Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Zorg
De huid:
Anatomie van de huid:
De huid maakt in totaal ongeveer 15 20 kg van het lichaamsgewicht en is 1,5 2 m. het is door deze feiten ons grootste orgaan. De bovenste laag vernieuwt zichzelf om de 4 weken. De huid bestaat uit verschillende diktes, de plaats waar de huid het dikste is, zijn de voetzolen. Waar de huid dan weer het dunste is, zijn de oogleden.
Functies van de huid:
Het regelt de lichaamsvochten, lichaamstemperatuur en onderliggend weefsel.
Het regelen van de lichaamsvochten beschermt tegen uitdroging van de huid en op dit vlak dan ook een goede balans. Het voert de lichaamsstoffen ook af via de huidporin.
Het regelen van de lichaamstemperatuur wordt geregeld met behulp van de lichaamsharen, zweetklieren en bloedvaten.
De lichaamsharen helpen de huid warm te houden doormiddel van kippenvel.
De zweetklieren zorgen voor het afscheiden van vocht waardoor je warmte verliest door de afkoeling.
De bloedvaten doen aan vasodilatatie. Dit betekent dat de bloedvaten uitzetten en de warmte het lichaam verlaat via de huid.
Het beschermen van het onderliggend weefsel is tegen afkoeling, oververhitting van de zon, infecties en geweld. De talgklieren spelen ook een grote rol tegen vettige huid wat ervoor zorgt dat de huid waterafstotend is. Het kan zo ook organismen en infecties afstoten.
Het zorgt voor het voelen en de tastzin. Dit komt doordat de huid vol zit met zenuwen.
Het ontvangen van prikkels wordt doorgestuurd naar de hersenen. De prikkels kunnen bijvoorbeeld kou, warmte, pijn, zijn. Het verschilt van locatie. In de rug zijn er veel minder prikkels dan in de vingers.
De huid regelt het absorberen van bijvoorbeeld zalven en geneesmiddelen en aanmaak van vitamine D.
De aanmaak van vitamine D zorgt voor een aanmaak en behoud van stevige botten en tanden, een goede werking van spieren en het immuunsysteem en de belangrijkste bron is de zon omdat het lichaam onder invloed hiervan vitamine D aanmaakt.
De verschillende lagen van de huid:
Je hebt de epidermis oftewel de opperhuid die is opgebouwd uit de hoornlaag en de kiemlaag, de dermis oftewel de lederhuid en de hypodermis oftewel het onderhuids bindweefsel.
De opperhuid of de epidermis:
Dit is de buitenste laag van de huid. Het bestaat voor het grootste deel uit epidermiscellen. Deze worden in de onderste laag van de opperhuid aangemaakt oftewel onderaan de kiemlaag. Van daaruit schuiven de cellen langzaam naar boven.
Hoog in de opperhuid gaan de epidermiscellen dood en veranderen ze in hoorncellen. Dit vormt de hoornlaag. Deze cellen laten los als huidschilfers.
Normaal gezien zijn ze slecht enkele tienden van een millimeter dik.
Er is op de handpalmen en voetzolen extra dikke laag huid wat ook wel eelt wordt genoemd.
De lederhuid of de dermis:
Het collageen eiwit zorgt voor elasticiteit van onze huid.
Een aantal onderdelen van de lederhuid zijn het bindweefsel, de zweetklier, de zenuwen, de bloedvaten, het haar (zak en spiertjes), de talgkliertjes en de receptoren waar je pijn kan mee voelen, koude en warmte en het gevoel of de tast.
De lederhuid wordt niet voortdurend vernieuwd. Als er hier dan een beschadiging is heeft dit tot gevolg dat er een litteken vormt.
De elasticiteit en trekvastheid van de huid wordt hierdoor bepaald. Deze kan beschadigd worden door zonlicht of veroudering, hierdoor wordt de huid minder elastisch en ontstaan er rimpels.
Het onderhuids bindweefsel of de hypodermis:
Dit bestaat voornamelijk uit vet, bindweefsel, bloedvaten, haarwortels en zweetklieren.
Deze laag scheidt de huid af van de spieren en pezen in ons lichaam.
Het heeft belangrijke functies als warmte-isolerende laag, energieopslagplaats en stootkussen.
De dikte van deze laag verschilt van plaats tot plaats. Het is dun op het scheenbeen, rondom de ogen en ook in de huid die over de gewrichten ligt. Op de buik, billen en rug kan deze laag erg dik zijn.
Pathologie van de huid:
Decubitus
Decubitus is een medische term voor een doorligwonde.
Je kan het herkennen aan een licht rode plek die niet weg gaat, het warme aanvoelen en een zwelling of verharding.
Decubitus is dus een drukletsel of een doorligwonde. Het ontstaat door een langdurige druk op 1 plaats en door schuif- en wrijfkrachten. De bloedvaten worden hierbij afgeklemd waardoor er onvoldoende zuurstof en voedingsstoffen bij de huid en het weefsel onder de huid komen. Dan kunnen afvalstoffen natuurlijk niet goed afgevoerd worden wat eindigt in een beschadiging van de huid.
drukkracht schuifkracht wrijving
Het komt het vaakst voor op de hielen, de stuit, het achterhoofd, de heupen, de ellebogen en de schouderbladen. Dit worden ook wel drukpunten genoemd.
Risicoplaatsen zijn plaatsen waar het bot zich dicht bij de huid bevindt.
Het gevolg van het tekort aan zuurstof en voedingsstoffen is dat het weefsel zal beginnen afsterven.
Een aantal oorzaken en risicofactoren zijn als je last hebt van overgewicht of ondergewicht, overmatig zweet, onvoldoende hygine hebt en er is natuurlijk ook een algemene kwetsbaarheid bij ouderen of babys met een zeer dunne huid. Maar er zijn natuurlijk ook andere mensen die dit kunnen krijgen zoals comapatinten, mensen met dwarslaesie (=een onderbreking van de zenuwen in de rug, waardoor iemand in meer of mindere mate verlamd raakt), mensen met een opname in het ziekenhuis (met breuken, op intensieve zorgen (verdoofd) na een operatie, geriatrie), mensen met een slechte gezondheid (diabetes, Parkinson,), mensen die weinig gevarieerde voeding eten (eenzijdige voeding, weinig voeding), mensen die veel vocht verliezen (zweten, incontinent stoelgang/urine) en mensen die wat ouder zijn.
Er zijn verschillende risicoschalen om het risico op decubitus te kunnen beoordelen. De meest bekende zijn de Nortonschaal en de Bradenschaal.
De behandeling van decubitus vergt teamwerk want er wordt een zorgplan opgesteld wat een belangrijke stap is bij het beoordelen van de decubitus. Met het systematisch gebruiken van risicoschalen kan men er toe bijdragen dat er voldoende aandacht blijft bestaan voor decubitus. De Belgische richtlijn decubituspreventie geeft de voorkeur aan de Bradenschaal die rekening houdt met zes elementen. De schaal scoort op 6 items als de score lager is dan 14 op 23 is het een risicoprofiel en heeft de patint dus extra preventieve maatregelen nodig.
Er zijn 4 soorten gradaties bij decubitus. De indeling is volgens de ernst van decubitus. De graden hoeven elkaar niet op te volgen.
Graad 1 is een niet wegdrukbare roodheid. Hierbij blijft de huid intact. De roodheid blijft hier bestaan, ook wanneer de druk verdwijnt. Je kan het herkennen aan het warme aanvoelen, hard gevoel en het lichte gezwel. Er is geen capillaire refill meer (het heropvullen van de huid na duwen).
Graad 2 is de blaarvorming of de ontvelling. Hierbij is er een beschadiging van de lederhuid en de opperhuid. Je kan het herkennen aan de gezwollen huid, ontvelde huid of de blaren die vertoond worden.
Graad 3 is een oppervlakkig decubitus. Hierbij is de opperhuid en lederhuid weg en is het onderhuids bindweefsel zichtbaar. Je kan het herkennen aan de weefselkleur die geel, zwart of roze kan zijn. De genezing duurt maandenlang.
Graad 4 is diepe decubitus. Hierbij tast de wonde de weefsels onder de huid aan. Je kan het herkennen aan de zichtbare spieren, botten en het ondersteunend weefsel. De wonde is een diepe holte.
Om te voorkomen/erger worden van doorligwonden, kunnen er hulpmiddelen worden gebruikt zoals een antidecubitusmatras (alterneringsmatras), decubituskussen voor zwevende hielen en een S-kussen. Je moet wel de hulpmiddelen correct kunnen gebruiken.
Je kan decubitus voorkomen door een goede observatie door het zorgpersoneel, gepaste houdingen of wisselhoudingen, de grootte van de druk en de schuifkracht te verkleinen, de duur van druk en schuifkracht te verminderen en de voeding te optimaliseren.
Een wisselhouding moet je vaker toepassen bij iemand die zit dan bij iemand die ligt. Dit moet zeker om de 4 uur verwisseld worden omdat het in de praktijk moeilijk is om dit vaker te doen.
Het gaat steeds volgens een rotatieschema: je start met een rugligging, daarna op de linkerzijde liggen, daarna dan weer rugligging en je eindigt met op de rechterzijde te liggen.
Er zijn een aantal factoren waardoor druk-, schuif- en/of wrijfkrachten ontstaan.
Dit zijn kruimels in bed want de extra kleine drukpunten verkrijgen sneller decubitus.
Ook zijn lakens die strak insteken aan het voeteinde gevaarlijk omdat dit te veel spanning veroorzaak op de voeten, dit kan vermeden worden met een dekenboog indien het hiervoor warm genoeg is.
Ook zijn te veel lagen tussen de matras en de zorgvrager gevaarlijk omdat al die laagjes kunnen zorgen voor verschuiving van de patint.
Een aantal dingen die niet werken zijn aanstippen met ijs, schapenvacht, een waterbed of watermatras, een ringkussen want er is te veel druk aan de zijkant, extra warmte, eosine wat niet meer gebruikt mag worden en PUR-folie zoals Opsite.
De behandelingen die je per gradatie kan gebruiken zijn:
Bij graad 1 moet je extra preventieve maatregelen nemen.
Bij graad 2 moet je zinkproducten en vochtig wondverband gebruiken om de wonde te verzorgen.
Bij graad 3 moet je de necrose verwijderen en een vochtig wondverband gebruiken om de wonde te verzorgen.
Bij graad 4 moet je de necrose verwijderen en een transplantatie hebben van huid- en spierflappen.
Er zijn twee algemene regels. Bij ontsteking met bacterin moet je antibiotica geven en je moet bij alle gevallen de voeding optimaliseren.
Om zorgend te handelen bij decubitus moet je het risico bepalen, preventief handelen en de drukpunten zeker 3 keer per dag observeren of bij iedere zorghandeling. Je moet preventieve maatregelen nemen, de wisselhoudingen toepassen, goede huidhygine veroorzaken en een volwaardige voeding en vochtinname verzorgen.
De belangrijke rol die zorgkundigen hebben is het observeren, het juist handelen en het correct rapporteren van observaties.
Het observeren is door te controleren of er geen wegdrukbare roodheid is, of de huid wel een goede temperatuur heeft en of de huid niet vochtig is.
Er bestaan verschillende technieken om decubitus te vermijden zoals de semi-fowler houding ofwel de 30-30.
Skintear of lapwond:
Skin: huid
Tear: scheur
Een skintear is dus een stuk huid dat is losgescheurd door wrijving of stoten. Het is niet exclusief voor ouderen en bevindt zich meestal aan armen en benen. Een skintear is het loskomen van de epidermis.
Er is een verhoogd risico vanaf je 25 jaar wordt omdat de huid begint te verouderen en de cel vernieuwing gaat trager. Ook neemt het collageen af waardoor de huid minder elastisch wordt. En dan tot slot werkt de natuurlijke beschermlaag steeds minder.
Er zijn 3 gradaties van skintears.
Graad 1 is zonder weefselverlies. Hier wordt er geen huid verloren en kunnen de wondranden nog tegen elkaar. Er is zowel een lineair als een flaptype.
Graad 2 is met gedeeltelijk weefselverlies. Er gaat een deel huid verloren en de wondranden sluiten niet goed meer aan.
Graad 3 is met volledig weefselverlies. Hierbij is de losse huid er volledig af en verloren gegaan.
Je kan dit preventeren door een veilige omgeving te creren met goed schoeisel, gezonde voeding en vochtinname te verzorgen, het afdekken van scherpe hoeken van tafel en ander meubilair of voetsteunen van een rolstoel, de zorgvrager voorzichtig vastnemen, een tillift te gebruiken en de bewoner educatie te geven over wat het is en waarvoor hij of zij moet oppassen.
Intertrigo:
Intertrigo is een schimmelinfectie tussen twee huidlagen. Er zijn een aantal kenmerken zoals roodheid, branderig gevoel, een open wonde en de aanwezigheid van slijm op de blinkende roodheid dat een typische geur afgeeft.
De behandeling bij incontinentie is het frequent intiem toilet uitvoeren, frequent verversen en deppend drogen.
Na het wassen moet je zeer goed droogdeppen voornamelijk tussen plooien, tenen,
Na het wassen moet je een voedende olie aanbrengen.
Je kan een indrogende zinkzalf of zinkolie aanbrengen.
Bij een besmetting met schimmels of gisten moet je antischimmelproduct gebruiken en bij en bacterie moet je antibiotica geven.
Observeren van de huid:
Je moet letten op een verandering in kleur, elasticiteit, uitzicht, temperatuur en gevoeligheid.
Als iemand bleek ziet is er een tekort aan rode bloedcellen wat ook wel een ijzertekort is oftewel anemie.
Als iemand een geel uitzicht heeft, heeft deze persoon geelzucht als gevolg van problemen in de pancreas, lever en/of galblaas.
Als een persoon blauw ziet, heeft deze persoon blauwzucht oftewel cyanose wat veroorzaakt wordt door te weinig bloed naar de huid.
Als de huid rood is kan dit veroorzaakt zijn door stress, koorts, opwinding of verlegenheid.
Als er zwarte verkleuring of necrose is heeft de huid geen zuurstof meer.
Het controleren van de lichaamstemperatuur moet gebeuren met de bovenzijde van de hand waarna de temperatuur gemeten moet worden met de thermometer.
Bij koorts zal de huid warm aanvoelen en rood zien.
Bij onderkoeling zal de huid koud aanvoelen en bleek of blauw zien.
Het controleren van elasticiteit is voor het controleren van de vochtbalans oftewel om te kijken of er genoeg vocht aanwezig is.
Bij oedeem is er een teveel aan vocht. Dit kan gecontroleerd worden door putjes in de huid te duwen en als deze aanwezig blijven na het loslaten kan dit wijzen op oedeem.
Bij huidturgor is er een tekort aan vocht oftewel uitdroging van de huid. Je kan dit controleren door een plooi in de huid te maken, als deze blijft staan is er aanwezigheid van uitdroging van de huid. Ook moet je extra aandacht hebben voor braken en/of diarree.
Het controleren van de gevoeligheid moet extra gebeuren bij een verlamde zorgvrager en bij mensen met diabetes.
Bij verlamde zorgvragers moet je de huid inspecteren en zeker als ze langdurig op iets liggen.
Bij diabetespatinten is het gevaar reel dat ze het gevoel verliezen en zo dus geen wonden etc. voelen.
Het controleren op beschadigingen van de huid moet gebeuren als er een mogelijke beschadiging is door wrijving, stoten/botsen, ten gevolge van een aandoening,
Dit kan infecties veroorzaken.
Je moet altijd navragen of er allergische reacties aanwezig zijn aan de zorgvrager. Als men medicatie gebruikt voor een allergie is dit een antihistaminicum.
Bij irritatie of droge huid zijn er een aantal kenmerken zoals jeuk, roodheid, zwelling, pijn en blaasjes.
Wratten zijn goedaardige huidgezwelletjes. Een andere benaming is HPV oftewel humaan papillomavirus. Het overleeft goed in een vochtige omgeving zoals zwembaden, douches, natte handdoeken, sportkleedkamers, Het ontstaat op de huid of slijmvliezen.
Het verouderen van de huid begint vanaf de 25 jaar.
Dit gebeurt omdat de huidcellen minder vocht kunnen vasthouden dus zal de huid droger worden en barstjes ontwikkelen wat een kwetsbaarheid veroorzaakt.
De talgklieren zullen minder huidvet afscheiden dus zal de huid ook weer droger en kwetsbaarder worden.
De elastinevezels minderen waardoor de huid slap wordt en rimpels veroorzaakt.
Onder invloed van de zon zullen er ook pigmentplekjes zijn.
En tot slot gebeurt het herstellen niet zo vlot meer dus zullen er veel meer huidproblemen zijn.
Dit kan verholpen worden door het hydrateren van de huid met vocht inbrengende crme.
Je kan naar de arts gaan om de huidvlekjes te veranderen.
Je kan je beschermen tegen zonlight op het gezicht, in de hals, bij de oren en op de handen. Dit doe je door buitengaan te vermijden tijdens de heetste uren van de dag, door een zonnefilter in dagcrme te gebruiken, beschermende kledij te dragen zoals een pet of hoed, door een zonnebril te dragen en je huid regelmatig in te smeren met een goede hydraterende crme.
Jeuk is een gevoel dat leidt tot krabben.
Het ontstaat door de zenuwen die tussen de lederhuid en de opperhuid zitten die geprikkeld raken en eiwitten afscheiden die jeuk laten ontstaan. Het ontstaat vaak bij een ontsteking van de huid.
Er zijn verschillende oorzaken mogelijk die lang-kortstondig kunnen duren. Het kan gelokaliseerd (plaatselijk) zijn of algemeen (over het ganse lichaam) zijn. Het kan zonder duidelijke oorzaak zijn.
Een aantal kenmerken zijn een schilferige huid, droge huid en krabletsels.
De behandeling is afhankelijk van wat de jeuk een gevolg is.
Bij jeuk ten gevolge van schimmel is er antimycotica oftewel schimmeldodend product nodig.
Bij jeuk ten gevolge van een bacterie heb je antibiotica nodig oftewel bacteriedodend product.
Bij jeuk ten gevolge van parasieten heb je parasiet dodend middel nodig.
In het algemeen heb je ook verkoelende crmes zoals Menthogel en Kamfer.
Voor het onderdrukken van jeuk met medicatie kan je zowel cortisonecrmes als antihistaminica gebruiken. Antihistaminica zijn middelen die allergische reacties onderdrukken.
Een aantal kenmerken van een allergie zijn huidvlekken oftewel roodheid, bulten, zwellingen, zweren en uitslag.
Een soort allergische reactie is zona of gordelroos. Dit is maar op 1 lichaamshelft aanwezig en veroorzaakt een hevige branderige pijn. De rode blaasjes zijn gegroepeerd en gevuld met helder vocht. Het veroorzaakt ook heel veel jeuk.
Een andere soort allergische reactie is eczeem. Dit veroorzaakt een ernstige jeuk, schilferige en rode huid, rode vlekken, blaasjes en bultjes en tot slot gebarsten plekken op de huid.
Een diabetische voet:
Een diabetische voet is een waaier van afwijkingen aan de voeten die alleen of in combinatie vaker voorkomen bij patinten met diabetes.
Bij een diabetische voet begint het afsterven van de huid-, spier- en bindweefsel van oleum, voornamelijk de voeten. Vaak start vanaf je tien jaar een diabetespatint bent met een huidwondje.
Dit komt omdat de slagaders verdikken waardoor er moeilijker zuurstof en voedingsstoffen naar de voet geraken en omdat de afweer minder wordt. Als er dan weefsel afsterft zal dit komen door huidwonden op de voeten.
De zenuwen in de voeten zijn aangetast dus voelt men de pijn minder of zelfs niet.
De gewrichten verstijven ook.
Een paar symptomen van een diabetische voet zijn etalagebenen, nachtelijke pijnen in de benen en de slagaders die verstopt raken.
Etalagebenen hebben is pijn hebben in de benen of krampen tijdens het wandelen dat verbeterd indien men stopt met wandelen. Hierbij raakt de slagaderwand verstopt door vet waardoor er moeilijker zuurstof en voedingsstoffen naar het weefsel gaan die het in leven houden.
Nachtelijke pijnen in de benen verbeter vaak met de benen over de rand van het bed te laten afhangen. Dit komt omdat de zwaartekracht dan helpt om het zuurstofrijk bloed naar de voeten te duwen.
De slagaders kunnen verstopt raken wat ervoor kan zorgen dat de voet blauw wit en koud is.
Voetzorg is dus zeer belangrijk.
Men moet dagelijkse controle uitvoeren van de voeten bij diabetici.
Je moet om de zoveel tijd de voeten inspecteren voor eelt, kloven en blaren en als deze aanwezig zijn moet je dit melden aan de verpleegkundige, een gespecialiseerd voetenverzorger (podoloog) en een arts.
De patint mag maximaal 5 minuten in een voetbadje zitten want anders zal de huid door de verweking opengaan, kan er een besmetting plaatsvinden wat dan uiteindelijk kan leiden tot een infectie.
De patint moet zorgen dat de voeten altijd goed gedroogd zijn en vooral tussen de tenen.
De patint mag geen crmes tussen zijn tenen smeren.
De patint mag nooit op blote voeten lopen
De patint moet aangepast schoeisel dragen.
Na een wandeling moet je altijd goed nakijken of de patint blaren, eelt, kloven, op de voeten heeft.
De patint moet zijn nagels laten knippen, eelt verwijderen, door een gespecialiseerde voetverzorger/podoloog.
Ulcus:
Ulcus wordt ook wel een zweer genoemd. Dit is dus een zweer ter hoogte van de onderbenen. Dit kent een heel traag en moeilijk genezingsproces.
Een aantal kenmerken zijn een open plek of zweer aan het onderbeen dat heel moeilijk te genezen is, oedeem oftewel huidverkleuring, geelbruin beslag/korst en rond de wonde is de huid strak en glanzend.
Je moet naar de arts gaan bij blijvende jeuk die niet overgaat met hydrateren, blijvende huiduitslag, verandering van huidvlekken en bijkomende klachten zoals koorts, nekstijfheid,
Het wordt veroorzaakt door vaatproblemen.
Het behandelen van ulcus is door het stimuleren van beweging bij de zorgvrager door een spierpomp, elastische kousen gebruiken die zorgkundig werken en een huidtransplantatie.
Huidirritatie:
Huidirritatie is een reactie op een bepaalde stof of omgevingsfactor.
Het kan veroorzaakt worden door een langdurige inwerking van irriterende stof op je huid (contacteczeem). Ook zijn koude en warmte voorbeeld van omgevingsfactoren die je huid kunnen irriteren.
Een aantal symptomen zijn jeuk, ruwe en vochtige huid, rode huidskleur, blaarvorming met puistjes en wonden.
Acties die je kan uitvoeren zijn het grondig observeren van het contacteczeem, het uitsluiten van bepaalde producten of materialen die een invloed kunnen hebben op de allergie, huidbeschermende zalf aanbrengen en als je geen oplossing vindt moet je naar een dermatoloog gaan.
Er zijn 5 voorbeelden van irritaties. Dit zijn contacteczeem, droge huid met schilfering, vochtafscheiding, korstjes en speekselvloed.
Schurft:
Schurft wordt veroorzaakt door een klein spinachtig insectje dat gangetjes graaft juist onder het huidoppervlak. Deze huidaandoening is heel besmettelijk. De ziekte was hier vrijwel verdwenen, maar komt tegenwoordig weer vaker voor, vooral in verzorgingsinstellingen.
Twee mogelijke oorzaken zijn besmetting via seksueel contact en besmetting via gedeelde kleding en beddengoed.
Twee symptomen zijn jeuk over het hele lichaam maar dan vooral s avonds en s nachts en kleine blaasjes op specifieke plaatsen van het lichaam.
Acties die je kan ondernemen zijn naar de dokter gaan, een voorgeschreven zalf aanbrengen, huisgenoten behandelen en je kleding en beddengoed wassen.
Huidkanker:
De kenmerken van huidkanker zijn asymmetrie, begrenzing, kleur, diameter en evolutie.
Een huidkanker is zowel wat de vorm als structuur betreft, in 2 assen, asymmetrisch.
Een huidkanker heeft een onregelmatige begrenzing.
Een huidkanker heeft meerdere kleuren bruin met een blauwe waas en depigmentatie.
De diameter van een huidkanker is groter dan 5 mm.
Een huidkanker verandert op maanden tijd van grootte, kleur en structuur door de evolutie.
Brandwonden:
Je kan onderscheid maken tussen een lichte en ernstige brandwonde. Bij een lichte brandwonde kan je deze zelf verzorgen en eventueel naar de huisarts gaan. Bij een ernstige brandwonde heb je gespecialiseerde hulp nodig.
Een aantal factoren die de ernst van de brandwonde bepalen zijn de diepte, oppervlakte, plaats, oorzaak en de leeftijd van het slachtoffer.
De graden:
Er zijn vier graden van brandwonden.
Bij een eerstegraadsverbranding is roodheid aanwezigheid, een afwezigheid van blaren, een droog aspect,
Bij een tweedegraadsverbranding is er blaarvorming, een vochtig aspect, roze/rode glanzende huid,
Bij een derdegraadsverbranding is er enige blaarvorming, een soepel tot stugge huid, vlekkerige roze/rood en witte plekken,
Bij een vierdegraadsverbranding is er een afwezigheid van blaren, een stug tot leerachtige huid, er zijn wit/gel/rood/bruin/zwarte plekken,
Oppervlakte:
Hoe groter de wonde, hoe ernstiger de wonde is.
Een ernstige brandwonde is bij een volwassene is meer dan 10% van de lichaamsoppervlakte.
Een ernstige brandwonde is bij een kind tot 15 jaar meer dan 5% van de lichaamsoppervlakte
Er is een groot risico op shock wat dus levensbedreigend is.
Plaats brandwonden:
In de mond-keelholte is er een opzwelling van weefsel mogelijk. Je kan ook verbrand worden op je gezicht, oren, handen, voeten, geslachtsdelen, gewrichten, volledig rond de nek, romp en ledematen.
4. Het neurologisch stelsel
4.1 De anatomie van het neurologisch stelsel
Dit is het cordinatiecentrum van ons lichaam.
Het zenuwstelsel heeft een belangrijke regelende en sturende functie van organen, klieren en spieren. Bovendien bevat het zenuwstelsel allerlei hoge psychische functies.
Een aantal klachten die kunnen ontstaan bij een aandoening van et zenuwstelsel zijn stoornissen in het bewustzijn en stoornissen in de psychische functies. Een belangrijke groep aandoeningen wordt gevormd door de verlammingen zoals een hersenbloeding.
De specialist die aandoeningen van het zenuwstelsel behandelt noemen we een neuroloog. Een neuroloog voor kinderen noemen we een neuropediator. Een chirurg die deze aandoeningen behandelt is een neurochirurg.
4.2: Het zenuwstelsel
Het zenuwstelsel bestaat uit het perifeer zenuwstelsel en het centraal zenuwstelsel.
Het perifeer zenuwstelsel wordt onderverdeeld in het autonoom en het somatisch zenuwstelsel.
En als laatste kan het autonoom zenuwstelsel verdeeld worden onder het orthosympathisch zenuwstelsel en het parasympatisch zenuwstelsel.
4.3: Indeling van het zenuwstelsel
Het centrale zenuwstelsel bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg.
Het perifere zenuwstelsel bestaat uit de hersen(12)- en ruggenmergzenuwen(31).
4.3.1: Het centraal zenuwstelsel
Het centraal zenuwstelsel is opgebouwd uit:
Grote hersenen;
Kleine hersenen;
Hersenbalk;
Hypothalamus;
Hypofyse;
Verlengde merg;
Ruggenmerg.
4.3.2: Het perifeer zenuwstelsel
Het vormt de verbinding tussen het centraal zenuwstelsel en de spieren en zintuigen. Het zorgt ervoor dat informatie van de organen, zintuien en spieren bij het centraal zenuwstelsel komt en dat de commandos van het centraal zenuwstelsel de spieren en zintuigen bereiken.
Dit is een functionele opdeling en er is dus geen anatomisch onderscheid.
Het perifeer zenuwstelsel bestaat uit gevoelszenuwen (sensorische zenuwen) en spierzenuwen (motorische zenuwen).
4.3.2.1: Het autonoom zenuwstelsel
Het autonome zenuwstelsel stuurt de gladde spieren, het hart en verschillende organen aan. Het gehele autonome zenuwstelsel wordt geregeld door de hypothalamus. We hebben geen controle over dit gedeelte van het zenuwstelsel; het is voornamelijk betrokken bij automatische processen en reflexen.
In het autonome zenuwstelsel kunnen twee delen worden onderscheiden, het sympathische en het parasympatische zenuwstelsel. Onder invloed van het sympathische zenuwstelsel wordt de activiteit van het lichaam vergroot.
Onder invloed van het parasympatische zenuwstelsel wordt het lichaam in een toestand van rust gebracht. De invloed van het parasympatische zenuwstelsel is dus tegengesteld aan die van het sympatische zenuwstelsel.
4.3.2.2: Somatische zenuwstelsel
Dit is het gedeelte van het perifere zenuwstelsel waar we wel controle over hebben. Dit deel stuurt de skeletspieren aan. We zijn niet altijd bewust van deze processen. Lopen is bijvoorbeeld een geautomatiseerde actie.
Multiple sclerose (MS):
Wat?:
Dit is een chronische aandoening aan het centrale zenuwstelsel (hersenen en ruggenmerg).
Oorzaken:
Chronische ontsteking aan het myelinelaagje rond de zenuwcellen wat de myeline beschadigt waardoor prikkeloverdracht bemoeilijkt wordt. Daardoor vallen lichaamsfunctie uit en geraak je invalide.
De oorzaak van de ontsteking zelf is onbekend.
Symptomen:
De patint ervaart een verschijnsel dat wordt beschreven als MS-aanvallen. Deze MS-aanvallen kunnen duren tussen enkele seconden en paar dagen.
Tijdens de aanvallen hebben mensen volgende klachten:
Aangezichtspijn;
Spierkrampen;
Ongecontroleerd huilen of lachen;
Dubbelzien;
Spraakstoornissen;
Vallen;
Tintelingen.
De ziekte treed op in twee fasen:
De eerste fase wordt gekenmerkt door opflakkeringen die aanvankelijk goed en soms volledig herstellen.
De gevorderde fase heeft geen herstel meer na de opflakkeringen en er treedt geleidelijk aan functieverlies op. Mensen worden in deze fase vaak bedlegerig en dienen gebruik te maken van hulpmiddelen zoals rollator of rolstoel,
Symptomen die blijven:
Slecht zien of minder contrast, pijnlijke oogbewegingen, dubbel zien;
Vermoeidheid (snel moe, moe zonder duidelijke aanleiding);
Spierstijfte, spierzwakte;
Dove plekken of tintelingen, veranderd gevoel zoals branden, prikken, prikkelingen;
Stuurloosheid van bewegingen (lopen als dronken persoon, naast voorwerpen grijpen);
Slecht te controleren plassen (incontinentie);
Constipatie;
Seksuele storingen (minder of ander gevoel);
Depressie;
Geheugenstoornissen;
Moeilijk te verstane spraak.
Oplossingen/behandelingen:
Oefenen op recuperatie en conditieverbetering;
Informeren over en het aanleren van het gebruik van het juiste hulpmiddel;
Steun geven bij de verwerking van de veranderingen in het dagelijkse leven;
Helpen bij het organiseren van een aangepaste thuissituatie;
Advies geven bij het gebruik van de juiste medicatie;
Aandacht hebben voor het behoud van de levenskwaliteit;
Sociale en maatschappelijke ondersteuning;
Zelfmanagement;
Sport is belangrijk voor mensen met MS: de conditie moet op een hoog peil blijven.
Parkinson:
Wat?:
Dit is een neurodegeneratieve aandoening: hersencellen sterven langzaamaan af. Het is ongeneeslijk.
Oorzaken:
Dopamine-producerende zenuwcellen sterven af. Dopamine zijn stoffen in hersenen die zorgen voor beweging van de spieren.
Symptomen:
Trager bewegen: trager lopen, trager denken en bewegingsarmoede;
Deze symptomen verergeren onder stress en tijdsdruk;
Beven in rust (tremor);
Stijfheid van de spieren en verstarring, plotse blokkering van het stappen;
Minder gelaatsexpressie: maskergezicht, uitdrukkingloos en verstarde blik;
Vraag naar de emoties, want je kan ze niet meer van het gezicht aflezen;
Lopen met kleine pasjes, voeten slepen;
Verminderde armzwaai en voorovergebogen romp;
Kleinere bewegingen maken: problemen met fijne motoriek, klein onleesbaar geschrift;
Veranderingen van spraak: eentonige en zwakke stem, heesheid;
Evenwichtsstoornissen en freezing (voeten plakken aan de grond): verhoogd valrisico!;
Wisselende zelfredzaamheid;
Verschilt van moment tot moment, de zorgvrager heeft hier geen invloed op.
Oplossingen/behandelingen:
De behandeling bestaat voornamelijk uit afremmen van ziekte door medicatie of behandeling van symptomen. Ook met prolopa en stalevo. De medicatie moet steeds op een vast tijdstip genomen worden en er is ook mogelijkheid tot diepe hersenstimulatie.
Hersenvliesontsteking of meningitis:
Wat?:
Dit is een ontsteking van het hersenvlies door een bacterie of virus.
Bacterile meningitis:
Dit is levensbedreigend.
Oorzaken:
Meningokok;
Pneumokok;
Haemophilus Influenza type B.
Deze zitten in de neus en keel en zijn meestal onschuldig.
Door te hoesten, niezen en omhelzen kan je het krijgen van andere mensen.
Het kan bloedvergiftiging of sepsis veroorzaken.
Symptomen:
Begint vaak als zware griep: hoge koorts, spierpijn, hoofdpijn, onwel voelen, sufheid en verwardheid, misselijkheid en braken, etc.;
Stijve nek door prikkeling van je hersenvliezen (maar niet altijd);
Bij babys -> luierpijn: wenen bij omhoog brengen van beentjes bij het verversen van de luier;
Tekenen van sepsis: rood-paarse vlekken op huid die niet verdwijnen als je erop drukt;
Bewustzijnsvermindering: niet meer adequaat reageren op vragen of prikkels.
Diagnose:
Aan de hand van de ziektetekenen;
Doorsturen naar specialist voor lumbaalpunctie -> ruggenmergvocht wordt afgenomen voor onderzoek om verwerker aan te tonen.
Behandeling:
Vaak opname in ziekenhuis;
Hoge dosissen antibiotica via infuus;
Soms met cortisone;
Preventieve antibiotica behandeling aanbevolen aan omgeving.
Virale meningitis:
Symptomen:
Zelfde klachten als bacterile meningitis maar trager en ernstiger;
Algemene toestand is minder aangetast;
Vaak loopt men er langer mee rond vooraleer een arts geraadpleegd wordt.
Diagnose:
Diagnose aan de hand van ziektetekenen;
Doorsturen naar specialist voor lumbaalpunctie -> ruggenmergvocht wordt afgenomen voor onderzoek om verwerker aan te tonen.
Behandeling:
Geneest vanzelf;
Behandelen van klachten door bijvoorbeeld middel van braken of pijnstiller;
Behandeling kan thuis gebeuren;
Bij zeer uitgesproken klachten: toch antibioticahandeling in ziekenhuis.
4.4.10: EHBO:
Epilepsie;
Koortsstuipen;
Syncope;
Vreemd voorwerp in oor/neus.
Epilepsie:
Wat?
Dit is een plotselinge, tijdelijke verstoring van de elektrische prikkeloverdracht in de hersenen.
-> Plaatselijke overprikkeling (partile aanval)
-> Volledige overprikkeling (gegeneraliseerde aanval)
Wat doen bij epilepsie?
1. Veiligheid
Voorkom dat het slachtoffer zich kan kwetsen, maak ruimte rondom;
Bril verwijderen;
Leg iets onder het hoofd;
Steek niets in de mond;
Houd bewegingen niet tegen.
2. Beoordeel toestand:
Na de aanval: bewustzijn en ademhaling;
Kwetsuur?
3. Verwittig de hulpdiensten indien:
Niemand de persoon kent en men niet weet of de persoon epilepsie heeft;
Het slachtoffer bewusteloos blijft na de aanval;
De aanval langer duurt dan een paar minuten (5-10 minuten);
De aanval terug opnieuw begint (status epilepticus);
Het gaat om een eerste epileptische aanval;
Het slachtoffer ernstige letsels heeft opgelopen tijdens de aanval.
4. Verleen eerste hulp
Blijf rustig;
Registreer de kenmerken van de aanval + timen;
Probeer te weten of er een voorgeschiedenis is;
Leg slachtoffer in stabiele zijligging indien bewusteloos;
Laat slachtoffer op rustige manier bijkomen.
Koortsstuipen:
Het gebeurt vaak bij kinderen tussen 6 maanden en 6 jaar wanneer men koorts heeft.
1. Veiligheid waarborgen
2. Controleer het bewustzijn en ademhaling indien de aanval voorbij is
3. Verwittig 112 bij start stuipen bij de 1ste keer of > 2 minuten
4. Eerste hulp:
Afkoelen: kledij uit, washandje op het lichaam, koortswerende medicatie;
Voorkomen van kwetsuur tijdens aanval;
Timen van aanval;
Zijlig na aanval.
Syncope:
Wat?:
Dit is een kort bewustzijnsverlies als gevolg van een tijdelijk zuurstoftekort in de hersenen. Dit is tijdelijk en omkeerbaar bewustzijnsverlies.
Het is meestal onschuldig en kan een reactie zijn op:
Pijn;
Uitputting;
Emotie;
Lang rechtstaan.
Symptomen:
Oorsuizingen geeuwen;
Bleekheid;
Zweten en koude klamme huid;
Duizelig zwarte vlekken voor de ogen;
Bewustzijnsverlies en vallen.
Wat te doen?:
1. Veiligheid
Indien het slachtoffer het voelt aankomen: veilig neerleggen;
Preventie door tegendrukmanoever.
2. Beoordeel toestand
3. Raadpleeg gespecialiseerde hulp
Flauwte optreedt zonder merkbare oorzaak;
Flauwte herhaaldelijk optreedt;
Flauwte als gevolg van impact op het hoofd of bij hitte;
Flauwte tijdens inspanning;
Flauwte in liggende houding.
Raadpleeg 112 -> als slachtoffer niet bijkomt na 2 minuten.
4. Verleen eerste hulp
Slachtoffer neerleggen benen hoogstand;
Zorg voor frisse lucht kledij losmaken;
Washandje of koude kompres op voorhoofd;
Nagaan van bijkomende letsels;
Geleidelijk aan rechtzitten na bijkomen.
Indien slachtoffer niet bijkomt binnen 2 minuten -> geen flauwte maar ernstiger -> handel zoals bewusteloos slachtoffer.
4.5 Gedelegeerde verpleegkundige handelingen:
4.5.1: Parameter bewustzijn
Wat?:
Dit is het bewust zijn van zichzelf en de wereld en het is een toestand waarin we de belevenissen of het gebeuren in en om ons heen laten doordringen. Als je bij bewustzijn bent, ben je goed aanspreekbaar en gericht op antwoorden op vragen.
Bewustzijnsgraad -> mate waarin de zorgontvanger op prikkels reageert.
Weerspiegeling hersenfunctie -> mogelijk eerste teken van slecht functioneren centraal zenuwstelsel.
Niet normaal bewustzijn:
Dit is verminderd bewustzijn of bewustzijnsverlies.
Het volledig verlies van bewustzijn is een coma:
De ogen openen niet;
Niet reageren op pijnprikkels;
Geen herkenbare mondelinge reactie geven;
Zorgontvanger is niet in staat bevelen op te volgen.
Zorgontvangers met dementie, psychische problemen en mentale problemen antwoorden vaak niet correct op vragen wat niet wil zeggen dat zij noodzakelijk minder bewust zijn.
Meten van het bewustzijn:
De Glasgow coma schaal is om de mate van bewustzijn te meten bij personen met een hersenletsel (na ongeval, val, botsing, slag op het hoofd,)
Beoordelen van 3 functiegebieden -> EMV:
(E)yes: ogen openen;
(M)otor: motorische reactie;
(V)erbal: verbale reactie.
Ieder functiegebied is gelinkt aan punten.
Punten worden opgeteld = totaalscore = Glasgow coma score.
Maximum 15 punten en minimum 3.
Hoe kan je nog het bewustzijn meten?
1. Zorgontvanger observeren
2. Kan je zorgontvanger ogen openen?
3. Is zorgontvanger aanspreekbaar
4. Pijnprikkel toedienen
5. Cijfer van GCS aanduiden
6. Cijfers optellen = totaalscore
4.5.2: Parameter: pijn
Wat?:
Dit is een symptoom en dus geen diagnose of ziekte.
Het is een natuurlijk beschermingsmechanisme, een waarschuwingssignaal.
Het is een onplezierige sensorische en emotionele ervaring geassocieerd met actuele en potentile weefselbeschadiging.
De beleving van pijn is persoonlijk. Pijn is wat de zorgontvanger zegt dat het is, is zo erg als de zorgontvanger zegt dat het is en treedt op wanneer de zorgontvanger dat zegt.
Meten van pijn aan de hand van hulpmiddelen/meetinstrumenten:
VAS: visueel analoge schaal
Zorgontvanger geeft aan hoe hij de pijnintensiteit op dat ogenblik beleeft.
NRS: numerieke schaal
GVS: gewone verbale schaal
5 uitspraken over de graad van pijn.
Gezichtjesschaal: bij kinderen
PACSLAC: bij personen met dementie
Lijst van 24 items in 3 categorien: gelaat, verzet, sociaal emotioneel.
Zorgend handelen:
Luisteren naar de zorgontvanger;
Navraag doen bij de zorgontvanger;
Hoe voelt men zich?;
Neem de pijn ernstig;
Alles duidelijk rapporteren.
4.5.3: Medicatie: oogmedicatie toedienen (oculaire medicatie)
Sta stil bij de 5Js + basisprincipes
Juiste patint/zorgvrager;
Juiste medicatie;
Juiste tijdstip;
Juiste dosis;
Juiste toedieningswijze.
Medicatie toedienen via het oog:
Is het oog gereinigd?
-> Controleer de aanwezigheid van afscheiding en/of korstjes.
Gebruik een vochtig kompres met fysiologisch water, beweeg van minder naar meer bevuilde zone.
Vraag altijd na aan een verpleegkundige welk product je mag gebruikten voor het reinigen.
Wat?:
Het toedienen van oogdruppels is het inbrengen van een vloeibaar geneesmiddel in de onderste conjunctivae zak:
Om het oog te ontsmetten;
Pijn te stillen;
Het oog te verdoven;
Pupillen te verwijderen of vernauwen;
Om het oog te bevochtigen.
Techniek:
Benodigdheden:
Oogdruppels;
Kompressen/materiaal om het oog te reinigen;
Niet steriele handschoenen/handontsmetting.
Uitvoering:
Zorg dat je weet welk oog je moet behandelen;
Handhygine;
Controleer de identiteit van de zorgontvanger;
Geef een zakdoekje aan de zorgontvanger om eventuele tranen of overtollige oogdruppels op te vangen;
Houding aanpassen aan de toestand van de zorgvrager;
Voer een oogreiniging uit indien het oog niet proper is;
Haal het dopje van het flesje en leg het dopje met de opening naar boven.
Waarop letten als zorgkundige bij het toedienen van oogdruppels?
Handhygine;
Methodisch handelen;
Oog reinigen;
Geopende flacon niet langer dan 1 maand na opening gebruiken;
Verwijder contactlenzen bij toediening;
Meerdere soorten medicatie? Vraag aan verpleegkundige welke volgorde ze moeten toegediend worden. Laat steeds 5 minuten tussen het toedienen van verschillende oogdruppels;
Observeer tijdens en na toediening;
Medicatieblad aftekenen.
Oogzalf toedienen:
Wat?:
Het aanbrengen van oogzalf is het aanbrengen van zalf in de conjunctivae zak om het oog te ontsmetten, een infectie te behandelen of bij allergie.
Techniek:
Benodigdheden:
Oogzalf of ooggel in een tube;
Steriel kompres;
Kompressen/materiaal om oog te reinigen;
Niet steriele handschoenen.
Uitvoeringen:
Zorg dat je weet welk oog je moet behandelen;
Handhygine;
Controleer de identiteit van de zorgontvanger;
Informeer de zorgontvanger;
Houding aanpassen aan de toestand van de zorgvrager;
Voer een oogreiniging uit indien het oog niet proper is;
Haal het dopje van de tube met zalf en leg het dopje met de opening naar boven;
Duw een klein puntje oogzalf uit op een steriel kompres;
Na het toedienen de oogzalf/gel opnieuw sluiten.
Waarop letten als zorgkundige bij het toedienen van oogzalf?
Handhygine;
Methodisch handelen;
Oog reinigen;
Geopende tube niet langer dan 1 maand na opening gebruiken;
Verwijder contactlenzen bij toediening;
Zorgontvanger kan tijdelijk wazig zien; voorkeur om s avonds toe te dienen;
Indien oogdruppels + oogzalf: eerst de oogdruppels, dan de oogzalf;
Observeer tijdens en na;
Medicatieblad aftekenen.
4.5.4: Medicatie: oormedicatie toedienen
Sta stil bij de 5 Js + basisprincipes:
Juiste patint;
Juiste medicatie;
Juiste tijdstip;
Juiste dosis;
Juiste toedieningswijze.
Wat?:
Het toedienen van medicatie in het oor gebeurt via oordruppels of zalf in de gehoorgang om:
Een oorprop te verweken;
Te ontsmetten;
Pijn te stillen;
Een infectie te bestrijden;
Sommige werken ook tegen allergien;
Bij jeuk.
Nodige materiaal:
Oordruppels of zalf;
Indien geen druppelflesje, een pipet;
Niet steriele handschoenen/handontsmetting.
Techniek:
Benodigdheden:
Flesje met de voorgeschreven druppels;
Enkele wattenbolletjes;
Handschoenen of handontsmetting.
Uitvoering:
Zorg dat je weet welk oor je moet behandelen;
Handhygine;
Controleer de identiteit van de zorgontvanger;
Informeer de zorgontvanger;
Verwijder zichtbaar vuil uit het oor;
Indien pipet: vul de pipet met de voorgeschreven hoeveelheid medicatie;
Let op de houding van de zorgontvanger;
Bereid de zorgontvanger voor op het indruppelen.
Indien er 2 soorten oorindruppeling voorgeschreven worden:
Niet meteen na elkaar doen;
Pauze inlassen tussendoor.
Waarop letten als zorgkundige bij het toedienen van oormedicatie?
Handhygine;
Methodisch handelen;
Oormedicatie in koelkast? Eerst op kamertemperatuur brengen;
Volwassenen: oorschelp naar boven/achter trekken;
Kinderen: oorschelp naar beneden/achter trekken;
Verwittig zorgontvanger wanneer druppel zal vallen;
Druppel nooit rechtstreeks op trommelvlies;
Irritatie, roodheid of jeuk -> verpleegkundige.
Neusmedicatie:
Het toedienen van neusdruppels:
Laat zorgontvanger achteroverbuigen liggend of zittend;
Druk het ene neusgat dicht;
Pipet horizontaal boven het andere neusgat;
Voorgeschreven aantal druppels in het neusgat laten vallen, zonder dat de pipet de neus raakt. Zo voorkom je dat de pipet bevuild wordt;
Druk het neusgat dicht en laat de zorgontvanger de druppels voorzichtig opsnuiven.
Het toedienen van neusspray:
Laat zorgontvanger het hoofd rechtzetten;
Neusstuk van de neusspray in een van de neusgaten, weggericht van het neustussenschot;
Druk het ander neusgat dicht;
Spray krachtig terwijl de zorgontvanger inademt via de neus;
Aanzetstuk uit de neus halen en vraag de zorgontvanger een paar tellen door de mond te ademen.
Herhaal de handeling zo nodig voor het andere neusgat;
Reinig de pipet of het neusstuk;
Neus niet onmiddellijk laten snuiten.
Waarop letten als zorgkundige bij het toedienen van neusdruppels/neusspray?
Handhygine;
Methodisch handelen;
Zelfstandigheid aanmoedigen -> geef gericht informatie en toon het eventueel voor;
Observeer goed na het toedienen en als er ongewenste reacties zijn verwittig je de verpleegkundige;
Medicatieblad aftekenen, uur noteren, rapporteren.
5. Het spijsverteringsstelsel
Vertering?
Verteringsenzymen: amylasen, protenasen en lipasen.
Amylasen zijn enzymen die koolhydraten afbreken.
Protenasen zijn enzymen die eiwitten afbreken.
Lipasen zijn enzymen die vetzuren afbreken.
Anatomie van het spijsverteringsstelsel
De mondholte:
Het dak van de mondholte is het gehemelte.
Het voorste gedeelte is het harde gehemelte.
Het achterste gedeelte is het zacht gehemelte.
Midden van het zachte gehemelte is de huig.
Op de bodem van de mond ligt is de tong.
De bekleding van de mondholte is het slijmvlies.
De tong:
Het is een heel beweeglijke spier.
Hij is bekleed met vele kleine uitsteeksels ofwel smaakpapillen die 5 smaken kunnen onderscheiden: bitter, zuur, zout, zoet en umami.
De functie van de tong:
Mechanisch: het helpt met kauwen, kneden en slikken van voedsel.
Smaakzintuig: helpt bij het proeven van smaken.
En andere dingen zoals zingen, spraak,
Gebit:
We krijgen in ons leven 2 keer een nieuw gebit.
Onze tanden zorgen ervoor dat het voedsel vermalen wordt.
Kauwen zorgt ervoor dat het voedsel kleiner en vermengd wordt met speeksel.
De functie van het gebit is het snijden en fijnmalen van voedsel.
Speekselklieren:
Er zijn 3 soorten. Namelijk de oorspeeksel klieren, de onderkaakspeeksel klieren en de ondertongspeeksel klieren.
Speeksel:
De hoeveelheid speeksel die per dag wordt geproduceerd is 5 liter. Het is kleurloos en bestaat voornamelijk uit water, maar ook slijm, eiwitten en het enzym amylase dat koolhydraten afbreekt.
De functie van de speekselklieren:
De functie is de productie van speeksel en dus ook het verteringsenzym amylase. Ook is een andere functie de smering van het voedsel om het glad en sappig te maken.
De keelholte:
Achteraan de mondholte is er het zacht gehemelte. De huig die vooraan zit sluit de neus af en het strotklepje achteraan voorkomt stikken.
Het normale slikproces:
Als er een voedselbrok in de mond zit gaan de lippen en tanden op elkaar. De tong drukt ook tegen het hard gehemelte.
Om de voedselbrok in te slikken wordt de neus afgesloten met de huig, het strotklepje gaat naar beneden voor de afsluiting van de luchtpijp en het voedsel gaat naar de slokdarm.
De slokdarm:
Deze is ongeveer 30 cm lang en de diameter is 2 cm in rust en deze kan uitzetten tot 3 cm.
Het is het nauwste deel van het spijsverteringsstelsel.
Hij ligt diep in de borstkas, achter de luchtpijp en voor de wervelkolom.
Het heeft enkel een transportfunctie van de keel naar de maag.
De wand van de slokdarm:
Een slijmvlieslaag zorgt voor de bekleding van de binnenkant.
De bindweefsellaag heeft kliertjes die slijm produceren als soort glijmiddel voor voedsel.
De spierlaag bestaat uit de lengtespier en de kringspier.
Dit zorgt voor het verplaatsen van het voedsel met peristaltische bewegingen.
De functie van de slokdarm:
Deze zal peristaltische bewegingen produceren en de productie van slijm. ZONDER ENZYMEN
De maag - ligging:
De maag ofwel de gaster ligt bovenaan centraal in de buikholte.
Hij is verbonden met de slokdarm en het eerste deel van de dunne darm.
Ons voedsel blijft gemiddeld 1-3 uur in de maag.
De maag bouw:
Het is een zakvormig orgaan met een uitstulping aan de linkerkant. Hij is gelegen net onder het middenrif, aan de linkerkant. Aan de maagingang zit de sluitspier ofwel de reflux. Onderaan de maag ligt de sluitspier ofwel de uitgang. De sluitspieren worden ook maagportieren genoemd.
De onderdelen van de maag:
Cardia: overgang tussen slokdarm en maag
Fundus: bovenste bolvormige deel van de maag
Corpus: middelste, grootste deel van de maag
Antrum: onderste deel van de maag
Pylorus: overgang tussen maag en duodenum
Kleine curvatuur: binnenste kromming van de maag
Grote curvatuur: buitenste kromming van de maag
Slokdarm: buis die voedsel naar de maag brengt
Duodenum: 12-vingerige darm: eerste deel van de dunne darm
In het bovenste deel van de maag zal het maagsap afgescheiden worden en naar beneden druppelen.
In het onderste deel van de maag wordt het maagsap gemengd, gemixt en gemalen met het voedsel.
vanbinnen een dikke slijmvlieslaag: in plooien gespreid bevatten de maagsapklieren wat ervoor zorgt voor de productie van het maagsap.
Ook is er bindweefsel aanwezig in de maag, bestaand uit cellen, vezels, bloedvaten en zenuwen. De maag is heel gevoelig (denk aan het stress effect).
De maag is ook een grote sterke spier die erin slaagt om voeding te kneden, mixen en voort te bewegen.
De maag maagsap:
Het is een waterige zure vloeistof. Het wordt produceert door maagsapklieren. Ook wanneer je niet eet, maakt je maag maagsap aan. Dit is 1,5 liter per 24 uur gemiddeld. Er is een hogere productie als we eten proeven, kauwen, ruiken of zien. De hoeveelheid en samenstelling worden automatisch aangepast aan het soort voedsel.
Het bevat zoutzuur (activeert enzymen voor het maagsap, bacterin dodend), enzymen (eiwitsplitsend voor de vertering) en slijm (beschermt de maagwand, zoniet is er zelfvertering).
Verloop van de maag:
De peristaltiek van de maag kneedt de voeding. De maagportier wordt hiervoor gesloten tot het voldoende gekneed is en zuur genoeg is. Het voedsel verlaat de maag in kleine porties. De maagportier opent zich en sluit direct na de voedselbrok. In de dunne darm wordt het voedsel geneutraliseerd door alvleeskliersap en sap van lever/galblaas.
De Papil van Vater ligt tussen de galbuis en de alvleesklierbuis.
Functies van de maag:
Zorgt voor het bewaren van voedsel en water, productie van maagsap, voedsel kneden en vermengen met maagsap en het transporteren van voedsel richting de dunne darm.
Dunne darm:
Dit is het belangrijkste deel van het darmkanaal en zorgt voor opname van 90% van de voedingsstoffen. Het heeft een doorsnede van 3 cm. Het voedsel wordt lange tijd op dezelfde plaats opgeslagen (voor zon 4 8 uur). De langste darm (5 m) bestaat uit de twaalfvingerige darm, nuchtere darm en de kronkeldarm.
Duodenum/twaalfvingerige darm:
Het is het eerste deel van de dunne darm en hoefvormig. Het is 12 vingers lang dus ongeveer 25 cm. Op voorgrond zorgt het voor het afscheiden van verteringssappen zoals eiwitten, koolhydraten en vetten. Alle afvoerkanalen van de alvleesklier en de galblaas gaan via 1 gemeenschappelijke doorgang: de Papil van Vater.
De nuchtere darm/jejunum:
Hij is ongeveer 2 meter lang en gaat het grootste deel van voedingsstoffen opnemen.
De kronkeldarm/ileum:
Deze is 3,5 meter lang en heeft een minder rol qua opname van voedingsstoffen. Hierop is er wel een uitzondering namelijk vitamine B12. Dit vitamine zorgt voor aanmaak rode bloedcellen en stoffen voor groei en ontwikkeling van de zenuwbanen. Het einde van kronkeldarm is de klep van Bauhin (= 2 grote slijmvliesplooien).
De dunne darm de wand:
1ste laag: dubbele spierlaag;
2de laag: bindweefsel;
3de laag: slijmvlieslaag met zn klieren sterk geplooid (200m) deze plooien hebben veel vingervormige uitsteeksels die ook wel darmvlokken genoemd worden en ongeveer 1 mm lang zijn.
Tussen de plooien en darmvlokken liggen kleine darmsapklieren die darmsap produceren.
Darmsap:
Dit bevat water, slijm en enzymen die de vertering voortzetten. Deze enzymen zijn protenase, lipase en amylase.
Functie dunne darm:
Het zorgt voor het voortbewegen en kneden van voedsel, het 1ste gedeelte zorgt voor afscheiding van verteringssappen, het zorgt voor opname van voedingsstoffen en de belangrijkste functie is voedingsstoffen afgeven via bloed aan de lever.
Dikke darm/colon:
Zorgt voor het onttrekken van H2O en zouten en onverteerbare voedselresten. Het is korter en wijder met 120 cm lengte en 7,5 cm breedte. Het heeft een omgekeerde U-vorm en begint rechtsonder in de buik, lift onder de maag en lever en omgeeft de dunne darm. De kronkeldarm mondt uit in de dikke darm met de 2 slijmvliesplooien ofwel de Klep van Bauhin.
Het bevat ook de blinde darm met een wormvormig aanhangsel wat de appendix (8 cm) noemt.
Het stijgende deel noemt de ascendens.
Het dwarslopende deel noemt het transversum.
Het dalend deel noemt de descendens.
Het is S-vormig, dit wordt ook wel een Sigmod genoemd.
Het rectum en de anus:
De endeldarm noemt men het rectum en de anus zijn twee sluitspieren.
Endeldarm/rectum:
Hij is rekbaar voor tijdelijke opslag van ontlasting. Het komt uit in de anus die 2 kringspieren heeft. Deze twee kringspieren zijn de inwendig sluitspier die niet onder invloed is van wil en de uitwendig sluitspier die reflectorisch is.
De dikke darm darmwand:
Het bevat een dubbele spierlaag, een bindweefsellaag en een slijmvlieslaag die plooien heeft maar geen darmvlokken zoals de dunne darm.
De peristaltiek verloopt veel trager dan in de dunne darm.
De dikke darm functie:
Het zorgt voor het indikken van faeces door H2O en zouten te onttrekken, het produceren van vitamine K wat belangrijk is voor bloedstolling, de rottings- en gistingsprocessen, de defaecatie of ontlastingsdrang door voldoende stoelgang in het rectum te doen en het is het primaire immuunsysteem door probiotica of darmflora.
De pancreas:
Het is een langwerpige roze-grijzeklier van 15 cm en 80 gram. Het heeft een bobbelig uiterlijk, zachte structuur dat gemakkelijk scheurt. Het ligt horizontaal, achter de maag met de kop in de bocht van de dunne darm. Het bevat 3 delen namelijk een breed deel ofwel de kop, een smaller middendeel ofwel het lichaam en het uiteinde ofwel de staart die tegen de mild ligt.
De exocriene klier of uitwendige afscheiding: produceert 1 liter alvleeskliersap per dag. Dit is een soort waterig vocht dat dient om maagzuur te neutraliseren. Het is enzymrijk met lipase, amylase en protenase.
De endocriene klier of inwendige afscheiding: gaat via de Eilandjes van Langerhans. Deze zal hormonen afscheiden. De hormonen in kwestie zijn insuline om de bloedsuiker te laten dalen en glucagon om de bloedsuiker te laten stijgen.
De lever/hepar:
Dit is de zwaarste klier in ons lichaam en weegt 1,5 kilo. Aan de voorkant wordt het beschermt door de ribben en het heeft een roodbruine kleur. Het bestaat uit een grotere rechterkwab en een kleinere linkerkwab. Er zitten twee systemen in, namelijk een bloedvat systeem en een galgangsysteem.
De lever functie:
Het doet aan koolhydraatstofwisseling, eiwitstofwisseling, vetstofwisseling, ontgifting van het bloed, r-productie van galvloeistof en dient als reservoir.
De galblaas/cholecyst:
Het is een opslagorgaan dat lijkt op een peervormig zakje van 8 10 cm. De lever produceert de galvloeistof (500 800 ml). Via de galkanalen gaat dit naar de galblaas.
Galsap:
Het is een uitscheidingsproduct van de lever met een oranje-gele kleur. Als er ingedikt gal is heeft het een donkerdere kleur, namelijk bruin-groen. Het bevat waterige oplossingen van zouten die helpen om vetten te verteren, bilirubine wat een afbraakproduct is van rode bloedcellen en slijm.
Galblaas functie:
Het zorgt voor het opslaan van door de lever gevormde galsap, voor afgifte van door de lever geproduceerd galsap indien nodig. Het kan nodig zijn door prikkeling via voedsel in de darm of door water te onttrekken van de gal waardoor deze groen en slijmerig worden.
Braakmechanisme:
Braken?:
Braken is het ongewild krachtig uitstoten van maaginhoud via de mond met een voorafgaande misselijkheid.
Misselijkheid en braken zijn geen ziekten. Misselijkheid en braken zijn verschijnselen van een aandoening ergens in het lichaam en dus niet noodzakelijk in het spijsverteringsstelsel.
Mechanisme:
Het utiliseert een tegenovergestelde peristaltiek, waarbij de inhoud van de maag en het bovenste deel van de dunne darm naar bovenkomen met samentrekkingen van de buikspieren en het middenrif. De maag zelf wordt hierbij slap en wijd.
Oorzaken:
Een aantal oorzaken kunnen zijn:
Zwangerschap;
Eten van bedorven voedsel, voedselvergiftiging;
Maag- darminfectie;
Overmatig alcoholgebruik;
Bestraling bij kankerbehandeling;
Uitlokken van braken bij anorexia nervosa;
Reactie van het lichaam op geuren, smaken, gedachten of geluiden;
Stress, migraine of hersenschudding.
Zorgend handelen:
Als de zorgvrager bewusteloos is doe je een linkerzijlig, als dit niet et geval is kan de zorgvrager gewoon rechtop zitten. Het opvangbakje moet groot genoeg zijn en papieren zakdoekjes binnen handbereik. Nadien voor je mondhygine uit en ververs je het bevuild linnen.
Observeren:
Dit kan op vlak van uitzicht, geur, samenstelling en zorgvrager.
Oberveren op vlak van uitzicht:
Helder rood betekent dat het vers bloed is.
Donker rood betekent dat het een oude bloeding is.
Koffiegruis betekent dat er een maagbloeding is.
Gelig groen betekent dat het galbraken is.
Observeren op vlak van geur:
Meestal ruikt het zuur en soms kan er een rottingsgeur zijn. Er is een speciale geur bij bloedingen en soms kan het ook fecaal zijn.
Observeren op vlak van samenstelling:
Het is niet normaal om onverteerd voedsel of slijm te zien. De wijze van braken is heel belangrijk namelijk of het golven zijn, explosief braken is,
Observeren op vlak van de samenstelling:
Als de zorgvrager gedehydrateerd is kan je deze kleine slokjes water geven of een ijsblokje. Ook kan je het best prikkelende factoren verwijderen en zorgen voor een rustige omgeving met frisse lucht.
Gezonde maag?:
Je kan zorgen voor een gezonde maag door niet te roken, vezelrijke voeding te eten, weinig of geen alcohol te consumeren en veel aan lichaamsbeweging te doen.
Ontlasting:
Bristol Stool Chart:
Observatie ontlasting:
Je moet letten op consistentie en vorm, hoeveelheid, kleur, geur en abnormale bestanddelen.
Consistentie en vorm:
Normale stoelgang heeft geen onverteerde bestandsdelen zoals slijm, bloed, parasieten. De vastheid is afhankelijk van voeding en vocht.
Een paar afwijkingen in de stoelgang zijn een waterige en frequente ontlasting (diarree), constipatie of verstopping, en harde, droge knobbeltjes wat voornamelijk voorkomt bij verkeerde voeding of verkeerde levenswijze.
Kleur:
Door voeding kan ontlasting zwart zijn na inname van ijzerpreparaten, dof bruin zijn na inname van veel vlees, rood zijn na inname van rode bieten en groen zijn na inname van spinazie.
Door ziekten kan het ook zwart zijn bij bloedingen in de maag (is zwart door de inwerking van het zoutzuur) en rood zijn bij vers bloed (bloedingen in de anus).
Hoeveelheid:
Normale stoelgang is rond 300 350 gram maar dit is afhankelijk van de opgenomen voeding en de frequentie.
Geur:
Dit is afhankelijk van het genuttigde voedsel want het ruikt altijd en de typische reuk is afkomstig van afbraakproducten van eiwitten.
Als er een afwijkende geur is kan dit zijn ten gevolge van een verhoogde gisting waardoor er een scherpe, doordringende geur kan zijn maar er kan ook rotting zijn in de dikke darm wat de geur van rottende eieren heeft.
Andere bestanddelen in ontlasting:
Er kunnen onverteerde voedselresten inzitten, bloed, slijm, etter, wormen, parasieten of parasieteieren. Dit is enkel in geval van ongezonde ontlasting.
Diarree:
Dit is een dunne waterachtige, frequente stoelgang waarbij het proces van indikking in de dikke darm is verstoord. Je moet opletten voor valse diarree of overloopdiarree.
Oorzaken:
Onvoldoende kauwen;
Te snelle passage;
Eiwitten gaan rotten en koolhydraten gisten waardoor deze de darm prikkelen tot lediging;
Tekort aan verteringssappen;
Medicatie: misbruik laxeermiddel, AB;
Reis (virussen en bacterin).
Zorgend handelen:
Niet eten maar wel drinken en dan langzaam overschakelen op gewone voeding bij verder afnemen van de diarree. Zorg ook voor een goede (hand)hygine. Aangeraden voeding is yoghurt en witte rijst.
Obstipatie of constipatie?:
Wat is obstipatie?:
Het normale stoelgangpatroon is verstoord wanneer men minder dan drie keer per week ontlasting maakt of wanneer er harde en pijnlijke stoelgang is. Dit is wanneer men van obstipatie spreekt.
Symptomen?:
Weinig frequente stoelgang maken;
Harde en droge stoelgang;
Ontlasten is moeizaam en pijnlijk;
Opgezette of opgeblazen buik;
Slecht ruikende adem.
Oorzaken:
Medicatie zoals antidepressiva, te veel laxativa, kalmeermiddelen,
Onvoldoende lichaamsbeweging;
Eetgewoonten die te eenzijdig zijn, te weinig vocht, te weinig vezelrijke voeding,
Uitstelgedrag;
Bepaalde aandoeningen zoals diabetes, dementie, hemorroden,
Zorgend handelen:
Als men het signaal krijgt om stoelgang te maken moet men naar de wc gaan. Ook is het best om bij zorgvragers met hartaandoeningen, oogoperaties, persen te vermijden. Een gezonde levensstijl is heel belangrijk met veel gevarieerde voeding en stimulatie om te drinken.
Wat is constipatie?:
Wanneer obstipatie langer dan zes maanden aanhoudt spreken we van een chronische obstipatie of een constipatie.
Het spijsverteringsstelsel: pathologie
Tandvleesontsteking:
Gezond tandvlees is roos van kleur maar bij een ontsteking staat het roder, gezwollen en bloedt het gemakkelijk. In het eerstadium noemt het gingivitis, in een vergevorderd stadium parodontitis.
Oorzaak:
Er zitten bacterin in de tandplak waardoor ze kunnen verstenen ofwel vastzitten aan de tanden. De ontsteking kan uitbreiden naar het kaakbot. Het tandvlees komt dan los van het gebit. In de holte nestelt zich een infectie waardoor de afbraak komt van het kaakbot ofwel parodontitis. Dit is niet te genezen.
Behandeling preventie!:
Zorg voor een goede mondhygine en tandpasta, observeer het tandvlees, gebruik een elektrische tandenborstel en tandenstokers of tandzijde.
Stomatitis:
In de binnenkant van de mond zit het mondslijmvlies dat ontstoken wordt. De meest gekende vorm van ontsteking zijn aften.
Oorzaak:
Bacterie, gist, virus, schimmel;
Afwijkingen of ontstekingen gebit;
Medicatiegebruik;
Verminderde weerstand;
Chronische aandoeningen.
Symptomen:
Een droog gevoeld, rood slijmvlies, blaasjes/kloofjes en gezwollen tandvlees.
Behandeling:
De mond spoelen is belangrijk, men kan kamillethee drinken. Ook is medicatiegetrouwheid heel belangrijk en men moet tijdig observeren en rapporteren.
Keelontsteking/faryngitis:
Hierbij is het slijmvlies in de keel ontstoken.
Oorzaak:
Virus (minder bacterie);
Ontstekingsreactie in het slijmvlies;
Andere oorzaken zijn ook mogelijk zoals roken, hooikoorts, alcohol en vitaminetekort.
Symptomen:
Pijn of een branderig gevoel in de keel, opgezwollen klieren in de hal, rode, gezwollen amandelen, heesheid, koorts en hoesten.
Behandeling:
Paracetamol;
Koud water drinken;
Keeltabletten;
Gorgelen met water/thee;
Rusten, uitzieken;
Niet roken, geen alcohol;
Fluisteren = belastend;
Keel vochtig houden;
Frequent last? -> NKO-arts.
Tonsillitis:
Dit is een amandelontsteking met als synoniem Angina.
Oorzaak:
Infectie door bacterie of virus.
Symptomen:
Keelpijn;
Moeite bij slikken;
Amandelen staan rood, gezwollen en soms zijn er witte vlekken of beslag.;
Soms koorts;
Uitgezette halsklieren.
Behandeling:
Rust!
Veel drinken;
Pijnstillers;
Ontstekingsremmers;
Bacterie? Gebruik antibiotica;
Vaak terugkerend? Ga naar een NKO-arts of ga voor een tonsillectomie.
Slokdarmontsteking/oesophagitis:
Oorzaak:
Schimmelinfectie die van nature in ons lichaam zit maar bij verminderde weerstand is er een uitbraak;
Medicatie zoals corticosteroden en antibiotica;
Aandoeningen zoals aids, diabetes of kanker.
Symptomen:
Moeite bij slikken;
Pijn borstbeen;
Witgeel beslag in mondholte/tong.
Behandeling:
Vermijden van te hete dranken en alcohol;
Weerstand op peil houden;
Gezonde levensstijl.
Reflux bij volwassenen:
Wordt ook wel het zuur genoemd. Dit is het opspringen van speeksel in de slokdarm en mond.
De zwakke sluitspier zit aan de maagingang waardoor het maagzuur kan terugvloeien.
Oorzaak:
Overgewicht;
Alcohol, cafene, roken;
Vette en pikante voeding;
Volledig plat liggen tijdens het slapen.
Symptomen:
Brandend gevoel in het bovenste gedeelte van de buik;
Brandend gevoel in de borst, keel en/of mond;
Moeilijk slikken;
Chronische hoesten;
Piepende ademhaling.
Behandeling:
Medicatie zoals maagbeschermers en zuurremmers;
Oorzaak aanpakken;
Operatie.
Reflux bij kinderen:
De sluitspier van de maagingang bij babys is onvoldoende ontwikkeld.
De reflux verdwijnt meestal in de loop van het eerste levensjaar.
2 vormen:
Gewone reflux waarbij babys vaak spugen;
Verborgen reflux waarbij de babys niet spugen maar de maaginhoud naar omhoog komt tot in de keel en terugzakt. Ze zullen dus vaak herkauwen.
Symptomen:
Teruggeven voeding;
Irritatie slokdarm;
Pijn, vaak huilen;
Slecht slapen;
Overstrekken;
Geeuwen, tong uitsteken;
Veel willen drinken;
Groeiachterstand, gewichtsverlies;
Luchtwegproblemen.
Diagnose:
Lichamelijk onderzoek;
24 uurs pH-meting;
Slikfoto (rntgenfoto) met contrastpap;
Endoscopie (kijkonderzoek).
Behandeling:
Fase 1: algemene adviezen zoals 30 minuten na de voeding rechtop houden, kleinere hoeveelheden voeding en het bed omhoog zetten;
Fase 2: voeding indikken zoals met aangepaste melk en Johannesbroodpitmeel;
Fase 3 maagzuurremmers of maagbeschermers geven;
Fase 4: operatie.
Gastritis:
Dit is een ontsteking van het maagslijmvlies aan de binnenkant van de maag. De functie van dit maagslijmvlies is de productie van maagsap en bescherming van de wand voor zoutzuur in het maagsap.
Oorzaken:
Virus of bacterie;
Verminderde weerstand;
Alcohol;
Reflux van galvloeistof uit dunne darm;
Langdurig ontstekingsremmers gebruiken;
Stress want dit verhoogt maagzuurproductie.
Symptomen:
Pijn in de maagstreek;
Misselijkheid;
Opgeblazen gevoel;
Soms (bloed)braken.
Behandeling:
Gezonde levensstijl;
Rookstop;
Alcohol met mate;
St
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag