Studiebot antwoord

Stel een vraag ›
 
Vraag gesteld door: Nadine132 - 8 maanden geleden

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Aantekeningen Inleiding Recht



Week 1



Onderscheid tussen:

Publiek recht => tussen burgers en overheid.

Bestuursrecht: Overheid zet regels.

Strafrecht: Commuun Wetboek van Strafrecht. Bijzonder In andere boeken (niet in WvS).

Staatsrecht: Inrichting NL.

Privaat recht => tussen burgers onderling.

Personen- en familierecht.

Vermogensrecht.

Ondernemingsrecht.



Functies van het recht:

De normatieve functie: de normen waar je je aan moet houden.

De instrumentele functie: keuzes.

De additionele functie: zelf niet regelen => het wetboek regelt het.

De geschiloplossende functie: de rechter lost het op (rechterlijke macht) - voorkomen van eigenrichting (dat mensen zelf het recht in handen nemen).



Voorbeelden van onderscheidingen binnen het recht:

Vergunningen Bestuursrecht

Uitzending/iemand zegt iets over een ander Privaat recht.

Geweld enz Strafrecht



Belangrijkste wet binnen:

Privaat recht: Burgerlijk Wetboek (BW).

Bestuursrecht: Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Strafrecht: Wetboek van Strafrecht (Sr).

Staatsrecht: De Grondwet (Gw).





Bronnen van het recht/rechtsbronnen:

De wet: formele wetten van de regering & Staten-Generaal.

Het verdrag: afspraken tussen staten.

De jurisprudentie: vonnissen/uitspraken van rechters.

De gewoonte: in het staatsrecht, internationaal recht.



Wetgever maakt expres gebruik van vage termen in het wetboek zodat de rechter het zelf kan invullen. Strafrecht doet niks met de gewoonte.



Materieel recht: gaat over wat men mag en niet mag, welke rechten en plichten men heeft (inhoudelijk van aard).

Formeel recht (ook procesrecht): bevat de regels die men moet volgen om het materiele recht te effectueren.

Objectief recht: positief recht. Het recht dat uit de geldende rechtsbronnen wet, verdrag, jurisprudentie en de gewoonte voortvloeit.

Subjectief recht: recht dat individuen bezitten omdat het objectieve recht dit met zoveel woorden verklaart.



Week 2

Lezen 9.1 t/m 9.4 & 9.16 t/m 9.18



3 kenmerken van een staat:

De aanwezigheid van een volksgemeenschap.

Er is sprake van een afgegrensd grondgebied.

Er is 1 orgaan dat de hoogste macht heeft.



Alle organen die namens de staat over de gemeenschap (samenleving) beslissingen nemen, worden gezamenlijk ook wel het staatsapparaat genoemd. Dit apparaat bezit soevereiniteit, wat wil zeggen dat het zowel naar buiten toe (naar andere volksgemeenschappen, andere landen) als naar binnen toe (in de eigen volksgemeenschap, de burgers van het land) de hoogste en machtigste organisatie is.



De Franse rechter en denker Montesquieu onderscheidde drie machten (de Trias politica):

De wetgevende macht

De uitvoerende macht

De rechterlijke macht



Decentralisatie: verschijnsel waarbij staatsmacht niet bij 1 centrale overheid geconcentreerd is, maar waarbij ook lagere overheden toegang tot deze staatsmacht hebben.

Verschillende vormen van decentralisatie:

Territoriale spreiding: dit betekent dat de macht over verschillende gebieden (territoria) wordt verdeeld. Met andere woorden: niet alles wordt door de landelijke overheid geregeld, maar ook door lagere overheden in verschillende delen van het land. Zoals gemeenten en provincies.

Functionele spreiding: Hierbij wordt de macht verdeeld op basis van functies of taken, niet over gebieden, maar over onderwerpen of functies. Dat betekent dat een specifieke organisatie een bepaalde taak krijgt van de overheid en binnen die taak eigen beslissingen mag nemen. Zoals productschap en bedrijfschap.

In Nederland kennen we ook nog een lager overheidslichaam dat een combinatie vormt van territoriale en functionele decentralisatie: het waterschap.

Bevoegdheden die in eerste instantie door lagere overheden worden uitgeoefend, kunnen altijd door de centrale overheid worden overgenomen met controle die op deze lagere overheden wordt uitgeoefend.





Verschil klassieke en sociale grondrechten: klassieke komen van vroeger en de overheid moet zich dan niet met je bemoeien. Sociale grondrechten worden juist door de overheid geregeld.

Wetgeving

Wetten in formele zin: gemaakt door de regering en Staten-Generaal.

Wetten in materiele zin: regels die zich richten op een onbepaalde groep mensen (hoeft niet per se afkomstig van regering en Staten-Generaal).

Attributie: de eerste/originele uitgifte van een regelgevende bevoegdheid. Staat altijd in de Grondwet! (Belangrijkste in art. 81 & 89)

Delegatie: bevoegdheid om regels te maken, gekregen (of dus: gedelegeerd) van een geattribueerde regelgever. Bevoegdheid vloeit voort uit een wet in formele zin.

Subdelegatie: soms mag een regelgever de bevoegdheid om regels te maken zelf ook weer doorgeven aan een andere instantie. Dan maakt de formele wetgever gebruik van de terminologie: Bij of krachtens AMvB (Algemene maatregel van bestuur) ...

Bij: Regering moet dat regelen en niemand anders (alleen delegeren).

Bij of krachtens: je mag dan ook subdelegreren.

Voorbeelden: art. 8:75 Awb en art. 6:107.

Besluit => algemene maatregel van bestuur.

De regering maakt AMVB.

De Raad van State kan advies geven en wetten maken.

Eerste en Tweede Kamer verkiezingen zijn niet hetzelfde.





Hoe komt een wet tot stand?

Interne Voorbereiding (ook AMvB)

De Ministerraad (AMvB)

De Raad van State (AMvB) (geven advies)

De Tweede Kamer (Alles kan nog worden gewijzigd)

Eerste kamer (Ze zijn voor of tegen/alles of niets)

Afwikkeling (AMvB) (Ondertekening van de koning & Gepubliceerd in het Staatsblad)

Wet in formele zin is te herkennen aan het woord: wet.

Hoofdlijnen Nederlands Recht Hoofdstuk 9: paragraaf 9.5 t/m 9.9, 9.14 en 9.15 en 9.20.

Allereerst: wat houdt wetgeving precies in? In plaats van wetgeving kunnen we ook spreken van regelgeving. Het woord regel heeft de betekenis van algemeen besluit of, anders geformuleerd, een besluit dat gericht is tot een onbepaalde, niet met name genoemde groep burgers. Wetgeving is dus nooit gericht op n persoon.

De Grondwet kan als basisdocument van een samenleving worden beschouwd, waarin de fundamentele beginselen van de inrichting van een staat zijn neergelegd. We zagen al dat ook Nederland een Grondwet heeft. Daarin staat onder meer welke organen het recht hebben om wetten te maken. We noemen dit verschijnsel attributie: rechtstreekse toekenning van wetgevende bevoegdheden aan staatsorganen door middel van de Grondwet.

Daarnaast kennen we een afgeleide bevoegdheid om wetgeving uit te vaardigen. Het orgaan dat die bevoegdheid oorspronkelijk (via attributie) had, draagt deze dan over aan een ander orgaan. We noemen dit delegatie.

Delegatie houdt in dat:

een orgaan met wetgevende bevoegdheid deze bevoegdheid aan een ander orgaan overdraagt;

het orgaan dat de bevoegdheid krijgt die bevoegdheid op eigen verantwoordelijkheid en in eigen naam zal gaan uitoefenen;

de overdrager die bevoegdheid niet meer naar zich kan toetrekken (eens gegeven blijft gegeven).



Week 3

Tentamenstof: H1,2,8,9,10,11 & 12.



Week 3 les 1: Internationaal recht

Supranationaal => EU => landen geven deel soevereiniteit op.

Intergouvernementeel => NAVO/ VN/ Raad van Europa => landen behouden soevereiniteit.

Niet-gouvernementeel => Rode kruis/ Artsen zonder Grenzen enz.

Beide opgericht door verdragen => afspraken tussen staten.

Soorten verdragen:

Bilateraal: verdragen tussen twee staten.

Multilateraal: verdragen tussen meer staten.

Maar ook:

Staten t.o.v. elkaar.

Rechten en plichten voor burgers.

Oprichten organisaties.

Intergouvernementeel.

Supranationaal.



Intergouvernementeel:

Behoud van soevereiniteit voor de landen die deelnemen aan die organisatie.

Geen organen met zelfstandige beslissingsmacht.

Hoofdregel: enkel gebondenheid bij unanimiteit.

En dus: als je niet mee wil doen dan hoef je niet mee te doen.



Supranationaal (Europese Unie):

Landen dragen een deel van hun soevereiniteit over.

Macht ligt bij apart opgerichte organen (de EC).

En dus: ook gebondenheid als je het niet leuk vindt (en je als land tegen bent).



Doorwerking van internationaal recht:

Monisme: als er regels zijn afgesproken in het verdrag dan gaan die meteen in, in het land.

Dualisme

Incorporatiesysteem: nationale wet waarin de regels staan die voortvloeien uit het verdrag van een land.

Transformatiesysteem: eigen nationale wet waarin we het verdrag vertalen naar nationale regels.





Week 3 Les 2: Europees Recht



Soevereiniteit behouden is aantrekkelijker als het economisch goed gaat met een land.

De Unie heeft als doel de vrede, haar waarden en het welzijn van haar volkeren te bevorderen (art. 3 lid 1 VEU)

Vrijheid & veiligheid bieden aan burgers.

Totstandbrenging van een interne markt.

Oprichten monetaire unie.

Veel staat in je wettenbundel dus hoeft niet uit je hoofd te leren.



Instellingen van de EU (art. 13 VEU)

De Europese Raad (komen 2 keer per jaar bij elkaar, uitzondering crisis enz.).

De Europese Commissie (mag wetsvoorstellen indienen, 27 leden, lid van ieder land gekozen).

Het Europees Parlement (mogen geen wetsvoorstellen indienen, wel goedkeuren, de begroting, het aantal mensen van een lidstaat verdeeld naar inwoneraantal).

De raad van de Europese Unie (alle ministers van een bepaald beleidsterrein komen bij elkaar om te discussiren over belangrijke kwesties).

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (de Europese Rechtbank, ze behandelen vragen over Europees Recht, individuele burgers kunnen er niet naartoe).

De raad van de Europese Unie en het Europees Parlement moeten het eens zijn over goedkeuren of niet.

Het Europees Hof (individuele burgers mogen daar juist wel aankloppen) en het Hof van justitie niet, niet door elkaar halen.

De artikels over EU kan je teruglezen.

VEU = Verdrag betreffende de Europese Unie = Supranationaal.



Wetgeving van de Europese Unie

Primair Europees recht

Verdrag betreffende de Europese Unie.

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Secundair Europees recht

Verordeningen (gaat langs Europees Parlement en de Raad, zegt hoe het geregeld is en waar je je aan moet houden).

Richtlijnen (Het doel dat we hebben met wetten/regels, de maatregelen/ hoe landen het willen bereiken mogen ze zelf beslissen).

Je kan geen beroep doen op een richtlijn wel op een verordening.





Week 4 Bestuursrecht



Week 4 les 1

Lees uit het boek Hoofdlijnen Nederlands Recht Hoofdstuk 10: paragraaf 10.1 t/m 10.2 en 10.8



Het bestuursrecht regelt namelijk de juridische verhoudingen tussen de overheid en de particulier die daarmee te maken krijgt. Dit is een verticale verhouding. Bestuursorganen (en daarmee bedoelen we: mensen werkzaam bij de overheid, bij een bestuursorgaan) verrichten in de eerste plaats feitelijke handelingen. Feitelijke handelingen zijn handelingen die worden verricht zonder dat een bepaald rechtsgevolg beoogd is.

Gelede normstelling genoemd: de toepasselijkheid van een rechtsregel is niet zomaar in de wet te vinden, maar in een combinatie van met elkaar samenhangende regelingen.





Bestuursrecht:

Algemeen bestuursrecht

Algemene wet bestuursrecht (Awb) (best nieuw)



Bijzonder bestuursrecht:

Omgevingsrecht

Milieurecht

Belastingrecht

Sociaal zekerheidsrecht

Vreemdelingenrecht

Onderwijsrecht

Privacyrecht



Van nachtwakerstaat tot verzorgingsstaat.

Participatiestaat, bezwaar maak je bij degene die het besluit heeft genomen.

Daarna rechter.

Raad van State: maken van wetten en rechtspreken over wetten, 2 taken.

Feitelijke handelingen; schade opleveren kan -> onrechtmatige overheidsdaad.

Privaat rechtshandelingen & publiek rechtshandelingen.



Gemeente = publiekrechtelijke rechtspersoon en geen bestuursorgaan.

Taak bij de overheid maakt het publiekrechtelijk.

College van B & W = bestuursorgaan.

Bestuursorganen handelen > gemeente:

Burgemeester

College van B & W

Gemeenteraad



Provincie:

Commissaris van de koning

Provinciale staten

Gedeputeerde staten





Week 4 les 2

Meestal wordt de volgende omschrijving van een beschikking gegeven. Een beschikking is:

Een besluit afkomstig van een bevoegd bestuursorgaan;

Op grond van een publiekrechtelijk voorschrift;

Dat gericht is tot n bepaald persoon of een bepaald aantal met name genoemde personen;

Gericht op enig rechtsgevolg.



Begunstigende beschikking:

Geeft jou rechten of voordelen.

Voorbeeld: een vergunning om te bouwen, een uitkering, een subsidie.

Het bestuursorgaan staat je iets toe of gunt je iets.

Belastende beschikking:

Legt jouw plichten of lasten op.

Voorbeeld: een boete, een last onder dwangsom, een belastingaanslag.

Het bestuursorgaan beperkt je vrijheid of legt je een verplichting op.

Het komt overigens vaak voor dat een beschikking zowel begunstigende als belastende elementen heeft. Een mooi voorbeeld daarvan is de vergunning die wordt verstrekt op grond van de Omgevingswet door de bepaalde voorwaarden die in de praktijk eraan verbonden worden.

Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbbs): Alle besluiten en beschikkingen van een bestuursorgaan kunnen door hen op hun juistheid worden getoetst.

De abbbs zijn vooral in de rechtspraak tot ontwikkeling gekomen. Het grootste deel is op dit moment wettelijk vastgelegd, namelijk in de Awb. Globaal kunnen we zeggen dat er twee categorien zijn, namelijk:

Formele

En materile beginselen van behoorlijk bestuur.

Materile beginselen hebben betrekking op de inhoud van een beschikking. Is deze wel juist?

Formele beginselen zien voornamelijk op de wijze waarop een beschikking tot stand is gekomen, op de gevolgde procedure dus. Is deze correct verlopen?

Vaste spelers in een procedure rond een beschikking:

Bestuursorgaan = neemt de beschikking.

Belanghebbende = wordt geraakt door de beschikking.

Rechter = kan later toetsen of de beschikking rechtmatig is.



Het algemene bestuursrecht = de spelregels voor iedereen in het bestuursrecht.

Het bijzondere bestuursrecht = de regels per onderwerp, boven op het algemene bestuursrecht.

Staatsrecht = wie heeft welke macht in de overheid + grondrechten van burgers.

Feitelijke handeling: alleen doen (geen rechtsgevolg).

Privaatrechtelijke handeling: overheid als gewone partij in het burgerlijk recht.

Publiekrechtelijke handeling: overheid gebruikt haar bijzondere publieke bevoegdheden (Awb + bijzondere wetten).



Week 5 les 1

Lezen prg 1.3, 1.4,3 en 1.4,4; (herh) + H2, prg 2.1 & 2.2

Aantekeningen 2.1 en 2.2:

De betreffende mensen worden in het recht partijen genoemd.

Een overeenkomst: een afspraak gemaakt door twee of meer personen (partijen), die juridisch relevant zijn. Uit een overeenkomst vloeien rechten en plichten voort die we verbintenissen noemen. Een verbintenis is een rechtsbetrekking tussen twee of meer partijen, op grond waarvan de ene persoon tegenover de ander tot handelen of nalaten verplicht is, terwijl die ander recht heeft op dit handelen of nalaten.

Een overeenkomst die door twee partijen is gesloten met het doel dat daaruit rechten en plichten voortvloeien, noemen wij een obligatoire of verbintenisscheppende overeenkomst. Er wordt een afspraak gemaakt die dan moet worden nagekomen. Zon overeenkomst wordt een wederkerige overeenkomst genoemd. Dit is een overeenkomst die meebrengt dat beide partijen ten minste zowel een recht verkrijgen als een plicht op zich nemen.

Eenzijdige overeenkomst zijn afspraken waaruit slechts n verbintenis voortvloeit, in tegenstelling tot de wederkerige overeenkomst, waaruit ten minste twee verbintenissen ontstaan.

Een overeenkomst, zegt art. 6:217 BW, komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan.

Kan de aanbieder zijn bod intrekken? Ja, maar er zijn twee voorwaarden. Ten eerste: het aanbod mag nog niet aanvaard zijn (art. 6:219 lid 2 BW). Ten tweede: de aanbieder mag zijn bod niet onherroepelijk hebben gemaakt. Dat doet hij onder andere als hij een termijn heeft gesteld waarbinnen de aanvaarding moet plaatsvinden (art. 6:219 lid 1 BW).

Er ontstaat geen overeenkomst als er geen aanbod, maar slechts een uitnodiging tot het doen van een aanbod wordt gedaan.

De vraag wanneer een overeenkomst tot stand komt, kan ook nog vanuit een andere invalshoek worden benaderd. Het uitgangspunt daarvoor vinden we in art. 3:33 BW. In dit wat lastig geformuleerde wetsartikel wil de wetgever tot uitdrukking brengen dat voor het tot stand komen van onder meer een overeenkomst vereist is dat de wilsverklaringen (beide partijen moeten het willen) van beide partijen met elkaar overeenstemmen.

Een rechtshandeling is een handeling die bedoeld is om rechtsgevolgen te veroorzaken, zoals het sluiten van een overeenkomst.
Een feitelijke handeling is een handeling zonder die bedoeling, maar die wel rechtsgevolgen kan hebben, zoals schade veroorzaken.

Een bloot rechtsfeit is een gebeurtenis die rechtsgevolgen heeft, maar waarbij de menselijke wil geen rol speelt, zoals meerderjarig worden.

Een rechtssubject is iemand of iets dat rechten en plichten kan hebben.

Een rechtsobject is datgene waarop het rechtssubject zijn recht uitoefent.

Wat er wordt bedoeld met de gelaagde structuur van het Burgerlijk Wetboek: Eerst zijn algemene regels opgenomen en vervolgens de meer specifieke regels.

In de les: vereniging, bv, nv.

Rechtspersonen: vereniging, bv, nv.

Zowel natuurlijke als rechtspersonen zijn rechtssubjecten.

Onrechtmatige daad



Het Burgerlijk Wetboek:

Personen- en familierecht

Rechtspersonenrecht

Vermogensrecht

Erfrecht

Zakelijke rechten

Verbintenissenrecht

Bijzondere overeenkomsten

Boek 7A Bijzondere overeenkomsten vervolg

Verkeersmiddelen en vervoer

10. Internationaal privaatrecht



Het rechtsfeitenschema: probeert feiten in kaart te brengen waar het wetboek rechtsgevolgen aan koppelt.

Vraag om te weten of het gaat om een bloot rechtsfeit of menselijke handeling: heb je er invloed op?

Vraag om te weten of het gaat om een rechtshandeling of feitelijke handeling: zijn de rechtsgevolgen beoogd?

Het rechtsfeit =>

Bloot rechtsfeit

De menselijke handeling

De rechtshandeling

Eenzijdig: in je eentje (vernietigen, ontbinden & opzeggen).

Meerzijdig: 2 partijen nodig, bijvoorbeeld bij de overeenkomst (waar er 2 van zijn).

De feitelijke handeling

Overeenkomst => voorbeeld van een meerzijdige rechtshandeling.

Eenzijdige overeenkomst (minste): 1 verbintenis (hoeveel partijen nemen een verplichting op zich), 1 iemand moet iets doen en de ander niets (overeenkomst van schenking bijvoorbeeld). Meerzijdige overeenkomst (meeste): 2 of meerdere verbintenissen, meer handelingen (verplichtingen) die gedaan moeten worden.



Week 5 - les 2

Paragraaf 2.1 tot en met 2.3.4

Soms stelt een van de partijen zich op het standpunt dat geen overeenkomst tot stand is gekomen, hoewel de wederpartij dit in eerste instantie wel dacht. Twee categorien kunnen hierbij worden onderscheiden.

Bij de eerste spreken we van een wilsdefect, bij de tweede van een wilsgebrek.

Bij een wilsdefect wordt gesteld: wat ik verklaard heb, wilde ik (eigenlijk) niet; daarom kan er, hoewel jij, wederpartij, dat misschien dacht, ook geen overeenkomst zijn ontstaan.

Soms zegt of doet iemand iets wat niet helemaal overeenkomt met wat diegene cht bedoelde. Toch kan er dan een overeenkomst (contract) ontstaan, als de andere partij er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat de persoon dat wl zo bedoelde, art. 3:35 BW. We noemen deze theorie ook wel de leer van de dubbele grondslag of de Wils- en vertrouwensleer.

Als iemand een psychische stoornis heeft (bijvoorbeeld een aandoening waardoor diegene niet goed kan nadenken of oordelen), dan kan het zijn dat wat diegene zegt of belooft niet echt zijn of haar wil was.

Er wordt dan aangenomen dat de verklaring (bijvoorbeeld ik koop dit huis of ik geef je mijn auto) niet geldig is, als n van deze twee dingen geldt:

De stoornis zorgde ervoor dat die persoon niet goed kon begrijpen wat hij deed met andere woorden: hij kon de gevolgen en belangen van zijn beslissing niet goed inschatten.

De verklaring kwam rechtstreeks door de stoornis dus de persoon zei of deed iets onder invloed van de stoornis.



Art. 3:33 BW Je hebt een wil nodig om een geldige handeling te doen.

Art. 3:34 BW Bij een psychische stoornis kan die wil ontbreken; er geldt een vermoeden dat de stoornis invloed had.

Art. 3:35 BW De ander wordt beschermd als hij mocht denken dat het wl echt zo bedoeld was.

Dat betekent: als iemand met een stoornis een rechtshandeling doet (bijv. een contract sluiten, iets verkopen, een schenking doen), dan gaat de rechter er automatisch van uit dat die handeling onder invloed van de stoornis is gedaan, als:

De handeling nadelig is voor die persoon (bijv. iets te goedkoop verkopen of te veel betalen).

Tenzij het nadeel toen niet te voorzien was met andere woorden: als je op dat moment nog niet kon weten dat het slecht zou uitpakken, dan geldt dat voordeel niet.

Wilsgebrek: hierbij stelt een partij dat de verklaring wel overeenstemde met de wil (dus een correcte wilsverklaring), maar dat de wil op een gebrekkige wijze tot stand is gekomen. 4 categorien:

Dwaling

Bedrog

Bedreiging

Misbruik van omstandigheden

Dwaling doet zich voor wanneer iemand een overeenkomst heeft gesloten terwijl hij, als hij van de werkelijke situatie op de hoogte was geweest, die overeenkomst zeker niet had gesloten. We zeggen in dit verband: de betreffende persoon moet hebben gedwaald over de zelfstandigheid van de zaak.

De overeenkomst kan dan alleen worden teruggedraaid als:
1 De ander je verkeerde info gaf,
2 De ander iets belangrijks verzweeg, of
3 Jullie allebei van hetzelfde misverstand uitgingen.

Dwaling geldt niet, als de andere partij niet had hoeven begrijpen dat jij als je de waarheid had geweten de overeenkomst niet zou sluiten.

Dus: de fout moet niet alleen bestaan, maar ook belangrijk genoeg zijn n herkenbaar voor de ander.

In de les:

Een verbintenis: rechtsrelatie/juridische relatie tussen twee partijen, waar de ene partij een bepaald recht heeft en de andere een bepaalde plicht.

Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en ervaarding daarvan.

3:33 BW & 3:35 wilsvertrouwensleer

Rechtshandeling

Wil

Verklaring

Problemen met de totstandkoming:

Wilsdefect/wilsontbreken: als je iets anders wil dan dat je hebt verklaard of andersom. Hierdoor ontstaat er geen overeenkomst, want in de wet staat dat je wil en verklaring in overeenstemming moeten zijn.

Wat de rechter zich moet afvragen: of je daar rechtsvaardig op mocht vertrouwen, dus dat je minder betaalt voor een tv bijvoorbeeld. Als dat wel zo is dan komt de overeenkomst wel tot stand en zo niet dan niet.

Wilsgebrek: mijn wil is op een gebrekkige wijze gevorm. De verschillende vormen staan in het wetboek. Wil en verklaring zijn wel in overeenstemming, maar ik wilde het alleen maar omdat... anders had ik dat nooit gedaan.

Als je er daarna achter komt (over het bedrog bijvoorbeeld) dan kun je de overeenkomst vernietigen.

Ik was handelingsonbekwaam: gehandicapte en minderjarige bijvoorbeeld (ze kunnen ook wel dingen, maar niet alles). Hoofdregel art 3:32 BW: ieder natuurlijk persoon is bekwaam tot het verrichten van rechtshandelingen (maar niet allemaal en geldt niet altijd).

1:33 BW wie minderjarig zijn: mensen die de leeftijd van 18 nog niet hebben bereikt.

Rechter: wat past er bij deze leeftijdscategorie.

Bij handelingsonbekwaam baarheid gaat het niet om vertrouwen.

Moet het op papier staan, hoeft niet altijd, maar hoe duurder de spullen zijn hoe beter het is om het papier te hebben als bewijs. Soms moet iets ook wel op papier staan => arbeidsrecht.

Proeftijdbeding bijvoorbeeld moet op papier staan. . De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is onbeperkt.

Antwoord gegenereerd door AI Antwoord rapporteren

Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.

Stel een vraag
 
Inloggen via e-mail
Nieuw wachtwoord aanvragen
Registreren via e-mail
Winkelwagen
  • loader

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items! Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

loader

Ontvang gratis €2,50 bij je eerste upload

Help andere studenten door je eigen samenvattingen te uploaden op Knoowy. Upload ten minste één document en krijg gratis € 2,50 tegoed.

Upload je eerst document