Maak een oefenexamen van de volgende tekst: HC 3 Auditief systeem
1 type receptor verdeeld over 2 oren: haarcellen
Informatie uit beide oren dient vroegtijdig gentegreerd te worden om geluid te lokaliseren > dus meer convergentie, divergentie, parallelle verwerking.
Het auditieve systeem is tonotopisch georganiseerd. Hierdoor coderen we geluid en later weer interpreteren op basis van frequentie. Geluidsfrequenties die voor ons belangrijk zijn liggen tussen de 20 en 20.000 Hz, Dit betekent dat snelheid/timing en gevoeligheid belangrijke kenmerken zijn van het hele auditieve systeem.
De geluidsprikkel is een 3D signaal en het is de variatie in druk van bewegende moleculen.
Amplitude hangt samen met de geluidsterkte.
Frequentie hangt samen met de toonhoogte.
Fase geeft de positie op de curve aan.
Fase verschil is belangrijk voor de lokalisatie van geluid. Geluid dat van links kom is niet alleen luider in je linker oor (amplitude) maar komt ook eerder aan (fase verschil).
Fourier-analyse is een manier om complexe signalen uiteen te rafelen in simpele bouwstenen (sinussen en cosinussen). Dit is onmisbaar om te begrijpen hoe zintuigen werken en hoe we signalen in de hersenen analyseren.
Het buitenoor bepaalt welke frequenties er worden opgepikt en helpt bij het lokaliseren van de hoogte van geluid.
Het middenoor bestaat uit gehoorbeentjes die de trillingen versterken en ze doorgeven aan de vloeistof in de cochlea.
De cochlea (het slakkenhuis) is een opgerolde structuur met vloeistof. Hier in zitten de haarcellen. Het basilaire membraan trilt afhankelijk van de frequentie. De base trilt bij hoge frequenties (bijv. een fluit) en de apex trilt bij een lage frequentie (bijv. een trompet). Dit heet tonotopie: elke plek van de cochlea correspondeert met een specifieke frequentie.
De binnenste haarcellen (IHCs) geven geluidsinformatie door aan de afferente zenuwcellen. De buitenste haarcellen (OHCs) zijn verbonden met efferente zenuwcellen en werken als biologische versterkers.
Als er een trilling komt buigt de stereocilia tegen het tectoriaal membraan en worden de tip-links strak getrokken. Dit zorgt ervoor dat de K+-kanalen openen en er ook Calcium naar binnen stroomt. Vervolgens wordt er glutamaat afgegeven en zorgt dit voor actiepotentialen.
- Afbuiging naar de langste stereocilium -> depolarisatie.
- Afbuiging naar de kortste stereocilium -> hyperpolarisatie.
Modaliteit
Toonhoogte wordt gecodeerd door in welke neuronen (afhankelijk van locatie receptoren langs het basilair membraan) actiepotentialen worden gegenereerd. Place coding.
Intensiteit
Intensiteit (sterkte van het geluidsignaal of amplitude van een bepaalde frequentie) wordt gecodeerd door het aantal actiepotentialen in een specifieke neuron en/of het aantal neuronen die actief worden.
Timing
Timing wordt bepaald door phase-locking van actiepotentialen met een positie of (sinus) golf van het geluidsignaal. Phase locking betekent dat een auditieve zenuwvezel zijn actiepotentialen steeds op (ongeveer) hetzelfde punt in de fase van een geluidstrilling afvuurt.
Geluidsignalen gaan vanuit de cochlea via de gehoorzenuw naar de hersenstam en verder naar de cortex. Het auditieve systeem heeft veel parallelle banen, meerdere tussenstations en is bilateraal.
1. Cochleaire nucleus (medulla)
2. Superior olivary nucleus (hersenstam, pons)
3. Inferior colliculus (middenhersenen)
4. Medial geniculate nucleus (thalamus)
5. Auditieve cortex (temporaal kwab)
Superior olivary nucleus
Richting horen in het horizontale vlak: verschillen van geluidsignalen tussen twee oren detecteren.
Mediale superior olivary nucleus detecteert fase verschillen tussen beide oren (interaural time differences, ITD).
Neuronen functioneren als coincidence detectors: ze vuren alleen wanneer signalen uit beide oren exact tegelijk binnenkomen. Dit werkt voornamelijk bij lage frequenties (<3 kHz).
Laterale superior olivary nucleus detecteert intensiteit verschillen (interaural level differences, ILD).
Links inkomend geluid excitatie in linker LSO gelijktijdig inhibitie van rechter LSO.
Netto balans geeft verschil in geluidsintensiteit per frequentie.
Vooral bij hoge frequenties (>3 kHz).
Inferior colliculus
Integreert informatie over tijd, intensiteit en frequentie vormt een auditory space map.
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 20.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag