeding niet als voorbereiding op het leven, maar als het leven zelf.
Reconstructie?
o Letterlijk iets in zijn oorspronkelijke vorm herstellen of nabootsen (Van Dale).
o Het opnieuw laten plaatsvinden, in de verbeelding of in werkelijkheid.
o Het opnieuw interpreteren, volgens Dewey het verbinden van handelen, denken en betekenis.
Kinderen willen ervaring opdoen: die inbedden in denken, en samen betekenis aangeven.
DEWEYS BLIK OP HET DOEL VAN OPVOEDING
Het doel van opvoeding is om kinderen te helpen kritisch denken en probleemoplossende vaardigheden te ontwikkelen.
DEWEYS BLIK OP DE ROL VAN DE OPVOEDER
Een stimulerende omgeving creren die exploratie en reflectie aanmoedigt.
Opvoeders als gidsen, die kinderen helpen om betekenisvolle verbindingen te maken.
Hoe moet de opvoeder zijn? Kans geven om te ervaren, stimulerende omgeving.
3.WAT ZIJN COURANTE CONCEPTEN OM TE SPREKEN OVER ONS PEDAGOGISCH HANDELEN?
IEDEREEN PEDAGOOG?
ons vak kent deskundigen, maar geen leken
Professioneel pedagogisch handelen is elke vorm van bemoeienis met jeugdigen, hun ouders en de opvoedingsomgeving die bedoeld is om problemen van of met jeugdigen te voorkomen, te verminderen of op te lossen en om hun ontwikkeling te stimuleren. (Nji)
RUIMTEN VAN PEDAGOGISCH HANDELEN (GIESECKE)
SITUATIE
Constellatie van voorwaarden die op het ogenblik van pedagogisch handelen gegeven en werkzaam zijn.
Steeds veranderend.
Eenmalig en onherhaalbaar.
Open.
Constellatie: gehele samenstel van factoren, dat invloed heeft op iets of op iemand.
Visueel: spinnenbweb van factoren dei allemaal met elkaar verbonden zijn.
INSTITUTIE
Instituties zijn maatschappelijke instellingen die tot op zekere hoogte het menselijk handelen regelen
Onafhankelijk van personen en dus voor langere duur.
VELD
Betrekkelijk duurzame, sociale context waarbinnen pedagogisch handelen in pedagogische situaties zich afspeelt.
METHODISCH WERKEN
EN PROFESSIONELE INTUTIE
Kort op de bal spelen op onverwachte en nieuwe situaties
Geheel aan ervaring en (vaak) impliciete praktijkkennis
ZWAARTEPUNT VAN INGRIJPEN
= Geen analytische laart meer want de triade was niet in verwerkt.
Politiserend werken gaat in de meest brede zin over alle interventies en praktijken die bijdragen aan het publieke meningsverschil over hoe we de samenleving inrichten. Het doel van deze praktijken is de samenleving uitdagen om zich te positioneren ten opzichte van bestaande ongelijkheden en streven naar meer gelijkheid, democratie en duurzaamheid.
4.HOE KLEURT DE MAATSCHAPPIJ VAN VANDAAG ONS PEDAGOGISCH HANDELEN?
SPANNINGSVELD
INSTRUMENTELE PROFESSIONALITEIT
verwijst naar de technische en methodische vaardigheden en kennis die professionals nodig hebben om hun werk effectief uit te voeren.
NORMATIEVE PROFESSIONALITEIT - KUNNEMAN
Ter discussie stellen van heersende opvattingen als politieke aspect van pedagogisch handelen.
Voortdurende activiteit/reflectie: maatschappelijke rol, relatie met mensen voor wie ze werken, morele en politieke werking van vakkennis, de leefwereld van wie om hulp vraagt,
Vraagt om bewustwording.
Doe ik het goed doe ik het goede.
PEDAGOGISCH HANDELEN ALS DEEL VAN DE WERELD
Pedagogisch handelen vraagt om een balans tussen instrumentele en normatieve professionaliteit, steeds ingebed in de maatschappelijke context. Wetgeving, kindbeelden en opvoedingsideen benvloeden wat als goede opvoeding geldt.
Jeugdprofessionals moeten actuele maatschappelijke tendensen zoals individualisering, risicovermijding en doelgerichtheid herkennen, omdat die hun werk benvloeden. Opvoeden is toekomstgericht: kinderen worden begeleid om actief deel te nemen aan en bij te dragen aan de samenleving. In COS II wordt verder ingezoomd op alternatieve pedagogische perspectieven zoals medemenselijk opvoeden en discretionaire ruimte.
3 SEMINARIE
3.1 JEAN-JAQUES ROUSSEAU
PERIODE
1712 1778, woonde in Frankrijk, geboren in Geneve
KINDBEELD
Kind staat centraal en is van nature goed, kan worden gezien als voorwaardig persoon, kind heeft mogelijkheid om mensheid te veranderen, aangeboren vermogen om eigen moreel kompas te ontwikkelen
WAT IS OPVOEDING
Focus op vrije opvoeding volgens natuurlijke drang, leren door ervaringen en ontdekking van zichzelf en de wereld, inmenging van volwassenheid, loslaten v kind is pas vanaf puberteit, kind niet blijven afschermen van de wereld
DOEL OPVOEDING
Morele ontwikkeling maar in vrijheid, opvoeden tot vrije individu, kind beschermen voor grotemensenwereld, later kind laten leren door ervaringen
ROL OPVOEDER
Veilige omgeving creren, opvoeder biedt wel kansen zodat het kind kan ontdekken, opvoeder gaat observeren x natuurlijke ontwikkeling ondersteunen x ingrijpen wanneer nodig
VANDAAG?
Opvoeder stelt de wereld en filtert deze op maat x ritme van de ontwikkeling, hoe blijf je eigen aan jezelf in een maatschappij die vol zit v negatieve invloeden, houdt niet van georganiseerde structuren
Bv. een school in een bos waar kinderen kunnen ontdekken, veilige omgeving
3.2 PAULO FREIRE
PERIODE
1921 1997, Braziliaans onderwijshervormer x pedagoog
KINDBEELD
Kind is kritische denker x actieve deelnemer, kind kan wereld begrijpen x veranderen, verandering vanuit kinderen, hij verzet zich tegen het gezegde dat kinderen w volgepropt met kennis
WAT IS OPVOEDING
Nooit neutraal, bewustwording x bevrijdende taak, kind kan wereld
DOEL OPVOEDING
Kinderen kritisch laten nadenken over eigen realiteit, leidt tot bevrijding, deelnemen aan samenleving, stimuleren tot verandering
ROL OPVOEDER
In dialoog gaan, realiteit teweeg brengen (bewust maken), kritisch denken aanmoedigen, respect x participatie tussen opvoeder en opvoedeling, recht op participatie, bewustmaking v sociale realiteit
VANDAAG?
Kritisch denken over sociale media (belladen woorden nemen bv likes, x drover in dialoog gaan), oplossingen bedenken vr ecologische problemen
3.3 JANUSZ KORCZAK
PERIODE
1878 1942, in Polen, pedagoog x arts, werkte in weeshuis
Sterke structuur in de weeshuizen, ander w de kwetsbare kinderen de dupe van het feit dat er geen structuur is
KINDBEELD
Belangrijk dat kinderen eigen verantwoordelijkheid opnemen, respect, kind wordt gezien als voorwaardig persoon
WAT IS OPVOEDING
Respectvolle ondersteuning v ontwikkeling om te bekomen tot een volledig potentieel
DOEL OPVOEDING
Balans tussen sturing x loslaten, volledig potentieel x rechten waarborgen
ROL OPVOEDER
Korczak was enorm trouw aan het weeshuis, is samen met 200 kinderen vergast (vermoord), hij stelde gezag in vraag, kinderen zijn kritische personen x volwaardige burgers x zouden niet in een situatie mogen zitten wrin ze v hun vrijheid beroofd w, kinderen w gzn als minderwaardig (Freire), ze werden beschermd, hij ging ze zien als volwaardige personen met levensfases x ging ervr zorgen dat kinderen verantwoordelijkheden kregen, opvoeder moet veel liefde geven
VANDAAG?
Participatie x inspraak, deelname v kinderen, kinderen behandelen als gelijkwaardig (niet als gelijken)
3.1 JOHANN HEINRICH PESTALOZZI
PERIODE
Zwitserland 1746 1827
Genspireerd door Rousseau, eigen ding mee gedaan
KINDBEELD
Kind w gezien als holistisch wezen, is eenheid v hoofd, hart x handen (behoeftes op deze 3 domeinen), elk kind is uniek x heeft aangeboren potentieel die we tot ontwikkeling moeten brengen (sluit aan bij Rousseau)
Kinderen moeten in staat zijn om zelf tot moreel besef te komen
WAT IS OPVOEDING
Harmonische ontwikkeling tussen verstand, emotie, vaardigheden, elk domein moeten even hard de kans krijgen om te ontwikkelen x voltooien
DOEL OPVOEDING
Volledig potentieel kunnen bereiken door holistische aanpak
ROL OPVOEDER
Gids x steun, moet helpen om integratieve ervaringen tot evenwichtige ontwikkeling te laten komen (hoofd, handen x hart)
VANDAAG?
Tuinieren als holistische activiteit, vanuit liefde vr natuur, met handen bezig x met hoofd (kennis v planten), je komt tot rust (ziel)
3.4 HANNAH ARENDT
PERIODE
1906 1975, politiek denker, Joods x Duits
Belangrijk in COS II
KINDBEELD
Kind is in wording, kind is een nieuwkomer in de wereld, wereld was er hiervoor al, kind is nieuwsgierig x stelt veel dingen in vraag (bep. structuren in maatschappij), ze dagen opvoeders uit met hun vragen, kind in interactie met wereld (triade v opvoeding), kind w niet als volwaardig gezien: groot verschil met Korczak
Zou nooit zonder regels opvoeden, als je kinderen hun ding ga laten doen krijg je wet v sterksten, kinderen zouden elkaar onderdrukken: volwassenen moeten veel structuur bieden
WAT IS OPVOEDING
Triade v opvoeding: opvoeder, kind, wereld, introductie in de wereld, met ruimte vr vernieuwing
DOEL OPVOEDING
Deelname aan samenleving, met ruimte vr eigen ontwikkeling x creativiteit, het nieuwe van het kind verenigen met het bestaan v wat er al was
ROL OPVOEDER
Kind introduceren tot wereld, mogelijkheden x begrenzingen aanleren aan kind, opvoeder heeft volledige verantwoordelijkheid over kind, balans houden tussen behoud traditie x kind voorbereiden vr toekomst x het mogelijk anders te gaan doen, oordeelsvermogen v kind stimuleren x die dingen veranderen
VANDAAG?
Debat over maatschappelijke themas
3.5 ANTON MAKARENKO
PERIODE
1888 1939
Je vindt weinig over hem, kwam vanuit Sovjet-Unie x communisme
KINDBEELD
Leden vd sl vormen tot verantwoordelijk collectief ingestelde individuen, positief x actief deelnemen is sl
WAT IS OPVOEDING
Collectief proces (samendoen) normen x waarden internaliseren, positief handelen in belang vd maatschappij, actieve burgers
Weinig regels, gaat ervan uit dat wanneer kinderen onderling met elkaar bezig zijn er wel regels tot stand komen, onderling
DOEL OPVOEDING
Kinderen vormen tot productieve, verantwoordelijke x sociaal bewuste burgers
ROL OPVOEDER
Gemeenschapsleven als opvoedmiddel centrale rol als leiders x rolmodellen x kind helpen een plek te vinden in samenlevi,g
VANDAAG?
Gedachtegoed toegepast in onderwijs (Freinet)
Tuinieren: onderdeel v dagelijkse taken x functie v gemeenschapsleven
Gaat uit v discipline, verantwoordelijkheid, fysieke arbeid (springt er een beetje uit)
HC 4 COMPLEXITEIT IN ONDERWIJS
Voorbereidende opdracht:
Onderwijs zou de hefboom van gelijkheid moeten zijn maar is het niet.
Ouders worden gestraft als kinderen te vaak afwezig zijn -> kindertoelagen
Te veel B codes hebben gevolgen ( afwezigheden ).
Er is niet genoeg plek voor kinderen uit het buiten gewoon onderwijs waardoor ze in het normale onderwijs komen. Te weinig plaatsen in een B stroom, waardoor er geen plek is op scholen.
Veel kinderen gaan de draagkracht van de school te boven. Kinderen met gedragsproblemen komen nog in normale onderwijs , leerkrachten kunnen dit niet aan waardoor ouders hun kinderen thuis houden. Grote diversiteit aan noden , krijgen we structureel niet in orden, gaat over micro maar ook macro, de structuren die er moeten zijn die zijn er niet.
School is geen luxe maar de factoren zijn duur.
School is geen luxe maar er zijn wel drempels: maandverband, openbaar vervoer, ontbijt op school heel wat context factoren die onderwijs in de weg staan.
BETEKENIS VAN DE JEUGDPROFESSIONAL
1.1 BREED PEDAGOGISCH PERSPECTIEF
3 fataliteiten v onderwijs
- Kwalificatie: kennis
- Subjectificatie: persoonsvorming t.a.v. de wereld
- Socialisatie: waarden x normen die id maatschappij leven x die we willen doorgeven
moeilijk om met alle finaliteiten rekening te houden
Philip Merieu -> driehoek : doelen , wetenschap, praktijk
Wat weten we van wetenschap? Hoe komt het in de praktijk? Wat willen we bereiken?
1.2 PEDAGOGISCHE BASIS
Gaat over alle sociale relaties en klimaten die proberen om kinderen te ondersteunen.
Bv een school maar die doen dat niet alleen, sportclub, gezin, En als een van die elementen weg vallen zijn er nog andere om het te compenseren.
Als een gezin het moeilijk heeft dan zouden de verschillende andere netwerken helpen om wel die doelen behalen.
Bv Buurvrouw die oppast zodat die huiswerk kan maken.
Doel pedagogische basis zo breed mogelijk maken. tegengas tegen bv individualisering, straf b-codes.
1.3 OPVOEDING ALS AFSTEMMING: INCLUSIE
Foto 1: gelijkheid. maar kinderen die geen nood hebben profiteren extra.
Foto 2: Heb je meer nood nodig krijg je meer hulp
Foto 3: UDL: universe design for learning zijn aanpassingen in de context die iedereen duurt waar niemand last van heeft en mensen voordeel in hebben
Bv mensen met rolstoel die in een ruimte kunnen binnenlopen met een loopbrug. Als persoon zonder rolstoel kan je er ook op lopen.
1.5 CULTUREEL KAPITAAL
Pioniersstudenten: Concept van Bordieux
Socialisatie, hoe je u gedraagt, waarden en normen.
Weten hoe het openbaarvervoer in elkaar zitten niks te maken met cognitieve vaardigheden. Hoe het leven geleid wordt.
Sociaal kapitaal: heb je mensen die je kunnen hebben. Bv: ouders die je geholpen hebben met een kot te zoeken. Als je niemand hebt die je kan ondersteunen heb je weinig sociaal kapitaal.
Stel je bent de eerste die hoger gaat studeren dat is dan niet zo evident voor u.
Heel veel dingen dat niets te maken hebben met u vaardigheden maar over het nest waar in je geboren bent en hoe je het leven geleid hebt.
HEFBOOM VOOR ONGELIJKHEID?
Veel kinderen krijgen inhoudelijke bijles of studiemethode . Die vooral zijn voor degene die financieel en sociaal kapitaal hebben en cultureel kapitaal (kost veel geld, netwerk kennen).
Zegt veel over het onderwijs, dat kinderen niet mee kunnen op school. Hoe meer bijlessen er zijn hoe meer scholen hiernaar gaan handelen.
1.6 WELZIJN VAN HET KIND, JONGERE EN LEEFWERELD
HOGENT deed onderzoek naar samenwerking tussen basisscholen en welzijnsorganisaties. Daaruit bleek dat scholen steeds meer met welzijnsproblematieken geconfronteerd worden. (onbetaalde schoolfacturen, problemen met huisvesting, werk, gezondheid)
Problematieken dagen scholen uit om:
- Na te denken over eigen onderwijs- en maatschappelijke opdracht
- Na te denken over welzijnsvragen
Of en hoe scholen welzijnspartners als bondgenoot inschakelen, hangt af van verschillende factoren:
- Visie, betrokkenheid en welzijnsexpertise van scholen zelf
- Lokale context (netwerken, outreachende welzijnswerkers, vertrouwensfiguren, )
Bekijk dia 18 tot en met 20 en de notities ervan.
HC 5: AUTISMESPECTRUMSTOORNIS (ASS) UITGEBREIDE SAMENVATTING
KENNISCLIP 1. HISTORIEK EN SITUERING
LEO KANNER (1943)
Eerste wetenschappelijke beschrijving van autisme.
Kenmerken: extreme autistic aloneness, rigiditeit, verstoorde communicatie.
Autisme als aangeboren afwijking, verwantschap met schizofrenie.
Legde basis voor psychogene verklaringen zoals de koelkastmoedertheorie.
HANS ASPERGER (1944)
Introduceerde autistische psychopathie bij hoogbegaafde kinderen.
Zag autisme als persoonlijkheidsstoornis.
Term syndroom van Asperger later opgenomen in DSM-IV, maar geschrapt in DSM-5 wegens overlap en controverses.
LORNA WING
Introduceerde het begrip autismespectrumstoornis.
Ontwikkelde sociale sub typologien:
o Afzijdig: weinig sociaal contact, functionele benadering van anderen.
o Passief: accepteert contact maar initieert het niet.
o Actief-maar-bizar: zoekt contact op vreemde, repetitieve manier.
o Hoogdravend type: geleerd, scriptmatig gedrag.
2. DIAGNOSTIEK EN DSM-ONTWIKKELINGEN
DSM-versie Kenmerken
DSM-III (1890) Autisme als pervasieve ontwikkelingsstoornis met triade: sociaal, communicatie, gedrag
DSM-IV (1994) Onderscheid tussen autisme, Asperger en PDD-NOS
DSM-5 (2013) En spectrumdiagnose: autismespectrumstoornis met dyade: sociale communicatie + repetitief gedrag
DSM-5 introduceert een dimensionale benadering: gradaties in symptomen, geen zwart-witdiagnose.
De term spectrum benadrukt variatie en individualiteit binnen ASS.
De DSM-ontwikkeling verwijst naar de evolutie van het diagnostisch classificatiesysteem voor psychiatrische aandoeningen, waarbij de criteria voor autisme doorheen de jaren sterk zijn veranderd.
De DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) is een internationaal erkend handboek dat gebruikt wordt door psychiaters en psychologen om psychische stoornissen te classificeren. De ontwikkeling van de DSM toont hoe onze kijk op autisme is gevolueerd van een rigide, categoriegebonden stoornis naar een genuanceerd spectrum.
Sigmund Peter de Wit
Nu w autismespectrumconditie gebruikt om aan te tonen dat de wijze wrop mensen met ASS info verwerken ook talenten x competenties als gevolg heeft
3. OORZAAK OF ETIOLOGIE
- Ontwikkelingsstoornissen kunnen opgevat worden als producten van interacties tussen: neurobiologische, neuropsychologische en gedragsmatige factoren
- Op elk niveau spelen omgevingsfactoren een rol
- Vroeger dacht men in deficitmodel met nadruk op neuropsychologische aspecten, nu multipledeficitmodel: alle factoren spelen een rol
- Multifactorieel
MULTIFACTORIEEL MODEL
Genetisch: meerdere genen betrokken. (genotype)
Neuroanatomisch: afwijkende hersenontwikkeling.
Neurochemisch: afwijkingen in neurotransmitters.
(Neuro)Psychologisch: cognitieve processen zoals Theory of Mind en executieve functies.
Gedragsniveau: fenotype.
COMORBIDITEIT (BIJ N PERSOON MEERDERE STOORNISSEN OF AANDOENINGEN TEGELIJKERTIJD VOORKOMEN.)
ASS komt vaak samen voor met:
o ADHD: aandachtsproblemen, impulsiviteit, hyperactiviteit
o Hoogbegaafdheid: sterke cognitieve capaciteiten, maar sociaal-emotionele uitdagingen
o Dyspraxie (DCD): motorische cordinatieproblemen
o Spraak- en taalstoornissen (zoals dysfasie)
o Leerstoornissen: zoals dyslexie of dyscalculie
PREVALENTIE
Tussen 0,6 en 1 procent van de bevolking.
Verhouding jongens/meisjes = 4:1.
Meisjes maskeren symptomen vaker, wat leidt tot onderdiagnostiek.
AUTISMESPECTRUMSTOORNIS
Elke persoon is uniek
Multifactorieel
Ontwikkelingsstoornis
Kalender- VS emotionele leeftijd
Aangeboren stoornis in de hersenen
Andere verwerking
IJSBERG
- Om kind van binnenuit te kunnen helpen is het belangrijk om te weten wat er vanbinnen gaande is.
KENNISCLIP 2. COGNITIEVE EN PSYCHOLOGISCHE VERKLARINGSTHEORIEN
THEORY OF MIND (TOM)
Vermogen om mentale toestanden (zoals intenties, wensen, meningen, ) van anderen te begrijpen.
Dit vraag een complex cognitief mechanisme
Bij ASS vertraagde ontwikkeling, wat leidt tot moeilijkheden in sociale interactie.
TOM is afhankelijk van executieve functies zoals inhibitie en cognitieve flexibiliteit.
De bekwaamheid om die mentale toestanden toe te kennen
aan zichzelf en anderen wordt TOM genoemd (Roeyers,
2018)
Geen alles-of-niets-verhaal
Inlevingsvermogen verbetert met stijgende leeftijd
Eerder vertraagde ontwikkeling dan effectief deficit
Sociaal gedrag wordt niet alleen bepaald door TOM
Kritische bedenkingen (Roeyers, 2018):
Wat met sociaalpragmatische moeilijkheden bij kinderen jonger dan 3j?
TOM-problemen worden eveneens vastgesteld bij andere problematieken
De theorie biedt weinig verklaringen voor andere kenmerken van ASS
zoals rigiditeit, stereotype gedragingen,
Voorlopers van TOM:
o Minder voorkeur voor sociale stimuli
o Minder gedeelde aandacht (joint attention)
o Minder empathie
Kritiek:
o Verklaart niet alle ASS-kenmerken zoals rigiditeit
o TOM-problemen ook bij andere stoornissen
EXECUTIEVE FUNCTIES
Executieve functies zijn de mentale processen die je nodig hebt om doelgericht te denken en te handelen. Ze helpen je om je gedrag te sturen, je aandacht te reguleren, beslissingen te nemen en problemen op te lossen.
Deze functies worden aangestuurd door de prefrontale cortex van de hersenen en zijn essentieel voor het dagelijks functioneren, vooral in complexe of veranderende situaties.
Cognitieve processen voor:
o Werkgeheugen
o Inhibitie: (afremmen x stoppen v gedrag)
o Planning
o Cognitieve flexibiliteit
Bij ASS vaak zwakke inhibitie, moeite met flexibiliteit en planning.
Gecontroleerd door de prefrontale cortex.
De problemen van executieve functies kunnen niet gezien worden als primaire oorzaken van ASS- symptomen. Ze moeten in relatie tot elkaar bekeken worden.
CENTRALE COHERENTIE
Samenhangdenken: globale verwerking verloopt trager.
Focus op details.
Geen cognitief deficit, maar een andere stijl van informatieverwerking.
Bij ASS: fragmentarisch denken, moeite met contextuele samenhang.
Dat betekent dat de globale verwerking van informatie trager of minder spontaan verloopt, terwijl de detailverwerking juist sterk is.
Geen deficit maar wel andere cognitieve stijl
Conclusie
Geen enkele theorie is erin geslaagd om alle hoofdkenmerken van ASS te verklaren
Cluster van cognitieve problemen en eigenaardigheden die aanleiding geven tot het
fenotype dat we ASS noemen
(Roeyers, 2018)
KENNISCLIP 3. CONTEXTBLINDHEID (VERMEULEN)
Context bepaalt betekenis, verwachtingen en aandacht.
Contextblindheid: onvermogen om spontaan en onbewust context te gebruiken.
Niet hetzelfde als context niet zien.
Denken in vaste n-op-n relaties in plaats van flexibele n-op-veel relaties.
Speelt zich af op subcognitief niveau (onbewust).
Belangrijke plaats in de wijze waarop brein info verwerkt
Cruciale factor in betekenisverlening
Niets in de wereld is absoluut of heeft een vaste betekenis
Context geeft betekenis aan prikkels
Context bepaalt verwachtingen en stuurt aandacht
Contextgevoeligheid levert belangrijke bijdrage aan optimaal functioneren en aanpassingsvermogen
ONDERVERDELINGEN CONTEXT
Onmiddellijke, nabije context VS ruimere context
Interne VS externe context
Zinvolle VS bijkomstige context
THEORIE CONTEXTBLINDHEID
Niet enkel probleem van bewuste, hoger niveau denkprocessen
Vooral probleem van subcognitie
SUBCOGNITIE = primaire processen in de hersenen die zich afspelen op een onbewust of voorbewust niveau.
Contextblindheid is een tekort in het vermogen om spontaan en onbewust context
te gebruiken in het verlenen van betekenis (Vermeulen, 2011).
THEORIE CONTEXTBLINDHEID
Context is het geheel van contextueel relevante elementen (kan ook een detail zijn!) in zowel omgeving als geheugen.
Contextblindheid gaat over het niet spontaan gebruiken van de context en NIET over het niet zien van de context.
Mensen met autisme denken in vaste n-op- n relaties en niet in contextueel wisselende n-op-veel relaties.
Niets heeft een vaste betekenis.
En prikkel kan meerdere betekenissen hebben.
KENNISCLIP 4. HET VOORSPELLENDE BREIN (PREDICTIVE CODING THEORY)
WERKING VAN HET BREIN
Brein is proactief en voorspelt voortdurend op basis van interne modellen.
Zintuiglijke input is traag en onbetrouwbaar, dus het brein anticipeert.
Brein komt in actie bij voorspellingsfouten: past model aan of verandert gedrag.
ASS EN HET VOORSPELLENDE BREIN
Minder contextgevoeligheid bij het inschatten van voorspellingsfouten.
Voorspellingsfouten worden te ernstig genomen.
Te veel vertrouwen in zintuiglijke input leidt tot hyperalertheid.
Interne modellen worden te specifiek en moeilijk bruikbaar.
KENNISCLIP 5. DE INSTEEL VAN MARTINE DELFOS: SOCIOSCHEMA & MAS1P
- Nederlandse bio-psycholoog
- Vernieuwde kijk op ASS: vnuit ontwikkelingsperspectief
- ASS gaat niet gepaard met 1 specifieke afwijking id hersenen / bep plaats die anders functioneert mr gaat eerder om geheel v hersenen dat anders functioneert: we kunnen ASS zien als een vertraging v specifieke ontwikkelingsprocessen, eerder dan een defect
SOCIOSCHEMA
Schema over wie je bent en hoe je je verhoudt tot anderen.
Bij ASS vertraagde ontwikkeling van het socioschema.
Gevolgen: minder zelfkennis, empathie, reflectie, bewustzijn van anderen.
Algemeen begrip over de mens
ik geplaats id wrld
Mens volgt schema v:
o Wie de mens is (bewust x onbewust)
o Hoe hij / zij id wrld staat
o Hoe hij / zij in relatie tot mensen om zich heen staat
Bij ASS is er sprake v een vertraagd ontwikkeld Socioschema
- ASS (rechts op afbeelding): atypische ontwikkeling wrbij er sprake is v een combinatie v versnelde x vertraagde
- Vertraagde sociale ontwikkeling die samenhangt met versnelde cognitieve ontwikkeling
MAS1P (MENTAL AGE SPECTRUM WITHIN 1 PERSON)
Combinatie van versnelde cognitieve en vertraagde sociale ontwikkeling.
Spectrum aan mentale leeftijden binnen n persoon.
Holistische benadering van de persoon, genspireerd door Anton Doen.
= mental age spectrum within 1 person (spectrum aan mentale leeftijden die tegelijk binnen 1 persoon voorkomen)
Kijken nr de persoon in zijn geheel (holistisch)
IK-ANDERDIFFERENTIATIE
Eerste bouwsteen van het socioschema.
Levenslang proces.
Bij ASS vertraagd minder bewustzijn van de ander.
o Gevolgen
Minder zelfkennis
Minder zelfreflectie
Zich minder goed kunnen verplaatsen id ander
Minder gericht zijn op de ander
Minder bewustzijn vd ander
KENNISCLIP 6. HANDVATTEN VOOR DE PRAKTIJK
BEHANDELING EN/OF BEGELEIDING
ASS is niet te genezen, maar wel te ondersteunen.
Behandeling richt zich op:
o Voorkomen van verergering
o Leren omgaan met gevolgen
o Inzicht geven in ASS
Twee sporen:
o Niveau van context (micro/meso)
o Niveau van kind/jongere
STEUNEN, STIMULEREN, STUREN
- Steunen: betrokkenheid x steunen in wat het k doet
- Niet altijd makkelijk om te weten wat in een k omgaat (moeilijk knuffels verdragen)
- Stimuleren: begeleiden in zelfstandig w
- Aanleren v nieuwe vaardigheden verloopt trager bij ASS
- Sturen: richting geven aan gedrag kind
- Aanleren v gewenst gedrag moeilijk bij ASS (regels) contextblindheid
- Reageren op wat het kind doet, relatie tssn specifiek gedrag x consequentie moeten glashelder zijn bij ASS (contextblindheid)
- Opvolgen v kinderen x jongeren, kind met ASS zal sociaal gewenste reactie geven (bv O: hoe is je dag geweest? K: goed)
-
AUTI-VRIENDELIJKE OMGEVING
Inzetten op:
- Structuur
- Duidelijkheid
- Voorspelbaarheid
- Visueel
mate in behoeftes hangen v persoon tot persoon (met ASS) af
geef me de 5: waar, wie, wat, hoe, wanneer
PRINCIPES
Structuur
Duidelijkheid
Voorspelbaarheid
Visuele ondersteuning
BASISRUST
Fysiek, cognitief, sensorisch.
Uitdagingen en mogelijkheden moeten in balans zijn.
Emmer sneller vol, trager leeg.
Niet hetzelfde als niets doen
Noodzakelijke voorwaarde om te
groeien
Bestaat uit verschillende
componenten (fysiek, cognitief,
sensorisch, )
Uitdagingen en mogelijkheden
moeten in evenwicht zijn
Kunnen VS aankunnen
Emmer sneller vol en trager leeg
COMMUNICATIE
Visueel, concreet, kort, positief.
Vermijd abstracte en dubbelzinnige taal.
Geef verwerkingstijd.
Pas lichaamstaal aan.
Stel vragen persoonlijk en duidelijk.
MEDICATIE
Nooit op zichzelf staand.
Maatwerk: antipsychotica, methylfenidaat, antidepressiva.
Medicatie als hefboom voor begeleiding, niet als oplossing.
Telkens maatwerk (soort, dosis)
Afhankelijk v klachten / symptomen diverse categorien:
o Antipsychotica (bv. Abilift / Risperdal) (vergroten v cognitieve flexibiliteit x emotieregulatie)
o Methylfenidaat (bv. Relatine) (bij comorbiditeit met ADD / ADHD / snel afgeleid)
o Antidepressiva (bv Fluoxetine) (angstoornissen / dwanggedachten / depressie)
9. TERMINOLOGIE EN NEURODIVERSITEIT
ASS is een aangeboren ontwikkelingsstoornis.
Neurodiversiteit benadrukt dat cognitieve verschillen ook talenten zijn.
Person-first language: persoon met ASS.
Identity-first language: sommige mensen verkiezen autist als identiteitslabel.
Belangrijk om in gesprek te gaan over voorkeursterminologie.
BEGRIPPEN
Perspectivistische lenigheid Kritisch leren denken, vragen stellen, ander perspectief innemen
Contextualisering Het plaatsen v iets (idee, situatie, handeling, uitspraak, tekst / gebeurtenis) binnen een specifieke context / tgn een achtergrond om het beter te begrijpen. Rekening houden met de omstandigheden, achtergrond x omgeving wrin iets gebeurt
Exhaustief Je kan nooit alle perspectieven bekijken
Complexiteit
Recursief Voedt zichzelf x creert zichzelf voortdurend opnieuw
HC 6: NEURODIVERSITEIT
LEERVRAAG 1: AANVAARDEN WIJ NOG MENSELIJKE VARIATIE?
SOCIAAL CONSTRUCTIONISME ALS UITGANGSPUNT
Sociaal constructionisme: de idee dat identiteit, diagnose en zelfs waarheid geen objectieve feiten zijn, maar sociale constructen. Dit betekent dat onze kijk op kinderen, gedrag en stoornissen maatschappelijk gekleurd is en afhankelijk van context, tijd en cultuur.
Voorbeelden zoals de connotatie van tattoos of jeansbroeken illustreren hoe betekenissen verschuiven. Wat ooit marginaal was, is nu mainstream. Dit geldt ook voor gedrag: wat in de ene context als storend wordt gezien, kan elders als creatief of assertief worden genterpreteerd.
PEDAGOGISCHE IMPLICATIES
Als jeugdprofessional is het cruciaal om kritisch te reflecteren op je eigen bril. Welke normen hanteer je? Welke discoursen sturen jouw denken? Door deze vragen te stellen, ontstaat ruimte voor inclusie en co-creatie met jongeren. Het gaat niet om het herstellen van afwijking, maar om het erkennen van variatie als waardevol.
LEERVRAAG 2: WAAROM CLASSIFICEREN WIJ?
NUT EN NOODZAAK VAN CLASSIFICATIE
Classificatie biedt structuur in de chaos. Binnen de hulpverlening faciliteert het communicatie tussen professionals, zorgt het voor uniformiteit en maakt het gedrag bespreekbaar. De DSM is hierbij het dominante classificatiesysteem.
GEVAREN: REFICATIE EN CIRKELREDENERING
Een belangrijk risico is reficatie: het label wordt gezien als een objectieve realiteit, terwijl het slechts een beschrijving is. Dit leidt tot cirkelredeneringen: Jonas doet zo omdat hij autisme heeft. Maar autisme is geen verklaring, het is een naam voor een cluster van gedragingen.
PARADIGMAWISSEL
Er is nood aan een paradigmawissel: van stoornisspecifiek naar transdiagnostisch denken. Dit betekent dat we kijken naar onderliggende mechanismen (bv. emotieregulatie) die stoornissen gemeen hebben. Ook het dimensioneel denken (zoals in DSM-5) biedt meer nuance dan het klassieke wel of geen diagnose-model.
LEERVRAAG 3: WAT IS PSYCHIATRISERING EN WAT ZIJN DE GEVOLGEN?
PSYCHIATRISERING IN HET DAGELIJKS TAALGEBRUIK
Jongeren gebruiken steeds vaker psychiatrisch jargon in hun dagelijkse taal: Ik ben zo ADHD vandaag, Doe niet zo autistisch. Dit fenomeen, psychiatrisering, verwijst naar het gebruik van klinische termen door leken. Het normaliseert het idee dat afwijkend gedrag automatisch een stoornis is.
STOREND GEDRAG ALS SOCIAAL CONSTRUCT
Volgens Vanheule is storend gedrag geen objectieve categorie, maar een sociaal construct. Het ontstaat in de relatie tussen opvoeder en opvoedeling. Door gedrag te labelen als stoornis, verliezen we zicht op de context, verwachtingen en interactie.
ETHIEK VAN DIAGNOSTIEK
Diagnoses zijn werkhypothesen, geen verklaringen. Ze zijn per definitie subjectief en moeten met nederigheid en nuance worden gebruikt. Als professionals dragen we een ethische verantwoordelijkheid in het geven n gebruiken van diagnoses.
Peron-first
= spreek je over persoon met autisme, je zet individu eerst en je plakt diagnose eraan vast
Identity-first
= spreek je over autistisch persoon: gebruikt.
=keuze over welke taal gehanteerd wordt bepaald door jongeren zelf, moet bespreekbaar zijn, als wij kiezen dan handelen we vanuit macht.
LEERVRAAG 4: HOE IS DE NEURODIVERSITEITSBEWEGING ONTSTAAN?
SOCIALE BEWEGING
De neurodiversiteitsbeweging ontstond in de jaren 90 in online autismegemeenschappen. Autistische mensen deelden hun ervaringen en verzetten zich tegen de medicalisering van hun identiteit. Ze pleitten voor acceptatie van diversiteit en emancipatie van neurodivergente mensen.
POLITIEKE EISEN
De beweging stelt twee kernassumpties:
1. Alle neurotypes zijn intrinsiek gelijkwaardig.
2. Problemen ontstaan in de interactie tussen individu en maatschappij, niet enkel in het individu.
ACADEMISCH PARADIGMA
In de academische wereld wordt neurodiversiteit gezien als een kritische lens. In tegenstelling tot het stoornisparadigma, dat focust op deficits, benadrukt het neurodiversiteitsparadigma acceptatie, aanpassing en ervaringskennis.
LEERVRAAG 5: WAT IS NEURODIVERSITEIT?
DEFINITIE
Neurodiversiteit beschrijft de idee dat mensen de wereld op verschillende manieren ervaren en ermee omgaan. Er is niet n juiste manier van denken, leren of voelen. Verschillen zijn geen tekorten, maar variaties.
MISVATTINGEN
Neurodiversiteit is geen ontkenning van problemen, geen simplistische sterkte-benadering, en niet anti-labeling. Het is een contextueel en politiek bewust kader dat oproept tot inclusie.
VANAKENS WERKHYPOTHESE
Neurodivergente ervaringen zijn geworteld in neurobiologie, maar ontstaan in interactie met de sociale context. Dit benadrukt het belang van een macroperspectief in opvoeding en hulpverlening.
LEERVRAAG 6: HOE MOET HET NU VERDER?
DIAGNOSES ALS TIJDELIJKE HULP
Volgens Danckaerts moeten diagnoses verwijderbaar zijn. Ze bieden hulp, maar mogen geen statisch etiket worden. Kinderen moeten ruimte krijgen om te groeien en veranderen.
NARRATIEVE BENADERING
Hens en Van Goidsenhoven pleiten voor een narratieve insteek: autisme is een dynamisch fenomeen dat ontstaat in interactie met de wereld. Ervaringsverhalen zijn essentieel.
DEPATHOLOGISERING
Vanaken stelt dat we autisme moeten reconceptualiseren: niet als stoornis, maar als verschil. Dit betekent dat we ervaringskennis centraal stellen, en autistische kenmerken beschrijven vanuit hun betekenis voor de persoon zelf.
PEDAGOGISCH HANDELEN: VAN THEORIE NAAR PRAKTIJK
VAN DEFECT NAAR ONTWIKKELING
De theorie van Martine Delfos biedt een ontwikkelingsperspectief op ASS. Ze stelt dat ASS een combinatie is van vertraagde sociale en versnelde cognitieve ontwikkeling. Dit vraagt om stimulerend en responsief opvoeden, niet om corrigeren of accepteren alleen.
HET SOCIOSCHEMA EN MAS1P
Delfos introduceert het Socioschema (ik in relatie tot de wereld) en MAS1P (Mental Age Spectrum within 1 Person). Deze concepten helpen om ASS te begrijpen als een complexe, gelaagde ontwikkeling, waarbij mentale leeftijden binnen n persoon kunnen verschillen.
PRAKTISCHE IMPLICATIES
Pedagogisch handelen moet vertrekken vanuit begrip van binnenuit. Dit betekent:
Visuele ondersteuning bij executieve functies.
Context activeren bij contextblindheid.
Voorspelbaarheid bieden bij prikkelverwerking.
Narratief werken bij identiteitsontwikkeling.
HC 7: UITLEIDING IN COMPLEXITEIT IN ONDERWIJS
(Notities actieve les, ppt komt erna)
EDGAR MORIN
(!B! examen vraag)
Hoe zou hij kunnen denken over cos, en wat zegt hij over complexiteit?
nood aan contextualisering en transdisciplinariteit.
De wereld, samenleving is complex maar we moeten het niet zien als een drama.
Hier hoort een manier van kijken bij namelijk: systeem theoretisch kader, die zegt iets over hoe iets verbonden en afhankelijk van elkaar is.
SEPT SAVOIRS NECESSAIRES A LDUCATION DU FUTUR (2000)
(zeven stappen van ppt hier in zetten)
IS ER WAT ONDERWIJS BETREFT SPRAKE VAN COMPLEXITEIT IN HARRY POTTER?
-Waar toont zich complexiteit?
Dat is heel multidimensionaal, Edgar Morin zegt dat je een mens niet kan opdelen of in een categorie plaatsen want een mens is gelaagd. classificatie. Een tegenbeweging is neurodiversiteit.
Grote hal in de film; de school is altijd in beweging.
-Waartoe dient onderwijs?
3 finaliteiten van pedagogie:
Kwalificatie; leerstof die ze zien, de evaluaties, de vakken,
Socialisatie; de sport die ze samen kunnen doen, de klassenoudsten
Subjectificatie; Harry die zich verzet voor slytherin.
Definitie= Het ontwikkelen van een eigen identiteit en kritisch denkvermogen
-Wie zijn opvoeders op school?
De leraren; geven allemaal op een andere manier les bv sneek is strikter dan hagrid hij is wat losser.
De klassenoudsten; persoon die aantal jaren op school zit en een groep begeleid.
De familie duffeling (de ouders); harry potter wordt slechter behandelt dan de biologische zoon.
Ouders van Ron; helpen harry op het moment dat hij de weg niet meer vond, geeft cadeaus op kerstmis voor harry,
Alle ouders; die brieven geven tijdens het eetmoment. kan je vergelijken met smartschool in onze samenleving. Edgar morin zegt dat de grens tussen thuis en school elkaar overschrijden, het zijn geen twee werelden.
-Hoe wordt pedagogisch gehandeld (sociaal handelen ten aanzien van iemand)?
Hagrid; hij is heel zachtaardig, niet sturend, niet professioneel is, hij komt op voor hen.
Hij krijgt ook de ruimte om zich zo in die positie te zetten van zijn team en dat doet heel veel.
-Is er sprake van pedagogische basis, diversiteit?
Harry zijn pedagogische basis voor dat hij jarig was; had hij een kleine pedagogische basis de ouders waar hi
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag