Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Groepsdynamica
onderzoek naar het gedrag van de mensen in een groep, de ontwikkeling van groepen en de onderlinge relaties tussen groepen en individuen
Ligt tussen:
o Psychologie: de studie van menselijk gedrag, de mentale processen erachter en de factoren die dit gedrag benvloeden
o Sociale psychologie: de wetenschap die bestudeert hoe individuen en hun sociale omgeving elkaar benvloeden
o Sociologie: manier waarop mensen samenleven
Kinderen en jongeren in groepen
Wat is een groep?
een of meer mensen die met elkaar interacteren en onderling afhankelijk van elkaar zijn in die zin dat hun behoeften en doelstellingen ervoor zorgen dat ze elkaar benvloeden
Hoe jongeren een kind is, hoe minder er sprake is van een gemeenschappelijk doel, bewuste benvloeding en bewustere rolinname en dus van groepsdynamica
Naarmate de kinderen ouder worden, zullen ze hierin steeds meer hun eigen stem proberen te krijgen
Sociale categorie: als er geen sprake is van verwantschap, maar wel van een bepaald gemeenschappelijk kenmerk
Togetherness-situatie: sociale situatie waarin een aantal mensen tijdelijk bij elkaar zijn
o Dagelijkse treinrit
Essentile kenmerken om van een groep te kunnen spreken
Doel
Onderlinge afhankelijkheid
Interactie: manier waarop je in interactie gaat met elkaar
Sociale eenheid
Wederzijdse benvloeding
Normen en rollen
Verschillen tussen groepen kinderen of jongeren en groepen volwassenen
Kinderen ontdekken welke rol ze kunnen innemen, hoe ze zich staande kunnen houden en hoe ze een ander kunnen benvloeden
o Modelling: kind neemt gedrag over van een menselijk model via observatie en imitatie
Jongeren leren zich te gedragen in een groep maar nog niet hetzelfde als de volwassenen
Volwassenen nemen een verantwoordelijkheid op hun die de groep draagt
Typering van verschillende soorten groepen
onderverdeling tussen drietal parameters
Verplicht versus vrije keus
Verplicht: baby/peuter heeft weinig stem, waardoor de ouders bepalen waar het kind naartoe gaat qua opvang
o Naarmate het kind ouder wordt, neemt zijn invloed meestal toe: meer keuzevrijheid
Vrije keus: welke hobby het kind graag wilt doen
o Hoe minder een kind keuzevrijheid heeft, hoe moeilijk het kan zijn om de consequenties te aanvaarden
Of kinderen al dan niet zelf gekozen hebben voor een groep of setting is van invloed op hun motivatie
Begeleid versus onbegeleid
Begeleid: jonge kinderen doen mee aan activiteiten die plaatsvinden onder begeleiding
Onbegeleid: jongeren doen mee aan activiteiten zonder begeleiding
Ontspannen versus leren
Ontspannen: de activiteiten in een kinderopvang zijn heel ontspannen
Leren: basisschool
Sportclub: sport wordt bewust aangeleerd, maar op een speelse manier
o Ontspannen en leren gaan hand in hand
Primaire en secundaire groepen
Primair: bepalend voor iemands basiswaarden en belangrijkste attituden
relatiegerichte groepen
Secundair: persoonlijke binding minder sterk en is er vaak sprake van een duidelijke taak- of doelstelling
taakgerichte groepen
Theorien over groepsontwikkeling
Zich herhalende-fasen-theorien
richten zich op de vraagstukken die steeds weer afwisselend de groepsinteractie bepalen in de periode dat een groep bestaat
Opeenvolgende-fasen-theorien
de groep doorloopt een aantal fases die nie terugkeren en die de ontwikkeling van elke groep bepaalt
1. Remmerswaal
Voorfase = voorgeschiedenis van de groep
Grenzen en doelen worden aangegeven
Orintatiefase = groep stelt zich afhankelijk op van de begeleiding en het door haar vastgestelde programma
Vraag stellen of ze wel bij de groep horen
Machtsfase = groep vervangt de opgelegde leiderschapsstructuur door een passende eigen invloedverdeling
Accepteren van de groepsactiviteit
Affectiefase = onderlinge verhoudingen komen centraal te staan
Accepteren van de anderen
Autonome groep = groep is volledig tot rijping gekomen
Groepsleden stellen zich de vraag of ze in de groep wel helemaal zichzelf kunnen zijn
2. Tuckman
Forming = periode van orintatie, elkaar testen en onzekerheden
Bepalen van procedures en regels
Storming = ontstaan van problemen
Groepsleden gaan zich verzetten tegen de invloed van de groep en het uitvoeren van de taken
Norming = bereiken van een consensus over de rolstructuur en de groepsnormen
Groepscohesie en betrokkenheid nemen toe
Performing = kunst van samenwerken en ontwikkelen van meer flexibele vormen van samenwerking
Adjourning = taak is volbracht
Contact en emotionele afhankelijkheid verminderen
Groep valt uit elkaar
3. Brehm et al.
Vorming = groepsleden komen voor het eerst in contact met elkaar
Iedereen laat zich van zijn beste kant zien
Bestorming = groepsleden gaan op zoek naar hun eigen plek binnen de groep
Rollen worden verdeeld
Normering = normen binnen de groep ontstaan
Hebben betrekking op de manier waarop de leden omgaan met elkaar en met anderen
Prestatie = echte werken
Positieve groep: stimuleren en respecteren elkaar
Negatieve groep: geen gevoel van veiligheid
Opheffing = afronden van het groepsproces
Positieve groepen hebben het hier moeilijker mee dan de negatieve groepen
Remmerswaal Tuckman Brehm et al
1 Voorfase - -
2 Orintatiefase Forming Vorming
3 Machtsfase Storming Bestorming
4 - Norming Normering
5 Affectiefase
Autonome groep Performing Prestatie
6 Afsluitingsfase Adjourning Opheffing
Veiligheid in de groep
3 basisbehoeften
Erbij horen: inclusie
o Vormingsfase
Invloed hebben: controle
o Bestormingsfase
Persoonlijk contact: affectie
o Prestatiefase
Begeleiding van groepen
Aandachtspunten
Leeftijd
Welke opdrachten je geeft als begeleider, hangt sterk af van de leeftijd van de kinderen maar ook hun ontwikkeling
Naarmate kinderen ouder zijn, kunnen ze complexere taken aan
o Meer verantwoordelijkheid en verbaliteit
Als de groep uit verschillende leeftijden bestaat, is het belangrijk dat je goed rekening houdt met de verschillende leeftijden
Doel (ontspanning/leren)
Leren wordt goed gecombineerd met gezelligheid en leuke dingen doen bij de kinderen
Goede balans zoeken tussen ontspanning en inspanning
o Zo zullen de kinderen beter kunnen werken aan hun taken
Als de ontspanning meer centraal staat, leert het kind zich in een groep te begeven en op te komen voor zichzelf
Heterogeen/homogeen
Heterogeen: de groepsleden verschillen in leeftijd, achtergrond, opleiding, interesses,
Homogeen: de groepsleden delen belangrijk kenmerken zoals leeftijd, achtergrond, opleiding, interesses,
Verantwoordelijkheid ligt bij de begeleider
begeleider is altijd verantwoordelijk voor de groep en is voor de ouders het eerste aanspreekpunt als er iets niet naar wens verloopt
Kinderen ruimte geven om zich te ontwikkelen en te experimenteren met hun gedrag
Vrije keus <-> verplicht
begeleider staat voor de taak om de kinderen ook bij verplichte activiteiten gemotiveerd te houden
Er is altijd een spanningsvel tussen vrije keus en verplicht
Begeleiding bij hechtingsproblematiek
Doordat kinderen met een onveilige hechting zich onzeker voelen en een negatief zelfbeeld hebben, stellen zij zich behoedzaam op naar anderen
o Voorzichtig, oplettend, zorgvuldig
Positieve feedback
door succeservaringen leren kinderen goed en snel waardoor ze positieve feedback beter kunnen verwerken dan de negatieve feedback
Algemene speltips per fase
Vorming Veel ruimte voor kennismakingsspelletjes
Oppervlakkig kennis maken met elkaar
Normering Regels, normen en waarden komen aan de orde
Ruimte en veiligheid bieden zodat iedereen zijn mening kan geven
Bestorming Opdrachten worden uitgevoerd
Mogelijk om voor zichzelf op te komen, kwaliteiten in te zetten en waardering te krijgen van de anderen
Prestatie Geregeld opdrachten doen met de hele groep
Competities tussen de verschillende groepen
Opheffing Raadzaam om een activiteit te plannen waarmee de stap naar de buitenwereld gemaakt wordt
Bv. afsluitingsbbq met de ouders
Vorming: kinderen komen bij elkaar
fase waarin er een nieuwe groep wordt gevormd
Een groep die al langer bestaat, kan ook tijdelijk terugkeren naar de vorming als er een of meerdere nieuwe groepsleden bij komen
Groepsvorming
De basisbehoeften erbij horen
Ieder groepslid gaat in de vorming van zijn beste kant laten zien, zodat de anderen graag in contact met hem willen komen
Exploratief gedrag: verkennen, ontdekken en uitproberen
Inclusievragen Remmerswaal
Wat zijn de voorwaarden om bij deze groep te behoren?
Wie is wel, wie is geen lid van deze groep?
Hoeveel energie en inzet vraagt de groep van me?
Kan ik in deze groep voldoende mezelf zijn?
Welk soort gedrag wordt hier wel en niet geaccepteerd?
Het nut van groepen
Evolutionair oogpunt
vergroten van de overlevingskansen
Bescherming tegen gevaar
Basale behoefte
Praktisch perspectief
met een groep kan je dingen bereiken dat je niet alleen kan bereiken
Persoonlijke ontwikkeling
mogelijkheid om te ervaren wat de consequenties zijn van hun gedrag op een ander en daarmee te experimenteren
Sociale identiteitstheorie
graag bij een groep horen omdat dit jouw sociale status verhoogt
Sociale werkelijkheid categoriseren
helpt om te definiren wie je bent en bepaalt mee jouw sociale normen, wat aanvaardbaar gedrag is
Erkenning voor eigen identiteit
je betekent iets voor een ander, die wordt herkend, je krijgt het gevoel erbij te horen/serieus genomen te worden
Sociale afwijzing
je voelt je niet geaccepteerd of gewaardeerd door de groep
Kinderen maken soms bewust gebruik van de menselijke behoefte ergens bij te horen waardoor ze soms anderen uitsluiten
Angst voor uitsluiting: zich gedwongen voelen zich te conformeren aan de groep
Model van (on)bewust (on)bekwaam
4 fasen in het zich eigen maken van nieuwe kennis, vaardigheden of competenties
Onbewust onbekwaam: je doet wat je doet, zonder erbij stil te staan
Bewust onbekwaam: je merkt dat je iets minder goed afgaat, door feedback of door een ongemakkelijk gevoel
Bewust bekwaam: je hebt een plan gemaakt, geoefend en bent bekwaam geworden
Onbewust bekwaam: het gaat je vanzelf goed, je beheerst een vaardigheid
Groepsfenomenen binnen de vorming
Attributie
wordt afgeleid uit de eigenschappen van ons gedrag
Interne attributie: toeschrijving van het gedrag van een persoon aan interne factoren
o Persoonlijkheid, aanleg, humeur en inspanning
Externe attributie: toeschrijving van het gedrag van een persoon aan externe factoren
o Moeilijkheid van een taak, andere personen, toeval
Fundamentele attributiefout: neiging om het gedrag van een andere te verklaren vanuit de eigenschappen en niet zozeer vanuit de context
Sociale of interpersoonlijke perceptie
eerste indruk: vooroordeel
Interpersoonlijke perceptie snel categoriseren
we delen anderen in categorien in zonder te letten op individuele kenmerken of verschillen
Schemas die mensen in de loop van hun leven construeren
o Schemas: mentale structuren die mensen gebruiken om hun kennis over de sociale wereld te organiseren
Eigen ervaringen spelen een rol en hebben een invloed in welke categorie we anderen zien
o Gebeurtenis: hoe gedraag je je in alle verschillende situaties
o Personen: hoe zitten mensen in elkaar? Wat kan je van hen verwachten,
o Rollen: welk gedrag past bij uiterlijke kenmerken en in een bepaalde rol?
o Attitudes: hoe kijk je naar bepaald gedrag?
o Onszelf: hoe zie je jezelf, wat wil jezelf bereiken?
Stereotypering
heeft betrekking op het cognitieve aspect van sociale categorisatie
Bevat alle kenmerken die met een categorie of groep worden geassocieerd
Vooroordeel en discriminatie
affectieve, gevoelsmatige reactie zonder dat je de persoon of groep kent
Hierdoor sta je hoogstwaarschijnlijk niet open voor een echte ontmoeting of kennismaking
Halo-effect
foutieve conclusie die je trekt over een andere persoon, in de positieve zin
Neiging om meer positieve eigenschappen toe te kennen aan een persoon dan nodig
o Door een eerste indruk of positieve verhalen over de andere
<-> horn-effect
Selffulfilling prophecy
wanneer je verwachting over iemand uitkomt doordat je gedrag die verwachting onbewust veroorzaakt
Projectie
iemand schrijft de ander gevoelens en gedachten toe die eigenlijk bij jezelf horen
Voet-tussen-de-deur
fenomeen waaruit blijkt dat niet alleen iemands attitudes zijn gedrag benvloeden, maar dat andersom zijn gedrag ook zijn attitudes benvloedt
Sociale facilitering
aanwezigheid van anderen heeft een positieve uitwerking op de individuele inbreng van mensen
Prestaties bij eenvoudige taken worden beter als andere mensen daarbij aanwezig zijn
Toetreden tot een groep
Aantrekkelijke groepen
De sociale voorkeur van kinderen verschuift geleidelijk van volwassenen naar leeftijdsgenoten
Psychologische factoren volgens Douglas
Het aanzien van een groep in de ogen van het kind
groepen met stoere kinderen genieten vaak van veel aanzien
De omstandigheden waarin een groep opereert
De mate van interactie tussen de groepsleden
meer contact tussen groepsleden vergroot de aantrekkelijkheid van groepen en is vaak de reden waarom groepen worden opgezocht
Groepsomvang
Het idee dat het een succesvolle groep is
De eigenschappen van individuele groepsleden
Mogen meedoen
Populariteit
populaire kinderen worden sneller toegelaten in een groep
Populariteit is sterk afhankelijk van de waardering van de groepsgenoten
Belangrijke factor hierbij is het repertoire aan sociale vaardigheden
o Goedgehumeurd, enthousiast, aandacht voor anderen,
Waargenomen populariteit
vragen die worden gesteld in de groep waarop iedereen moet antwoorden
o Antwoorden worden visueel afgebeeld in een sociogram
Geliefdheid
niet alle geliefde kinderen zijn populair
Geliefde kinderen zijn vooral aardig en behulpzaam en laten weinig negatief gedrag zien
Populaire kinderen worden gezien als pro- en antisociaal gezien
Strategien om geaccepteerd te worden
bevordert sociale acceptatie
Informatie-aanbod: het kind geeft informatie door
Ik-aanbod: het kind zegt iets over zichzelf
Eisend aanbod: het kind eist een reactie of aandacht van de groep
Instemmend aanbod: het kind is volgzaam, heeft plezier met wat een groepslid doet
Gevoelsaanbod: het kind drukt uit wat het wil, voelt
Onenigheidsaanbod: het kind drukt een afkeuring uit tegenover de groep of een groepslid
Vraag- om-informatieaanbod: het kind vraagt informatie
Eengendergroepjes
In de basisschool worden vriendengroepjes vaak gevormd door leden met hetzelfde gender
o Vriendengroepjes van jongens zijn over het algemeen groter dan die van de meisjes
Sociale dominantie
populariteit en hun acceptatie in een groep wordt bepaald door hun sociale dominantie en assertiviteit naarmate ze ouder worden
Linken leggen met agressie
o Groepen met meer agressie lijken minder goed samen te hangen
Intensievere contacten met leeftijdsgenoten
Tijd: besteden meer tijd onder elkaar dan met kinderen
Zonder volwassenen: volwassenen zijn er nog zelden bij in de omenten dat adolescenten hun vrienden zien
Ander gender: contact met ander gender
Grote groepen: grotere groepen, betere afspiegeling van de maatschappij
Niet mogen meedoen
als het inlevingsvermogen is toegenomen en kinderen meer gaan nadenken over wat er bedoeld zou kunnen worden, gaan ze dingen die anderen zeggen meer op zichzelf betrekken en meer naar zichzelf kijken in relatie tot anderen
Impopulaire kinderen worden sociaal niet geaccepteerd
o Beschikken niet over de juiste sociale vaardigheden
Peergroup
groep waarvan de leden ongeveer een gelijke status hebben wat betreft leeftijd, vaardigheid, opleiding, sociaaleconomische status of eventuele andere kenmerken
Aanbod
impopulaire kinderen blijken meer verkeerde aanbiedingen te doen en hebben hiervoor meer tijd nodig waardoor zij vaker afgewezen of genegeerd worden
Te vaak informatieve vragen te stellen
Te veel over zichzelf te spreken
Het te vaak oneens zijn met de groepsleden
Meer eigen gevoelens en meningen uitspreken dan rekening te houden met anderen
Abrupt nieuwe gespreksonderwerpen introduceren
Aandacht voor zichzelf vragen in plaats van aan te sluiten bij de groep
Hovering
groep in stilte observeren, rond de groep zweven, kijken wat er aan het gebeuren is zonder deel te nemen
Wordt vaak door de betreffende groep genegeerd
Lurking: dergelijk gedrag maar online
mensen die meekijken en lezen in chatrooms/forums zonder zelf iets toe te voegen of te reageren
Theory of mind
beseffen dat anderen ook gedachten hebben: hetzelfde als de jouwe of verschillend
Harmonieuze interactie
Gezamenlijke aandacht: kind moet in staat zijn om aandacht met een ander kind te cordineren
Emotieregulatie: kind dat een goede controle heeft over zijn emoties en zichzelf, waarmee hij in interactie gaat met andere kinderen
Onderdrukken: kind moet in staat zijn om zijn impulsen te onderdrukken
Imitatie: nadoen van het gedrag van een peer bevordert het contact tussen kinderen
Oorzakelijk begrip: causale verbanden onderkennen, inzicht hebben in oorzaak gevolg
Taal: expressievorm voor het aangeven van wensen en gevoelens
Begeleiding: bij elkaar brengen
Faciliteren van de vorming
aanwezigheid van een begeleider is geen voorwaarde voor de vorming van een groep
Indien de begeleider er wel is:
o Creren van veiligheid
o Scheppen van tijd en ruimte zodat de kinderen kunnen exploreren wie de andere groepsdeelnemers zijn en om zichzelf te laten zien
o Geeft aandacht aan elke deelnemer
o Laat het luisteren, kijken naar elkaar, vragen stellen aan elkaar
zo voorkom je stereotypering en vooroordelen
o Bevordert de interactie
Normering: kinderen vormen normen
in begeleide groepen komt normering voor bestorming, andersom bij niet-begeleide groepen
deelnemers willen graag weten hoe alles georganiseerd is, wat de regels zijn en waar ze zich aan dienen te houden
Waardencontract
Aanwezig zijn
Veiligheid
Werken aan de gestelde doelen
Wees eerlijk en respectvol
Laat los en ga verder
Sociaalpsychologische theorien
Groepsdoelen
gezamenlijk doel waar iedereen in de groep van op de hoogte is en dat de groepsleden met elkaar willen bereiken
Functies van groepsdoelen
Richting geven aan het gedrag: groepsdoelen sturen en bepalen
Motiveren en stimuleren: vormen de beweegredenen om te handelen
Conflictoplossing: focus op het doel dat de leden van de groep samen willen bereiken
Beoordeling en evaluatie: functioneren van de groep beoordelen
Als er geen duidelijk groepsdoel is
de groep zal niet goed functioneren, zal niet effectief zijn en zal minder cohesie vertonen
Motivatie neemt af
Meer conflicten
Groepsleden weten niet wat er van hen verwacht wordt
Formele en informele doelen
Formeel: kinderen worden cognitief, sociaal-emotioneel en motorisch gevormd
officile doelen
Informeel: bijbehorende regels die meer betrekking hebben op het leefklimaat
Onduidelijke doelen
de officile doelen zijn niet helemaal duidelijk of de verschillende betrokkenen hebben andere doelen bepaalt
Als dit voor de leiding niet duidelijk is, is het ook niet duidelijk voor de kinderen en dat kan lastige situaties opleveren
Positieve en negatieve doelen
duidelijk verband tussen effectiviteit van de groep en de groepsdoelen
Effectieve groep positieve doelen
Ineffectieve groep negatieve doelen
Bepalen van doelen
kinderen bepalen hun eigen doel op basis van een toevallige samenloop van omstandigheden
Groepsnormen en groepswaarden
Groepsnormen
impliciete of expliciete regel die groepen opstellen m het gedrag van alle groepsleden te regelen
Groepsleden verwachten dat ieder groepslid zich aan de normen houdt
Waarden resulteren in groepsnormen
Een norm werkt ordenen en stabiliserend
o Iedereen weet wat er van hem wordt verwacht en als iemand zich niet aan de norm houdt, kan hij daarop worden aangesproken en uiteindelijk ook buitengesloten worden
Tijdelijke normen
bepaalde rage
In de supermarkt zijn er vaak acties voor kinderen zoals de voetbalstickers
Normen kunnen betrekking hebben op
Taak: hoe dien je te werken, hoe worden cijfers gewaardeerd
Manier van omgaan met elkaar: laat je elkaar uitpraten, wat met conflicten?
Meningen: hoe staat de groep tov pesten, tov de docent, bepaalde religies
Uiterlijk: wat draag je wel/niet ?
Hobbys: welke hobbys zijn in en geschikt voor jongens, meisjes?
Verzamelen: welke games, soaps zijn in?
Idolen: fan van?
Het ontstaan van groepsnormen
Wordt in gang gezet door een of meerdere groepsleden
Groepsleden volgen hierin doordat de leden populair zijn of omdat het dezelfde interesse is
Gezinsnormen kunnen meegenomen worden naar de groep
Individuele normen moeten geen groepsnormen worden, maar het kan wel gebeuren
Overtredingen
niet elke norm is even belangrijk, dus de ene zal een grotere afkeuring hebben dan een andere
Belang van een norm is goed zichtbaar als deze door een groepslid geschonden wordt
Als een groepslid de norm blijft overtreden dan kan het zijn dat de groep hem zal negeren of uit de groep zal zetten
Positieve en negatieve groepsnormen
Positieve groepsnormen: omgangsregels worden als positief beleefd
Negatieve groepsnormen: alleen de mening van de hardst roepende telt maar ook probeert iedereen zijn gelijk te krijgen en zijn er vaak problemen of conflicten
Sociaalpsychologische processen
Groepsdruk
de door een persoon ervaren druk van de groep om zich te conformeren
Angst voor afwijzing: kan ertoe leiden dat mensen zich aanpassen aan anderen zelfs al weten ze dat de andere geen gelijk heeft
Onzekerheid: in onzekere situaties zijn de mensen geneigd om raad te vragen bij anderen
Populariteit: hoe competenter een kind zich voelt, hoe minder gevoelig het is voor de invloed van de groep en hoe meer het zijn eigen keuzes maakt
Bystander effect
hoe meer mensen bij elkaar zijn, hoe minder ze geneigd zijn een persoon in nood te helpen
Er is vaak een onduidelijkheid over wie er gaat helpen en iedereen denkt dat uiteindelijk een andere het wel zal doen
Groepspolarisatie
neiging van groepen om besluiten te nemen die extremer zijn dan wat de groepsleden aanvankelijk voor ogen stonden
Als iedereen in het begin voorzichtig is, weinig risico genomen wordt, zal het groepsstandpunt voorzichtiger zijn
Als er vanaf het begin risico genomen wordt, zal ook het groepsstandpunt risicovoller zijn
Model van gepland gedrag (Van Engelen)
Model van Heider
balanstheorie: de relatie tussen 3 elementen dient positief te zijn om in balans te zijn
Triade kan in balans zijn on in onbalans
o Als de triade in onbalans is voelt deze ongemakkelijk
Sociale vergelijking
in een beschrijving van jezelf zal je spontaan de onderscheidende kenmerken vermelden
Begeleiding van de normeringsfase
Groepsnormen
er kan aan een positief klimaat gewerkt worden als er positieve groepsnormen zijn
Positief groepsklimaat houdt in:
o Eerlijkheid en openheid tussen de groepsleden
o Respect voor elkaar
o Positief communiceren
o Iedereen werkt samen en helpt elkaar
Conformeren aan normen
Regels en normen die de groep zelf hebben gesteld, blijven tot stand
Groepsdiscussie is de effectiefste manier om groepsnormen tot stand te brengen
3 manier waarop iemand zich aanpast aan de groepsnormen (Kelman)
Volgzaamheid: doen wat de andere verwacht, gezien er een soort controle op het gedrag is
Identificatie: doen wat de andere doet, omdat je vereenzelvigt met de andere (rolmodel)
Internalisatie: wat eerst van buitenaf komt, wordt uiteindelijk verinnerlijkt
o Het bestaan van de normen wordt erkend
o De normen dragen bij tot realisatie van het groepsdoel
o Het ervaren dat de normen van hen zijn
o Bij overtreden van de normen wordt men tot de orde geroepen
o Er zijn adequate voorbeelden rolmodel
o Er is flexibiliteit binnen de normen
Eigen normen en waarden van de begeleider
van groot belang dat de begeleider zijn eigen waarden, normen en grenzen weet
Reflecteren
meer zicht krijgen op de oorzaken van je handelen en dus jouw waarden, normen, gevoelens en doelen
Persoonlijk functioneren: stilstaan bij wie je bent en wat je motivatie, doelen, waarden en normen zijn
Beroepsmatig handelen: je richt je op het methodisch handelen
Persoonlijk beroepsmatig handelingen in de maatschappelijke context: kijken naar de context van jouw functioneren en handelen
Feedback
terugkoppeling: vertellen hoe je de ander waarneemt en ervaart
Om vanuit een ander perspectief zicht te krijgen op je eigen normen en waarden en je gevoel te krijgen, kun je je handelen bespreken met een collega
Ontvangen feedback kan je meenemen in jouw reflectieverslag
Moreel denken stimuleren
Aandacht van het kind wordt op de volwassene gericht en het kind doet mogelijk wat hem gevraagd wordt uit angst anders afkeuring te ondervinden
Directe en indirecte morele educatie
Direct: nadruk gelegd op bestaande waarden en karaktertrekken
Indirect: kinderen worden aangemoedigd om hun eigen waarden en die van anderen te definiren en daarna deze waarden ook te onderbouwen
Waardeverheldering
belangrijke vorm van indirecte morele educatie waarbij aan leerlingen vragen of dillemas worden voorgelegd waarop zij individueel of in kleine groepjes moeten reageren
Helpen om hun eigen waarden en normen te bepalen en die van anderen te begrijpen
Bestorming: kinderen aan de leiding
Bestorming
groepsleden proberen de groep zodanig te benvloeden dat die optimaal in hun behoeften voorziet
Bij onbegeleide groepen vindt de bestorming plaats voor de normering
De basisbehoefte invloed hebben
Personen gaan zich meer profileren en krijgen meer behoeft om hun eigen ideen, wensen, keuzes aan de anderen kenbaar te maken en daarin gehoord worden
Afhankelijk van een aantal factoren:
o Karkater: is het kind of de jongeren een eenling of sociaal dier?
o Ervaringen: welke rollen had hij in vorige groepen en hoe voelde hij zich daarbij?
o Onderwerp: waar gaat het gesprek of de opdracht over?
o Groepssamenstelling: wie zijn de anderen? Hoe groot is de groep?
o Soort groep: wat is het groepsdoel? Is het een drukke of rustige groep?
o Duur groep: als de jongere weet dat het van lange duur is, gaat hij meer moeite doen
o Populariteit: wordt het kind geprezen en gewaardeerd?
Vanuit de sociale psychologie: wie wordt de baas?
Populariteit
de mate waarin een groepslid invloed heeft, hangt veelal samen met de mate van zijn populariteit
Kinderen die aardig, behulpzaam en sociaal vaardig zijn, zijn het populairst op de basisschool en hebben ze veel invloed op hun vrienden
o Veranderen wel nog snel van status: kinderen hebben steeds nieuwe favorieten en dus ook nieuwe vrienden
Naast geode en sociale vaardigheden moeten de populaire pubers ook nog andere positieve kenmerken hebben zoals aantrekkelijk uiterlijk of goed zijn in sport
o Kunnen manipulatief en agressief zijn maar stellen soms ook normoverschrijdend gedrag
Wanneer er in een klas gepest wordt, wordt deze norm vaak bepaald door de populairste kinderen in de klas
o Als zij betrokken zijn bij het pesten, wordt het pestgedrag door de anderen minder negatief gewaardeerd
BASISSCHOOLLEERLINGEN PUBERS VOLWASSENEN
WIE HEEFT ER INVLOED? Kinderen die aardig, behulpzaam en sociaal vaardig zijn Jongeren met goede sociale vaardigheden en andere positieve kenmerken, maar ook met manipulatief, agressief en normoverschrijdend gedrag Volwassenen die aantrekkelijk en vriendelijk zijn, die genteresseerd zijn in anderen en een positieve houding hebben
ZIJN ZIJ GELIEFD? Ja Veelal niet, eerder gevreesd Ja
IS DE INVLOED BLIJVEND? Meestal niet, omdat kinderen nog snel van status veranderen Meestal niet, maar door vrienden om zich heen te verzamelen die minder scoren versterken ze hun populariteit en daardoor hun invloed Meestal wel
WAT WETEN ZE ZELF? Ze weten wanneer ze hun brede gedragsrepertoire moeten inzetten Veelal weten ze wie ze op welk moment kunnen manipuleren Ze weten dat ze invloed op anderen hebben
Theorien over leiderschap
iemand die een groep mensen ertoe kan bewegen zich in te zetten voor een gemeenschappelijk doel, oftewel een groepsdoel
Theorie van de geboren leider: bepaalde eigenschappen zijn gekoppeld aan een goede leider
o Ongeacht de situatie
o Moderne benaderingen; accesnt op het charisma van de leider
vermogen om zijn denkwijze op anderen over te dragen
o Naast de eigenschappen moet je ook de juiste persoon op de juiste plek en op het juiste moment zijn
Benvloedingstheorie: wederkerige relatie tussen leiders en volgelingen waarbij men beiden van iets ontvangen
o Leider verwerft status en krijgt erkenning en respect
o Leider voorziet in structuur, sturing en middelen
Theorie van gemeenschappelijk belang: situationeel leiderschap
o Taakgericht leiderschap: gericht op het vervullen van de taak
o Relatiegericht leiderschap: gericht op het bewerkstellingen van goede werkrelaties
Onderzoek naar leiderschap bij kinderen
Groepen die in meerderheid uit meisjes bestaan, komt minder taakgericht leiderschap voor
Zelfperceptie van zich ontwikkeld leiderschap bij een leerling hangt samen met zijn perceptie van positieve groepsinteracties
Belangrijke zaken op vlak van betrekking tot de rollen die de kinderen innemen:
o Invulling van de invloedrijke, leidende rol kan variren
o Invulling is afhankelijk van het groepsdoel
o Invulling van de rollen wordt dan ook bepaald door het feit dat de groep een positieve, negatieve of neutrale groep is
Conflicten en conflicthantering
onverenigbare doelstellingen tussen 2 of meer mensen
Een conflict gaat altijd ergens over en speelt zich altijd af tussen mensen
Coperatieve relatie: groepsleden streven gezamenlijke doelen na
Competitieve relatie: groepsleden streven tegengestelde doelen na
Belangenconflict door;
o Verschillende wensen, behoeften, doelstellingen en waarden
o Schaarste aan middelen, zoals macht, invloed, populariteit
o Rivaliteit
Destructief conflict: woede, vijandigheid, geweld, verdriet, opwekken
Constructief conflict: gericht op gemeenschappelijke resultaten en leiden tot een akkoord
Assertiviteit: het uiten van je gedachten, gevoelens en meningen op een directe, eerlijke en bij de situatie passende wijze die zowel respectvol is naar jezelf als naar de andere
Conflicthanteringsstijlen
Machtsgebruik
om invloed te hebben, heb je macht nodig
Macht: vermogen om de resultaten voor onszelf, voor anderen en de omgeving te benvloeden
Direct machtsgebruik: het uitoefenen van machte in interacties met anderen
Indirect machtsgebruik: het uitoefenen van macht via groepsnormen en -waarden
Om gemeenschappelijke doelen te kunnen realiseren, moet er gebruikgemaakt worden van macht en dat de macht door de betrokkenen gedeeld wordt
Verschijningsvormen
Dwang: met chantage, dreiging of fysiek geweld iemand dwingen om bepaalde handelingen uit te voeren
Gezag: iemand die geaccepteerd is door de partij met minder macht
o Sprake van legitieme macht
Manipulatie: macht wordt uitgeoefend zonder medeweten van de betrokkenen
Machtsbronnen
macht ontlenen aan verschillende bronnen
Belonen: positieve gevolgen verbinden aan het gedrag
Straffen: negatieve gevolgen verbinden aan het gedrag
o Straf kort
o Straf direct
o Wees consequent
o Straf evenredig aan de overtreding
o Benoem het gewenste gedrag
Geliefdheid/populariteit: uit respect en sympathie
Deskundigheid: bijzondere kennis of vaardigheden
Legitimiteit: door positie, leeftijd of verantwoordelijkheid
Constructief machtsgebruik
De macht wordt gebruikt om de effectiviteit van de groep te vergroten
Machtsgebruik is meer gericht op het belang van anderen dan op eigen belang
Machtsgebruik vindt plaats met instemming van de andere groepsleden
Machtsmisbruik
Stanford-gevangenisexperiment van Zimbardo: mensen in machtsposities kunnen verleid worden tot machtsmisbruik
o Wordt nog meer versterkt door de ervaren groepsdruk van de medespelers
Elektrische schokken van Milgram: geven van elektrische schokken
o Hoe ver gewone mensen bereid zijn te gaan in het gehoorzamen van een autoriteitsfiguur
Ik ben de baas
Waarom kinderen de baas willen zijn
als baas heb je controle, kan je bepalen wat er gebeurt en heb je invloed op anderen
Controleproblemen kunnen leiden tot dwangmatig gedrag, extreem bazig zijn, moeite met delen
Domineren versus leiderschap
Domineren: anderen dwingen handelingen uit te voeren in je eigen belang
Leiderschap: het begeleiden van anderen naar een gezamenlijk doel
Een goede leider
Nature versus nurture
Nature: erfelijke factoren
Nurture: omgevingsfactoren
Sociale intelligentie
vermogen dat mensen in staat stelt gestalte te geven aan hun gerichtheid op andere mensen
Identiteit
gevoel hebben over wie je bent, gebaseerd op wie je bent geweest en hoe je je realistisch zou kunnen voorstellen om in de toekomst te zijn
Omgeving heeft hierin een grote invloed
Zelfbeeld wordt gevormd door interacties met anderen
Invloed uitoefenen
unieke mogelijkheid tot het opdoen van ervaringen die voort kunnen komen uit gelijkheid in relaties
Horizontale interacties: mogelijkheden om ervaringen op te doen op het gebied van onderhandelen, samenwerken, conflicthantering en affectie op basis van gelijkheid
Als een kind meer weet over de groep, zoals waarden en normen, zal het meer invloed willen krijgen
Leidinggeven
om als begeleider de groep kinderen/jongeren te begeleiden, heb je hun medewerking nodig: inzet, aandacht en orde
Sociale-uitwisselingstheorie
Kinderen hebben hun begeleider nodig om iets te leren, ongestoord opdrachten te maken, beschermd te werden, geprezen te worden en hun een gevoel van eigenwaarde vergroten
Autoriteit hanteren in bestorming
gebeurentissen erkennen als onderdeel van het groepsproces
Belangrijk dat de begeleiders weten wat hun rol is in dit proces
Hoe langer kinderen een groep vormen, hoe meer invloed ze hebben op andere kinderen binnen die groep en hoe minder snel ze de autoriteit van de nieuwe begeleider zullen accepteren
Dingen die helpen om de autoriteit op punten te zetten:
o Ken de organisatie
o Werk vanuit een visie
o Besef wie je zelf bent
o Werk met een team
o Houd contact met de ouder/context
o Houd kinderen zo veel mogelijk onder je leiding
Het begeleiden van conflicten
Stap 1: ventileren
zorg ervoor dat de kinderen hun hart kunnen luchten
Geef ruimte aan emoties, maar laat dat niet eindeloos voortduren
Laat je niet door die emoties benvloeden
Vat genuanceerd samen
Stap 2: verduidelijken
vat in eigen woorden samen welke inhoudelijk punten er naar voren zijn gebracht
Verwoord de belangen en standpunten van de betrokkenen
Stap 3: ontwikkelen van wederzijds begrijp
kinderen proberen invoelen waarom hij dat doet zoals hij het doet en snappen wat zijn belang is
Stap 4: werken aan de oplossing
oplossen van het eindelijke conflict, zodanig dat beide partijen er vrede mee hebben en het gevoel hebben gehonoreerd te zijn
Prestatie: kinderen maker er wat van
Prestatie
groepen werken aan hun groepsdoel
Minder energie en tijd steken in het handhaven van een goede onderlinge sfeer en/of het oplossen van verschillen van mening
Soorten groepen
Positieve groepen
er is een hirarchie gegroeid die berust op samenwerking
Conflicten worden opgelost
Positieve doelen worden gesteld
Negatieve groepen
sfeer van concurrentie en machtsstrijd moeten alle groepsleden hun eigen veiligheid bewaken
Kost veel energie en tijd
Negatief invloed
Neutrale groepen
groepsdoel staat niet vast en varieert
Leidinggevende functies worden door wisselende groepsleden ingevuld
Prestatieniveau
Pseudogroepen
leden moeten samenwerken terwijl zij daar geen belang bij hebben
Ze geloven dat ze beoordeeld worden in termen van degen die het meest presteert tot degene die het minst presteert
Traditionele groepen
leden hebben te horen gekregen dat ze met elkaar moeten samenwerken en hebben deze opdracht geaccepteerd
Geloven dat ze als individu beoordeeld en beloond zullen worden
Effectieve groepen
leden zetten zich in voor zowel hun eigen succes als dat voor andere
Geloven dat hun succes afhankelijk is van de inspanningen van alle groepsleden
Zeer succesvolle groepen
leden beantwoorden aan alle criteria voor een effectieve groep
Wederzijdse zorg voor elkaars persoonlijke ontwikkeling kan de groep ver boven verwachtingen presteren en veel plezier beleven
Bereidheid van het individu om zich in te zetten voor het groepsdoel
Verplicht samenwerken, zonder het belang ervan in te zien is niet effectief
Individuele beoordeling en/of beloning zijn niet bevorderlijk voor de samenwerking
Het is van groot belang dat de groepsleden de opdracht accepteren
Als de groep graag wil samenwerken, komt dit de groepsprestatie ten goede
Investeren in de groep = persoonlijke belangen moeten worden opgeofferd
Samenwerken
speelt een grote rol in de prestatiefase
Positieve afhankelijkheid
zelf zo productief mogelijk zijn of de productiviteit van alle groepsleden zo groot mogelijk maken
Als de groepsleden beseffend at ze met elkaar verbonden zijn om te slagen
Om de taak tot een goed einde te brengen dienen inspanningen op elkaar afgestemd te zijn
Individuele aansprakelijkheid en groepsverantwoordelijkheid
Social loafing: gevaar dat je zal meeliften met de bijdragen die andere groepsleden leveren
Groepsleden aanspreken op hun aansprakelijkheid, zorgt voor een betere samenwerking
Groepsaansprakelijkheid: groepsprestatie wordt beoordeeld en alle groepsleden over het resultaat genformeerd worden met de bedoeling om de uitkomst te vergelijken
Directe en positieve interactie
Positieve interactie: groepsleden helpen elkaar en staan elkaar bij
Naarmate de groep groter wordt, neemt namelijk de frequentie waarmee de groepsleden communiceren af en dat heeft negatieve gevolgen voor de onderlinge interactie
Adequaat gebruik van sociale vaardigheden
als mensen hun pogingen om een gemeenschappelijk doel te bereiken op elkaar willen afstemmen, moeten ze elkaar leren kennen en vertrouwen
Sociale vaardigheden = the key
o Bevorderen zowel prestaties van de groepsleden als de ontwikkeling van meer positieve relaties tussen de groepsleden
Groepsreflectie
regelmatig stilstaan bij jouw eigen functioneren en wat daaraan verbeterd zou kunnen worden
Persoonlijk contact
draagt bij aan een gevoel van veiligheid
Instrumentele ondersteuning: functionele hulp krijgen
Informationele ondersteuning: meer duidelijkheid over sociale werkelijkheid
Waardeondersteuning: erkenning en waardering krijgen wat goed is voor jouw zelfbeeld
Emotionele ondersteuning: gevoelens ontvangen van acceptatie, warmte en vertrouwen
Afhankelijkheid
wanneer kinderen deel uitmaken van een groep en samen een prestatie moeten leveren, is er spraken van onderlinge afhankelijkheid
Coperatieve afhankelijkheid: groepsleden hebben dezelfde belangen
Competitieve afhankelijkheid: groepsleden hebben tegengestelde belangen
Coperatief gedrag bevorderen
belonen is niet altijd de goede methode, als de beloning wegvalt verdwijnt ook het coperatief gedrag
Vooraf wijzen op het collectieve belang waarbij ieders inzet nodig en belangrijk is
Identificatie met de groep bevorderen
Individueel gewin versus groepsgewin
wat het beste is voor een individu, is niet altijd het beste voor de groep
Sociaal dilemma: conflict tussen eigen belang en groepsbelang, waarbij een gunstige actie voor een individu schadelijk is voor iedereen als de meeste mensen voor eigen belang kiezen
Wij versus zij
Eigen groep wordt beter gevonden dan de andere groep
Eigen resultaten en/of activiteiten worden aantrekkelijker gevonden
Eigen groep wordt als heterogeen gezien, de andere als homogeen
Groep heeft de neiging tot discriminatie is het voordeel van de ingroup
Ingroup vs outgroup
Ingroup: categorie of groep waartoe mensen zichzelf rekenen
Outgroup: categorie of groep waartoe mensen zichzelf niet rekenen
Verschil tussen sociale identiteitstheorie en sociale vergelijkingstheorie
wie ben ik als persoon en waar ga ik mezelf gaan vergelijken met anderen (sociale identiteitstheorie) vergelijking met andere groep, hoe verschilt onze groep met een andere (sociale vergelijkingstheorie)
Competentie tussen groepen
beperkt de communicatie, leidt tot een conflict
Groepscohesie neemt toe
Vastere hirarchie
Beeldvertekening; eigen daden worden als veel beter gezien
Negatieve stereotypen over de anderen
Anderen worden gezien als de vijand
Groepsleden voelen zich gauw aangevallen
Interactie tussen neemt sterk af
Taakgerichtheid neemt toe
Wat doe ik?
Presteren
Sociale orintatie
benvloedt de invloed van de prestaties
Competentiebeleving in een groep
prestaties van de kinderen lijken afhankelijk van hoe zij zich voelen en hoe zij zichzelf beleven ten opzicht van hun leeftijds- en groepsgenoten
Status en prestaties
Bij oudere leerlingen is er een duidelijk verband tussen het prestatieniveau of de leerstoornis en de sociometrische status
Minder presteren betekent een mindere status in de groep
Ik ben de beste
Samenwerken
individuele eigenschappen en vaardigheden van de kinderen spelen een grote rol bij het samenwerken
Formeren: elementaire sociale vaardigheden leren
o Vormingsfase en normeringsfase
Functioneren: sociale vaardigheden die je nodig hebt om de taak tot een goed einde te brengen
o Bestormingsfase
Formuleren: sociale vaardigheden die maken dat groepsleden in staat zijn om te overleggen
o Prestatiefase
Gisten: sociale vaardigheden die ervoor zorgen dat je nieuwe ideen kan ontwikkelen
o Prestatiefase
Zelf uitleggen is leerzamer
piramide van leren: als de docent 2u lang gewoon leerstof geeft zonder
opdrachten, zal de leerstof niet zo lang blijven zitten bij de leerling
Ik durf dat niet
Faalangst
angst om fouten te maken of om niet voldoen aan verwachtingen te komen tijdens een taak
<-> sociale angststoornis: angst om afgewezen of negatief beoordeeld te worden door mensen die belangrijk voor je zijn
De opwindingsparabool
om goed te presteren, is er een zekere opwinding nodig
Opwindingsniveau is laag: wordt er niet gepresteerd
Opwindingsniveau te hoog: wordt er niet gepresteerd
Arousal en moeilijke taken
angst kan ervoor zorgen dat net die arousal er is om goed te presteren, maar teveel angst is niet goed
Oorzaken van te sterke arousal:
o Driften en stimulansen: honger, pijn, plezier
o Omgeving: lawaai, licht, kleur
o Gebeurtenis: verrassend, nieuw, ingrijpend
o Chemische middelen: cafene, drugs, medicijnen
Sociale faalangst
angst om afgewezen of negatief beoordeeld te worden door mensen die belangrijk voor je zijn
Begeleiding van de presterende groep
Samenwerking in groep
Positieve groep: staat open voor een voorstel van buitenaf
Negatieve groep: alles is geconcentreerd op de enige leider binnen de groep
Neutrale groep: leidende functies zwak ontwikkeld
Doelen stellen
groepen hebben doelen nodig
SMART(I)
o Specifiek
o Meetbaar
o Acceptabel
o Relevant
o Tijdsgebonden
o Innoveren
Effectief samenwerken
Positieve afhankelijkheid bevorderen: benadrukken dat de groep haar doel alleen kan bereiken als alle groepsleden zich daarvoor inzetten
Meeliften voorkomen: groepsleden aanspreken op hun persoonlijke verantwoordelijkheid
Bevorderen dat groepsleden elkaar leren kennen
Goede studieprestaties en sociale vaardigheden belonen
Beeld van groepen en relaties binnen de groep
als begeleider is het belangrijk om zich te hebben op de groep, subgroepen en de relaties die de kinderen met elkaar hebben
Omgaan met faalangstige kinderen
opletten met de uitspraken die je doet als ouder/begeleider, zo interpreteren faalangstige kinderen volgende zinnetjes:
Doe je best: net of het resultaat er niet toe doet
Doe me een plezier: maak me niet boos, stel me niet teleur,
Wees sterk: spanning en gevoelens verbergen
Schiet op: plezier in taken en afronding belemmeren
Wees perfect: lijkt alsof het nooit goed is
Wees de beste: stimuleert concurrentiestrijd
Opheffing: kinderen laten los
Opheffing
de groep valt uit elkaar
Deelnemer verlaat de groep
Groepssamenstelling wordt anders
Groep heeft de taak volbracht
Visie op de opheffing
taakgericht aspect (hoe gaat het nu verder?) en gevoelsmatig aspect (afscheid)
Exitgedrag: gedrag van individuen ten opzichte van de groep dat in het teken staat van vertrek
Afronden van affectie
in de laatste opleving van openhartigheid, komen positieve en soms negatieve gevoelens direct of indirect aan bod
Voltooid verleden tijd: Ik heb genoten van je grappen
Afronden van controle
veel zaken die eerst zo belangrijk leken dat de hele groep moest meebeslissen, worden nu overgelaten aan een of enkele personen
Afronden van inclusie
groepsgrenzen oplossen
Ik stap eruit
sociale ruiltheorie
Veronderstelt bovendien dat er een evaluatie van kosten en bate voorafgaat aan de beslissing van een persoon om wel of niet moeite en tijd te investeren in het handhaven van sociale relaties
Afscheid nemen van je groep
afscheid nemen is stilstaan om verder te gaan
Afscheidsrituelen
overgangsrituelen: uitvoering van min of meer onveranderlijke opeenvolgingen van formele handelingen en uitingen
Het is niet wetenschappelijk bewezen dat zon ritueel het afscheid makkelijker maakt
Zelf verder
na het afscheid moet je verder
Hechte groepen of groepen die iets ingrijpends hebben meegemaakt, blijven vaak nog contact houden met elkaar
o Beschikken over voldoende sociale vaardigheden
Overgang naar puberteit
jongeren vormen nieuwe groepen waarbij ze aansluiting zoeken aan leeftijdsgenoten wij wie ze iets herkennen van zichzelf
Eenzaamheid
er wordt contact gemist dat iemand wel zou willen hebben
Eenzaamheidsgevoelens komen vaker voor in periodes van grote veranderingen en de overgang naar een nieuwe fase
Sociale eenzaamheid: niet toe een bredere groep behoren en niet bij horen
Emotionele eenzaamheid: afwezigheid van een warme, intieme vriendschapsrelatie
Chronische eenzaamheid: eenzaamheidsgevoelens verdwijnen niet
o Gebrek aan copingsmechanismen
kind beschikt niet over de nodige sociale vaardigheden of copingsmechanismen om stress te reduceren
Afsluiten
Faciliteren van het afscheid en begeleiden van de transfer
Houd de groepsleden de realiteit voor: waarneem het rouwgevoel en praat erover
Maak de groepsleden bewust wat er gaande is: zaken die spelen signaleren
Blik terug op de hele geschiedenis van de groep: herinnering over volledige periode als groep
Help de groep een gedenkteken op te richten: iets tastbaars bv. een foto
Stel de groep gerust: veilige plaats maken voor een nieuw avontuur
Kinderen in speciale groepen
Vrijetijdsgroepen
3e milieu
Mogelijkheden om vrije tijd op een zinvolle manier door te brengen
Sportgroepen
dragen bij aan de persoonlijke en sociale ontwikkeling van de kinderen en jongeren
Doelen van sport
PRIMAIRE DOELEN SECUNDAIRE DOELEN
MICRO (INDIVIDU) Gezondheid en bewegen
Zinvolle vrijetijdsbesteding bevorderen
Sportieve prestaties leveren Normen en waarden overdragen
Karaktervorming
Kansen in de samenleving vergroten
Sociale vaardigheden verbeteren
MESO (GROEP) Jongeren bereiken Ontmoeting en sociale contacten bevorderen
MACRO (SAMENLEVING) Sport- en spelklimaat creren Probleem signaleren en voorkomen
Leefbaarheid in de wijk verbeteren
Sociale cohesie bevorderen
Wijkbewoners activeren
Belang van succeservaringen
succeservaringen opdoen, benvloeden het zelfvertrouwen, competentie en motivatie
Pedagogisch sportklimaat
goede ervaringen opdoen ter ondersteuning van de persoonlijke, sociale en motorische ontwikkeling
Ontwikkelingsgericht: ondersteuning in de persoonlijke en sociale ontwikkeling, gericht op autonomie
Zorgzaam: door communicatie en interactie worden de waarden en normen overgedragen
Motiverend: plezier is het motief om aan sport te doen
Sociaal veilig: het moet voor iedereen duidelijk zijn wat er gebeurt als er ongewenst gedrag wordt vertoond
Groepsgrootte en individuele inzet
de grootte van de groep heeft invloed op de groepsprestatie
In grotere groepen is het voor de coach moeilijker om de trainingen te cordineren, alle spelers in te zetten in wedstrijden, iedereen van instructie te voorzien bij de training
Bevorderen van de individuele inzet bij groepsprestaties:
o Zorg dat je de individuele prestaties blijft zien
o Concrete feedback op individu
o Zorg dat elk individu een unieke taak heeft, verantwoordelijkheid
o Stimuleer de groepscohesie
o Elk individu moet zich bewust zijn dat zijn bijdrage belangrijk is
Groepscohesie
neiging van groepsleden om elkaars gezelschap op te zoeken en als groep bij elkaar te zijn en te blijven
3 aspecten:
o Groep onderscheidt zich van de andere groepen en is samen 1
o Groepsstructuur is duidelijk: normen en posities zijn gekend
o Groepsprocessen verlopen goed: voldoende en effectieve communicatie
Motivatie
Intrinsieke motivatie: je doet iets omdat je het zelf leuk vind
Extrinsieke motivatie: je doet iets vanwege een beloning
Recreatieve groepen
muziekgroepen, dansgroepen, knutselgroepen, buurthuizen, scoutingsgroepen
Tips voor het begeleiden van activiteiten met recreatieve groepen
Bereid activiteiten goed voor
Zorg voor een goede opbouw
o Inleiding: opwarmertje
o Middenstuk: wat het doel is + instructies over de opdracht
o Afronding: evalueer je op het gestelde doel
Geef duidelijke instructie:
o Doel
o Wanneer de opdracht start, eindigt
o Tijdslimiet
o Terrein
o Verloop
o Regels
o Welk materiaal gebruikt mag worden
Veiligheid en sfeer
Agressie en procosicaal gedrag door groepsleden
Hanggroepen
jongeren die op openbare plekken in woonbuurten bij elkaar komen en overlast veroorzaken
Geen formele leider
Ontspanning
Elkaar ontmoeten
Observeren en leren van het gedrag van de andere
Plezier maken
Erbij horen
Uitwisselen van ervaringen
Ondersteuning als er problemen zijn
Komt de ontwikkeling van de sociale identiteit ten goede
Mogelijk om te experimenteren
Geen toezicht van volwassenen ontbreken van formele structuur
Experimenteren met sociale contacten, vriendschappen, intimiteit en onderhandelingsvaardigheden
Overlast
Ontstaat wanneer jongeren samenkomen, vooral uit verveling:
o Door problemen met het invullen van vrije tijd of doordat er weinig tot geen aandacht is voor school of werk
Ontstaan er problemen met omwonenden, buurtwerkers, politie
Vaak omdat de jongeren niet beschikken over geaccepteerde sociale vaardigheden om zich te handhaven in de maatschappij
Sociometrische aspecten
Rangorde: informele leiders die dominant zijn ten opzichte van de lager geplaatste leden
Behoefte aan erkenning: je gedragen naar de normen van de (hang)groep
Groepswaarden: eigen waarden die (sterk) afwijken van de maatschappelijke waarden
Behoefte aan veiligheid: een hanggroep kan veiligheid bieden naar de leden toe
Soorten hanggroepen
Prettige hanggroepen: tijd samen besteden ze constructief en zorgen niet voor overlast
Hinderlijke hanggroepen: proberen voorzichtig de grenzen uit, alcohol, drugs, lichte delicten, provocatie en geluidsoverlast
Overlast gevende hanggroepen: antisociaal, geweldpleging, criminele activiteiten zijn berekender, er is drugshandel, agressief ten opzichte van gezaghebbers
Criminele hanggroepen: frequenter, breder en in ernstige matig alle negatieve activiteiten, met oog op financieel gewin
o Eerder voor de kick
Groepsverbanden
Chillers en pacers: komen en gaan van groepsleden
o Leden beschouwen elkaar min of meer als bekenden uit de buurt
o Geen leider, geen aangewezen hoger of lager geplaatste groepsleden
Matties en bradas: beschouwen elkaar als echte vrienden
o Delen zowel leuke als minder leuke ervaringen
Uitgaansgroepen: verlaten de buurt om ergens anders ontspanning te zoeken zonder inmenging van volwassenen
o Gezelligheid en ontspanning
o Leider van de groep is degene die weet waar goede winkels, feestjes, zijn
Buurthuisgroepen: leden die worden samengebracht door activiteiten die door volwassenen worden georganiseerd
Werkgroepen: korte duur en varieert sterk in samenstelling
Relgroepen: actiefste relschoppers
Groepscriminaliteit
Overheidsbonden verklaringen voor de daling van jeugdcriminaliteit
Stedelijke vernieuwing: dus renovatie of sloop en nieuwbouw
Vroegsignalisering: zo vroeg mogelijk in beeld brengen van problemen en vroegtijdige hulpverlening
Aanpak van risicojeugd en gezinnen
Ketensamenwerking: bv politie met scholen, jeugdzorg
Gelegenheidsbeperkende en technopreventieve maatregelen: campagnes, alarmsysteem, cameratoezicht,
Criminele carrire
Jonge veelplegers wegen vaak lang af of ze zullen doorgaan of stoppen
o Stoppen als het criminele leven niet meer bij hen past, de inkomsten tegenvallen, de lol eraf is, ze de stress niet meer willen, er geen toekomst in zien en/of er zich te oud voor voelen
Een klein deel gaat door:
o Vroege voorspellers van een (aanhoudende) criminele carrire:
spijbelgedrag, pestgedrag, context, deelname aan een criminele jeugdgroep
Slechts een klein deel groeit door naar de zware en georganiseerde criminaliteit
o Vaak al heel jong (-16) met nep- of zelfs echte wapens buurtbewoners bedreigen, medepassagiers aanvallen, een overval (proberen te) plegen
Verklaringen voor problematisch en/of crimineel gedrag van groepen
problematisch gedrag van hanggroepen kan vanwege de persistentie en de ernst niet worden gezien als leeftijdsadequaat pubergedrag
Omgaan met hanggroepen
Judo- en karateaanpak
strategie waarbij de aanspreken van de hanggroep soms moet meebewegen en som haar op de tanden moet hebben
Leg positief en respectvol contact
Maag geen verwijten over het gedrag
Laat in gedrag rust, kracht en controle zien
Leg uit waarom een bepaalde regel bestaat
Zorg ervoor dat de ander geen gezichtsverlies lijdt
Vaak zeer effectief om d jongen in kwestie in de positie van de helper te brengen
Positieve rolmodellen
personen waarvan het gelukt is om bijvoorbeeld de criminele carrire achter zicht te laten
Inzet van kunst en cultuur
meer betrokken zijn bij kunst en cultuur gaat gepaard met minder antisociaal of gecriminaliseerd gedrag: betere zelfbeheersing
Prosociaal gedrag in groepen
gedrag dat en goede komt aan een ander, waaronder helpen, doneren, delen en troosten
Reciprociteit speelt een cruciale rol
mensen geloven dat anderen hen zouden moeten helpen als zij die anderen hebben geholpen
Leefgroepen
Wat is een leefgroep?
voor kinderen en jongeren die niet thuis kunnen of mogen wonen
Leven in een leefgroep
Centraal gegeven: daar leven de jongeren in groep en worden heel wat activiteiten georganiseerd
Therapeuten komen de kinderen, jongeren halen voor individuele- of groepstherapie
Kinderen en jongeren met gedragsproblemen, omgevingsfactoren, ontwikkelingsproblemen zitten vaak samen in een leefgroep
Zorgt voor een bijzondere groepsdynamiek in de leefgroep
o Wisselend verloop van opnames zorgt ook voor een steeds wisselende dynamiek
o Fugue (weglopen), automutilatie,
Anderzijds ook een merkwaardige verbondenheid
o Jongeren zoeken elkaar naast de opname ook op
Communicatieniveau vaak laag: TAAL of toch het onder woorden krijgen
Een leefgroep begeleiden
Kok (2005) opvoeden is een doorlopend proces dat nooit stilstaat: dus ook in een leefgroep
In een leefgroep wordt er hoofdzakelijk gereageerd op storend gedrag
Verblijf in een leefgroep gaat vaak gepaard met angst bij de jongeren, en uit de drang naar zelfbehoud wordt vaak met agressie gereageerd
Effectieve begeleiding
Aandacht voor normaliteit en individualiteit: willen zich zo normaal mogelijk voelen
Luisteren naar jongeren: groepsleiding moet luisteren hen en begrip en medeleven tonen
Aandacht voor veiligheid en onderlinge verhoudingen: veilige omgeving creren
Betrekken van het gezin/context: gezinsleden betrekken bij de behandeling
Ondersteuning bij deelname aan onderwijs en vrijetijdsbesteding
Aandacht voor kwaliteit van leven : fysiek-materieel, psychische, sociaal en culturele dimensie
Groepsbenadering
De jongeren krijgen individueel meer ruimte
De jongeren worden niet gedwongen relaties aan te gaan
Er is sprake van containment: behoeden de jongeren voor verregaande ontsporing
De groepsbenadering zorgt voor structuur, steun en stimulatie
Kleinschalige groepen
Meer ruimte voor het opbouwen van een vertrouwensband tussen de begeleider en de jongere de jongeren onderling
Betere en soepelere afstemming tussen begeleider en jongere
Meer veiligheid en rust in de groep
Meer mogelijkheid tot normaliseren van het gedrag
Kans tot een positiever leefklimaat
Kinderen worden begeleid
De groep leren kennen
Groepenanalyse
Kan helpen bij:
o Het opmaken van je programma
o Het begeleiden van je groep
o De mogelijke invloed dat een groep kan hebben op elkaar
Methodisch handelen
Pedagogisch handelen
het plegen van interventies, weloverwogen en vaak open een bijna nonchalante manier, met als doel het bevorderen van het zelfvertrouwen van individuele kinderen en het verbreden van hun onderlinge relaties of de sfeer in de groep
Vaardigheden groepsbegeleiding
Individuele veiligheid bieden
Fysieke veiligheid waarborgen
Veiligheid beiden bestaat uit het besef dat het kind zelf deskundig is en weet wat hij nodig heeft
Sensitief: begeleider signaleert wat het kind nodig heeft en waar zijn behoeften liggen
Responsief: begeleider toont interesse en betrokkenheid bij de initiatieven van het kind/jongere
Groepsveiligheid bieden
Begeleider heeft de taak om het kind veilig te laten voelen in de groep, tussen de andere kinderen
Basisbehoefte: erbij horen
Afstand en nabijheid creren
Afstand van de mensen kan worden opgemaakt hoe intiem en hoe persoonlijk zij de onderlinge relatie en het gespreksthema vinden
Als je je nabij opstelt ten opzichte van de ander, stel je je ontvankelijk voor hem op en stel je je open voor zijn verhaal
Humor inzetten
Manier van contact maken
Haalt de druk even weg en werkt relativerend
Zorgen voor helderheid in handelen
Structuren, duidelijk instructies geven, regels stellen en deze hanteren
vaardigheden die de begeleider nodig heeft om duidelijk te creren wat hij van de kinderen verwacht
Goede regels: regels die door iedereen als rechtvaardig, nuttig en nodig worden ervaren en die altijd en voor iedereen gelden
Grenzen stellen
Stellen dat je iets niet kan of mag en daaraan vasthouden en consequent zijn is een duidelijke pedagogische interventie
Oogcontact of her herhalen van de gestelde regel werkt al voldoende
Belonen en straffen
Kinderen positief benaderen, zien wat ze goed doen en dit ook bekrachtigen
o Gedrag zal vaker vertonen
Als het kind het gewenste gedrag niet vertoont, zal de begeleider verzoeken om de volgende keer ander te doen
Motiveren
Zorg voor positieve verwachtingen en een uitdagende omgeving, geef complimenten, positieve aandacht, toon/benoem voorbeeldgedrag,
Improviseren
Reageren op onverwachte situaties, uitspraken, ook organisatorische zaken, voldoende voorbereiden, vooruitdenken, anticiperen, maar dus ook improviseren
Begeleidingsstijlen
Begeleiden in de kinderopvang
Verzorgende taak maar de kinderen moet ook uitgedaagd worden tot spelen en de wereld ontdekken
Singeren: in plaats van constant rond te lopen als begeleider, kan je gewoon bij hun zitten voor rust maar zullen de kinderen ook gemotiveerder zijn
Rollen binnen de kinderopvang (Reijntjens)
Regelaar en hoeder van de orde: zorgt voor veiligheid
Bemiddelaar: faciliteert het samen spelen
Medespeler en speelkameraad: je speelt mee in hun fantasie en hun ideen
Begeleiding van 2,5 jaar tot en met volwassenheid
Taakbekwaamheid Leerbereidheid Begeleidingsstijl
Het kind kan het niet Het kind is wel bereid Instrueren: geef specifieke instructies en zie je erop toe dat het zo gebeurt
Het kind kan het al wat beter, maar heeft meer inzicht nodig Het kind is niet bereid, omdat het te zeker of te onzeker is Overtuigen: licht dingen toe en geef gelegenheid tot het stellen van vragen
Het kind kan het Het kind is niet bereid of is onzeker Ondersteunen: moedigt aan, oppert ideen en helpt besluiten te nemen
Het kind kan het Het kind is beried en voelt zich zeker Delegeren: legt de verantwoordelijkheid bij het kind
Instrueren: veel sturing (taak), weinig ondersteunen (relatie)
Overtuigen: veel sturen (taak), veel ondersteunen (relatie)
Ondersteunen: weinig sturen (taak), veel ondersteunen (relatie)
Delegeren: weinig sturen (taak), weinig ondersteunen (relatie)
Begeleidingsniveau volgens Remmerswaal
Taakniveau
wat er gezegd en gedaan wordt
Inhoudsniveau: WAT, doelstelling en taak
Procedureniveau: HOE, werkwijze om doelstellingen te halen
Sociaal-emotioneel niveau
hoe de groepsleden met elkaar omgaan
Interactieniveau: TUSSEN, groepsproces en onderlinge betrekkingen
Bestaansniveau: BINNEN, het individuele proces van ieder groepslid
Contextniveau
BUITEN, invloeden die in de groep doorwerken vanuit de omgeving
Onderwijsstijlen volgens de Roos van Leary
Horizontale as: afstand in relatie (samen tegen)
Verticale as: macht (leiden volgen-
Rolbeschrijvingen
Leidend: je bent de leider en de leerlingen weten precies wat ze aan jou hebben
Helpend/vriendelijk: je vindt een prettige sfeer in de klas heel belangrijk
Begrijpend: als de leerlingen om uitleg vragen, krijgen ze die altijd
Ruimte gevend/latend: bij jou krijgen de leerlingen veel vrijheid
Ontevreden: je wacht tot het stil is, ook al moet je daar met een lang gezicht een tijdje op wachten
Onzeker: de leerlingen plagen je en willen van orde niets weten
Corrigerend: je wordt snel kwaad en als je boos bent, zullen ze het weten
Streng: het moet stil zijn in de klas en orde is belangrijk
Interventies
Actief luisteren
basishouding van de jeugdprofessional
Bepaald gedrag roept ander gedrag op dat wordt bepaald door hoe de boodschap wordt overgebracht en in welke mate de gesprekspartner er emotioneel door aangesproken wordt
Ik-boodschappen
om duidelijk te maken wat je zelf wilt
Bestaat uit minimaal vier delen:
o Gevoel dat ik heb bij bepaald gedrag
o Beschrijving van het gedrag
o Effect dat het gedrag op mij heeft
o Gew
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag