Maak een oefenexamen van de volgende tekst: De bio-ecologische systeemtheorie
Hulpverleners (en mensen in het algemeen) zijn vaak geneigd om gedrag
te verklaren met 1 simpele oorzaak. Dit heet lineaire causaliteit (A B).
Maar: gedrag is bijna altijd het gevolg van meerdere invloeden die op
elkaar inwerken. Voor goede hulpverlening zijn nodig:
- Juiste classificatie (wat is er aan de hand?)
- Zorgvuldige diagnostiek (waarom is dit ontstaan?)
Het bio-psychosociaal model van Engel (1977)
erkent dat gedrag ontstaat door een
samenwerking tussen:
- Biologische factoren (bijv. genen,
hersenontwikkeling)
- Psychische factoren (bijv. gedachten,
emoties)
- Sociale factoren (bijv. opvoeding, cultuur,
relaties)
De invloed van deze factoren verschilt per
stoornis:
- ADHD = vooral biologisch
- Hechtingsproblemen = vooral sociaal
Het bio-ecologisch model van Bronfenbrenner laat zien dat de omgeving
een cruciale rol speelt in de ontwikkeling van een kind. Het kernidee:
gedrag ontwikkelt zich in echte, sociale omgevingen, niet in isolatie of
alleen in testsituaties. Daarom moet je vaardigheden observeren in de
dagelijkse context van het kind. 6 lagen van het model van
Bronfenbrenner:
1. Intrapersoonlijke kenmerken:
i. Het kind zelf: aanleg, temperament, gedrag
ii. Verandert door interactie met de omgeving
2. Microsysteem:
i. Directe relaties (gezin,
school, vrienden)
ii. Wederzijdse invloed:
het kind benvloedt
ook de omgeving
3. Mesosysteem:
i. Interacties tussen
microsystemen (bijv.
relatie ouders en
school)
4. Exosysteem:
i. Indirecte invloeden (bijv. werkstress van ouder die doorwerkt
in opvoeding)
5. Macrosysteem:
i. Cultuur, wetten, normen, instituties
6. Chronosysteem:
i. Tijd: ontwikkelingen bij het kind n in zijn omgeving (bijv.
verhuizing, puberteit, maatschappelijke veranderingen)
Uitgangspunten van het bio-ecologisch model:
- Circulaire causaliteit: ontwikkeling ontstaat door wederzijdse
benvloeding tussen kind en omgeving
- Context ontwikkelt mee: niet alleen het kind verandert, ook de
omgeving verandert tegelijk
- Subjectieve interpretatie: de invloed van een situatie hangt af van
hoe het kind deze ervaart
- Interne locus of control: kinderen zijn actieve deelnemers aan hun
ontwikkeling
- Indirecte/directe invloed van systemen: jonge kinderen voelen
systemen via ouders, adolescenten meer rechtstreeks
- Interne representaties: kinderen worden benvloed door
genternaliseerde normen en verwachtingen
- Synergie: factoren kunnen elkaar versterken of juist verzwakken.
Bijv. armoede n opvoedstress vergroten het risico meer dan elk
afzonderlijk
Ontwikkelingsopgaven
Naast het kijken naar omgevingslagen (zoals bij Bronfenbrenner), kun je
de ontwikkeling van een kind ook bekijken via de universele
ontwikkelingsopgaven die elk kind moet aangaan. Ontwikkelingsopgaven
zijn uitdagingen waar elk kind in de loop van zijn ontwikkeling mee te
maken krijgt.
Let op: soms wordt ook de term ontwikkelingstaak gebruikt, maar dat
suggereert onterecht dat het iets is wat van buitenaf wordt opgelegd. Een
opgave komt natuurlijk voort uit de ontwikkeling zelf.
3 uitgangspunten:
1. Opgaven horen bij bepaalde leeftijden
i. Elke leeftijdsfase kent typische uitdagingen
ii. Bijv. zindelijkheid in de peutertijd, vriendschappen in de
basisschoolleeftijd
2. Ontwikkelingsopgaven zijn deels cultureel bepaald
i. Niet alle opgaven zijn universeel: cultuur benvloedt wat als
belangrijk wordt gezien
ii. Bijv. nadruk op schoolprestaties, gehoorzaamheid, of juist
zelfstandigheid
3. Succes of falen heeft gevolgen
i. Als een kind een opgave goed doorloopt, versterkt dat zijn
ontwikkeling
ii. Als een kind faalt (door omstandigheden zoals verwaarlozing
of stress), kan dat later ontwikkeling bemoeilijken
ontwikkeling is een opstapeling: elke fase bouwt voort op de vorige
Kinderen hebben opvoeders nodig om:
- Opgaven succesvol aan te kunnen
- Te leren omgaan met falen en frustratie
- Zich veilig te voelen om nieuwe stappen te zetten
Bijv.:
- Voor een veilige hechting is betrouwbare zorg nodig
- Zonder die basis kunnen problemen ontstaan in zelfvertrouwen of
relaties
Soms komen er extra opgaven bij, afhankelijk van:
- Bijzondere levensomstandigheden
i. Scheiding, verlies, migratie, chronische ziekte
ii. Bijv. omgaan met een stiefouder of wisselende opvoedsituaties
- Culturele context
i. Verschillen in hoe zelfstandigheid, autoriteit of prestaties
worden gezien
ii. Bijv. in sommige culturen is respect voor ouderen belangrijker
dan autonomie
Risico- en beschermingsfactoren
Kinderen ontwikkelen zich in een samenspel van risicos en
beschermingen. Deze factoren benvloeden of een kind psychische
problemen ontwikkelt, maar het zijn kansen. Geen voorspellingen.
Een risicofactor vergroot de kans op het ontstaan, verergeren of
voortduren van een stoornis. Het is geen garantie dat er problemen
ontstaan. Een risicofactor heeft meer impact naarmate er meerdere
risicofactoren tegelijk aanwezig zijn. Belangrijk:
- Echte risicofactoren zijn al aanwezig vr het probleemgedrag
ontstaat
- Sommige risicofactoren zijn niet te benvloeden (zogeheten markers,
bijv. geslacht, geboortegewicht)
- Kennis van risicofactoren helpt bij preventie en behandeling
Een beschermingsfactor verkleint de kans op het ontstaan van problemen
en werkt alleen als er ook een risico aanwezig is. Een beschermingsfactor
komt uit het kind zelf of uit zijn omgeving en ondersteunt veerkracht (het
vermogen om ondanks tegenslag goed te functioneren).
Indeling van risico- en beschermingsfactoren:
- Kindfactoren:
Risico Bescherming
Erfelijke aanleg (ADHD, autisme,
dyslexie)
Beschermende genetische
factoren
Vroeggeboorte, laag
geboortegewicht
Hoog IQ, goede emotieregulatie
Moeilijk temperament Makkelijk temperament
Onveilige of gedesorganiseerde
hechting
Veilige hechting
Trauma, misbruik, scheiding Interne locus of control
(zelfregie)
- Ouder- en gezinsfactoren:
Risico Bescherming
Psychische problemen bij ouders Beschermende volwassene in
het gezin
Echtscheiding met veel conflict Positieve ouder-kindrelatie
Onveilige gezinsstructuur Warm, gestructureerd
gezinsklimaat
Inadequate opvoeding (weinig
toezicht of steun)
Ouderlijke sensitiviteit, toezicht
en kennis
Eenoudergezinnen met veel
stress
Ondersteuning van buitenaf
(bijv. familie)
- Omgevingsfactoren:
Risico Bescherming
Lage SES, slechte school, slechte
huisvesting
Positieve schoolervaringen,
goede buurt
Pestervaringen, faalervaringen
op school
Steun van leerkrachten en
leeftijdsgenoten
Slechte
vriendengroep/groepsdruk
Positieve sociale contacten,
activiteiten
Culturele druk of taboes Cultuur waarin openheid en
steun wordt aangemoedigd
Meerdere risicofactoren bij elkaar geven een sterkere kans op problemen.
Maar hoe meer beschermende factoren, hoe beter. Toch: verminderen van
risicos werkt krachtiger dan alleen toevoegen van bescherming. Hoe
eerder een risico of bescherming optreedt, hoe groter het effect. Sommige
leeftijden zijn extra gevoelig (bijv. voor hechting of taalontwikkeling).
Langdurige blootstelling aan risicos vergroot de kans op schade.
De meeste risicofactoren zijn aspecifiek (verhogen kans op meerdere
stoornissen). Specifieke voorbeelden:
- Erfelijkheid: verhoogt kans op ADHD, schizofrenie
- Prenatale alcoholblootstelling: specifiek risico op foetaal
alcoholsyndroom
- Hechtingsstijl van ouder: wordt vaak overgedragen op kind
Ontwikkelingstrajecten
Een ontwikkelingstraject is het unieke pad dat een kind volgt in zijn groei
en ontwikkeling. Het ontstaat uit de samenwerking tussen:
- Sociale systemen (bijv. gezin, school, cultuur)
- Ontwikkelingsopgaven (typische uitdagingen per leeftijd)
- Risico- en beschermingsfactoren (die ontwikkeling benvloeden
Belangrijke kenmerken:
- Uniek verloop: elk kind ontwikkelt zich anders er is geen vast
schema
- Vroege ervaringen doen ertoe: wat een kind jong meemaakt,
benvloedt hoe het zich later gedraagt of voelt
- Ontwikkeling = kansgericht, niet voorspelbaar:
i. Eenzelfde situatie kan tot heel verschillende uitkomsten leiden
ii. Ook omgekeerd: verschillende ervaringen kunnen tot dezelfde
uitkomst leiden
Multifinaliteit (1 beginpunt meerdere uitkomsten): dezelfde risicofactor
of situatie kan tot verschillende uitkomsten leiden. Bijv. kinderen van
verslaafde ouders de een wordt zelf verslaafd, de ander juist extra
gemotiveerd om gezond te leven. De context, steun en persoonlijke
kenmerken bepalen mede de uitkomst.
Equifinaliteit (meerdere beginpunten 1 uitkomst): verschillende
oorzaken kunnen leiden tot dezelfde problemen. Bijv. verslaving kan
ontstaan door genetische aanleg, trauma, groepsdruk of verveling. Je kunt
gedrag niet verklaren op basis van 1 oorzaak.
Vroege interventie kan negatieve ontwikkelingstrajecten voorkomen of
bijsturen. Maar risicofactoren zeggen niet alles, alleen daarop ingrijpen kan
leiden tot:
- Stigmatisering: bijv. dat kind komt uit een slecht gezin, dus zal het
wel slecht gaan
- Self-fulfilling prophecy: als je een kind behandelt als risicogeval, kan
het zich daarnaar gaan gedragen
Hulpverlening
Bij het beoordelen van psychische problemen bij kinderen is het essentieel
om niet alleen naar het kind zelf te kijken, mar ook naar de omgeving. De
ontwikkeling van een kind ontstaat namelijk in wisselwerking met die
omgeving. In de praktijk betekent dat:
- Niet alleen: wat is er mis met het kind?'
- Maar ook: wat gebeurt er in het gezin, op school, met vrienden?
- En vooral: hoe benvloeden kind en omgeving elkaar?
Focuspunten:
- Start bij de ouder-kindrelatie: zijn er zorgen over hechting,
opvoeding, ouderproblematiek?
- Kijk naar andere omgevingen: school, vriendengroep,
vrijetijdsbesteding
- Analyseer systematisch:
i. Risicofactoren
ii. Beschermingsfactoren
iii. Dynamiek tussen kind en context
De ontwikkelingspsychopathologie gaat uit van het idee dat vroege
ervaringen bepalend zijn voor latere ontwikkeling. Daarom is preventie
cruciaal. 2 doelen van preventie:
1. Voorkomen van psychische problemen bij kinderen met verhoogd
risico
2. Bevorderen van positieve ontwikkeling bij alle kinderen. denk aan
opvoedondersteuning, goede schoolomstandigheden, educatie
Aandacht bij preventie:
- Richt je op de relatie kind-opvoeder
- Houd rekening met het feit dat het kind nog volop in ontwikkeling is
Dezelfde theorien gelden ook voor behandeling: psychische problemen
ontstaan vaak in de eigen leefomgeving, dus daar moet je ook
behandelen. 3 belangrijke aanbevelingen:
1. Thuisbehandeling:
i. Problemen ontstaan in de context, dus behandel ook in die
context
ii. Behandeling buiten de thuissituatie heeft minder effect als de
omgeving niet verandert
2. Vroeg beginnen:
i. Hoe jonger het kind, hoe groter de plasticiteit
ii. Snelle interventie kan ook ontwikkeling bijsturen
3. Meerdere contexten tegelijk behandelen
i. Niet alleen het kind of de ouders, behandel allebei
ii. Beste aanpak vooral bij oudere kinderen: kind + ouders +
school . De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 5.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag