Studiebot antwoord

Stel een vraag ›
 
Vraag gesteld door: annanas004 - 1 jaar geleden

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: 1 Inleiding
Het materieel strafrecht beschrijft de strafbare gedragingen, geeft aan in welke gevallen een dader strafbaar is, en bepaalt welke straffen kunnen worden opgelegd.
Een groot deel van het materieel strafrecht is geregeld in het Wetboek van Strafrecht.
2 Legaliteitsbeginsel
In het materieel strafrecht worden een aantal menselijke gedragingen uit de privsfeer gehaald en overgeheveld naar het publiekrecht. Naar het oordeel van de wetgever kunnen de gevolgen van deze gedragingen niet beperkt blijven tot de rechtsrelatie tussen dader en slachtoffer.
Omwille van de rechtszekerheid van de burgers dient het strafbaar stellen van gedrag in een rechtsstaat zorgvuldig te gebeuren. Het moet voor alle burgers duidelijk zijn welke gedragingen strafbaar zijn en welk overheidsorgaan bevoegd is strafbepalingen te maken.
Art. 16 Grondwet en art. 1 Sr formuleren het legaliteitsbeginsel in het strafrecht als volgt: Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgaande wettelijke strafbepaling.
Het legaliteitsbeginsel bevat drie elementen.
Voorafgaand
Een verdachte kan alleen gestraft voor gedrag dat al strafbaar was op het moment van de daad. Strafbaarstelling achteraf is niet toegestaan.
Een dader moet op het moment van handelen (kunnen) weten dat hij het risico loopt te worden gestraft.
Geen gewoonte of analogie
Een strafbepaling moet vastgelegd zijn in een wet en mag niet op grond van gewoonte of van aanvulling door analogie worden vastgelegd.
Analogie -> de rechter trekt een wettelijke regeling op zodat ook niet wettelijk geregeld gedrag eronder valt als twee gedragingen sterk op elkaar lijken.
Wet in materile zin
Met een wettelijke strafbepaling wordt in art. 1 Sr het wetsbegrip in materile zin bedoeld.
Dit houdt in dat niet alleen de formele wetgever (regering en
volksvertegenwoordiging), maar ook andere overheidsorganen strafbepalingen kunnen maken.
3 Het algemeen en het bijzonder strafrecht Het materieel strafrecht bestaat uit twee delen.
Het algemene deel (Boek 1 Sr), de zogeheten algemene bepalingen, bevat voorschriften die op alle strafbepalingen van toepassing zijn.
Het tweede deel, het bijzondere deel, wordt gevormd door de strafbepalingen.
Het toepassingsgebied van de wettekst vergroten door een redenering naar analogie is in het strafrecht niet toegestaan. Wat wel mag, is het toepassingsgebied van de wettekst vergroten door de wettekst (zeer) ruim te interpreteren.
29

Strafbepaling
Strafbepaling -> beschrijvingen van verboden gedragingen met maximumstraf erbij.
Strafbepalingen staan niet alleen in het Sr. Maar ook bijzondere bestuurswetten en lagere regelingen bevatten vaak ook strafbepalingen.
4 Misdrijven en overtredingen
Strafbare feiten worden ook wel delicten genoemd. Ze kunnen worden verdeeld in misdrijven en overtredingen.
Misdrijven
Misdrijven (of rechtsdelicten) -> over het algemeen zwaardere strafbare feiten.
Met deze verboden gedragingen wordt de rechtsorde geschonden.
Overtredingen
Overtredingen (of wetsdelicten) -> over het algemeen lichtere strafbare feiten.
Hebben vooral een regelende, ordende functie (zoals verkeersregels). De gedragingen zijn strafbaar om wanorde te voorkomen.
5 De opbouw van een strafbepaling
Voorbeeld art. 310 Sr: Hij die enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
De beschrijving van het verboden gedrag is de delictsomschrijving of de gedraging.
In art. 310 begint de beschrijving van de gedraging met Hij die en eindigt met toe te eigenen.
De delictsomschrijving is opgebouwd uit zinsdelen, die bestanddelen worden genoemd.
Bij art. 310 Sr zijn de bestanddelen: enig goed; dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort; wegenemen; met het
oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.
Daarna volgt de kwalificatie, dit is de naam die de wetgever aan het verboden gedrag geeft.
Bij art. 310 Sr is dit diefstal.
De strafbepaling wordt afgesloten met de sanctienorm. Dit is de maximumstraf die de rechter voor dit strafbaar feit op mag leggen.
Bij art. 310 Sr is dit een gevangenisstraf van vier jaar of een geldboete van de vierde categorie.
Alle bestanddelen
Alleen als alle bestanddelen van deze delictsomschrijving door het OM kunnen worden bewezen, is er sprake van diefstal. Een verdachte maakt zich pas schuldig aan een strafbaar feit als zijn gedrag alle bestanddelen van de delictsomschrijving omvat.
Wederrechtelijkheid en schuld
Dat de gedragingen alle bestanddelen van de strafbepaling omvat, is echter niet voldoende voor de strafbaarheid van de dader. Er gelden daarnaast nog twee algemene voorwaarden voor de strafbaarheid, de elementen.
Bijzondere wetten (bijv. De Opiumwet) hebben meestal een bestuursrechtelijk karakter, maar vaak bevatten zij ook strafrecht omdat op overtreding van een aantal verboden in de bijzondere wet, straf is gesteld.
In het Sr staan de misdrijven in Boek 2 en de overtredingen in Boek 3.
In de bijzondere wetten staat per strafbepaling aangegeven of het een misdrijf of overtreding is. Het verschil hiertussen is van belang omdat de wet er verschillende gevolgen aan verbindt.
30

Soms zijn de elementen in de strafbepaling opgenomen, in andere gevallen worden ze niet expliciet genoemd. Maar ook als de elementen niet in de strafbepaling zijn opgenomen, zijn ze voorwaarden voor strafbaarheid van de dader.
1. Wederrechtelijkheid -> de gedragingen is in strijd met het recht.
2. Schuld -> de daad moet verwijtbaar zijn.
6 De dader
Met de dader in het strafrecht wordt de persoon bedoeld aan wie de strafbare gedraging kan worden toegerekend.
Dit kunnen individuelen zijn, maar ook bedrijven en instellingen (art. 51 Sr).
Strafbare rechtspersonen
Als de dader een rechtspersoon is, wordt vervolging ingewikkelder. Want deze rechtspersoon kan zelf niet handelen.
Hoewel art. 51 Sr de strafbaarheid van publieke rechtspersonen (overheidsorganen) niet uitsluit, is er op basis van de jurisprudentie een praktijk gegroeid waarin strafrechtelijke vervolging van publieke rechtspersonen maar op zeer beperkte mate mogelijk is.
Toerekenen aan de rechtspersoon
Om te beslissen in welke gevallen een rechtspersoon een strafbaar feit kan worden toegerekend, zijn er in de jurisprudentie drie criteria ontwikkeld:
1. Is het strafbaar gedrag verricht door een orgaan de rechtspersoon?
Het gaat er dan om of degene die het strafbaar feit verrichte, bevoegd was
de rechtspersoon te verdedigen.
2. Past de strafbare gedraging binnen het doel van de rechtspersoon?
Of het strafbare feit in de sfeer van de activiteiten van de rechtspersoon is.
3. Wordt de rechtspersoon gebaat door het strafbare feit?
Op basis van deze criteria stelt de rechter vast of een strafbaar feit aan een rechtspersoon kan worden toegerekend. Als dit het geval is, kan de rechtspersoon worden gedagvaardigd en berecht.
Tijdens de terechtzitting wordt de rechtspersoon vertegenwoordigd door een bestuurder van de rechtspersoon.
7 De poging
In 6 is gesteld dat alleen gedrag dat alle bestanddelen van een delictsomschrijving bevat, strafbaar is. Maar art. 45 Sr breidt de strafbaarheid uit.
Strafbare voorbereidingshandelingen
Dus een poging tot een misdrijf is alleen strafbaar als de dader als bezig is met de uitvoering van het misdrijf (uitvoeringshandelingen).
De voorbereiding van het misdrijf valt hier niet onder, omdat de voorbereidingshandelingen nog geen begin maken met het eigenlijke misdrijf.
Maar de wetgever heeft in art. 46 Sr een aantal voorbereidingshandelingen strafbaar
gesteld. De in dit artikel genoemde voorbereidingshandelingen zijn alleen strafbaar als ze dienen ter voorbereiding van misdrijven met een maximum van acht jaar of meer, die zouden worden uitgevoerd door twee of meer daders.
Natuurlijk rechtspersoon -> mens van vlees en bloed.
Rechtspersonen -> bedrijven en instellingen.
Als een strafbaar feit is begaan door een rechtspersoon kan de strafvervolging (art. 51 Sr) worden ingesteld tegen de rechtspersoon of tegen functionarissen die opdracht hebben gegeven aan het strafbaar feit, dan wel daaraan feitelijk leiding hebben gegeven.
Het is ook mogelijk om zowel de rechtspersoon en de betrokken functionaris(sen) te vervolgen.
Wanneer is een poging strafbaar:
1 De dader heeft de bedoeling een strafbaar feit te plegen. 2 Zijn handelingen zijn rechtstreeks gericht op de voltooiing van het misdrijf.
3 Hij heeft geen invloed op de omstandigheden waardoor de poging niet slaagt.
31

8 Deelneming
Het leerstuk van de deelneming bereidt zich ook uit. Dit leerstuk beschrijft de verschillende vormen van betrokkenheid bij eens strafbaar feit.
Art. 47 Sr noemt als deelnemingsvormen: medeplegen, doen plegen en uitlokken.
De medepleger, de doen-pleger en de uitlokker kunnen, ook al vervullen zij niet alle bestanddelen van de
delictsomschrijving, als daders worden gestraft.
Medeplegers
Medeplegers -> zijn daders die nauw samenwerken.
Op voet van gelijkwaardigheid bereiden zij samen het misdrijf voor en voeren zij het uit, waarbij de samenwerking zo nauw is dat het min of meer toevallig is hoe de taakverdeling tussen de daders uiteindelijk uitvalt.
Iemand die niet aanwezig was tijdens het plegen van het misdrijf kan nog steeds medeplichtig zijn.
Doen plegen
Er zijn minstens twee mensen betrokken bij het strafbaar feit, de feitelijke pleger en de doen-pleger, die de zaak als het ware geregisseerd heeft.
Kenmerkend voor doen plegen is dat de feitelijke pleger niet strafbaar is en dat de doen-pleger als dader wordt gestraft. Hoewel hij het feit niet zelf heeft gepleegd.
Uitlokken
Een uitlokker brengt een ander, door art. 47 Sr genoemd uitlokkingsmiddel, op de gedachte een strafbaar feit te plegen. Typerend voor de uitlokking is dat de uitlokker en de dader beide strafbaar zijn.
Medeplichtigheid
Deze deelnemingsvorm lijkt veel op medeplegen maar toch is er een verschil: een medeplichtige vervuilt een ondergeschikte rol bij de uitvoering of de voorbereiding van een misdrijf.
Bij medeplichtigheid gaat het initiatief volledig van de ander uit en bovendien is de medeplichtige slechts behulpzaam bij de daad, zonder zich met de gehele organisatie of de volledige uitvoering te bemoeien.
Een medeplichtige wordt niet als dader gestraft. Hij krijgt maximaal twee derde van de straf die op het misdrijf staat
waaraan hij medeplichtig is.
9 Strafuitsluitingsgronden
Het gaat bij strafuitsluitingsgronden om wettelijke bepalingen die de strafbaarheid uitsluiten ook al voldoet het gedrag van de dader aan alle bestanddelen van de delictsomschrijvingen.
Er zijn twee soorten strafuitsluitingsgronden: rechtvaardigingsgronden en schulduitsluitingsgronden.
Rechtvaardigingsgronden
Rechtvaardigingsgronden -> sluiten strafbaarheid uit omdat het feit niet strafbaar is.
Een overzicht van een aantal rechtvaardigingsgronden.
Overmacht in de zin van noodtoestand
Hierbij moet iemand kiezen tussen zich aan de wet houden en maatschappelijk gezien in gebreke blijven of de wet overtreden en voldoen aan een maatschappelijke verplichting (art. 40 Sr).
Noodweer
Met noodweer wordt de noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke aanval op mensen of goederen bedoeld.
Er is sprake van noodweer als iemand in reactie op een aanval onmiddellijk en met een gepast middel reageer (art. 41 Sr).
32

Wettelijk voorschrift
Iemand die ter uitvoering van een wettelijk voorschrift een strafbaar feit pleegt, is niet strafbaar.
Een beroep op een wettelijk voorschrift komt maar zelden voor, want doorgaans levert het naleven van wettelijke
voorschriften geen strafbaar feit op (art. 42 Sr).
Ambtelijk bevel
Iemand die eens strafbaar feit pleegt ter uitvoering van een ambtelijk bevel, is niet strafbaar (art. 43 Sr).
Ontbreken van de materile wederrechtelijkheid
De daad is weliswaar in strijd is met de wet, maar de strafbaarheid ontbreekt omdat de daad feitelijk niet in strijd is met het recht.
Als de materile wederrechtelijkheid ontbreekt, wordt in feite gezegd: ook al handelt de dader in strijd met de wet, feitelijk (materieel) is zijn handeling gerechtvaardigd (niet wederrechtelijk) en daarom is hij niet strafbaar.
Schulduitsluitingsgronden
Schulduitsluitingsgronden -> heffen de strafbaarheid op omdat de dader niet strafbaar op.
Psychische overmacht
Hierbij gaat het om een zo heftige, van buiten komende druk dat de dader daaraan redelijkerwijs geen weerstand kan bieden (art. 40 Sr).
Noodweerexces
Psychische overmacht (art. 40 Sr)
Ontoerekenbaarheid (art. 39 Sr) Onbevoegd gegeven ambtelijk bevel (art. 43 lid 2 Sr)
Noodweerexces (art. 42 lid 2 Sr)
Avas
Rechtvaardigingsgronden
Overmacht als noodtoestand (art. 40 Sr)
Noodweer (art. 41 lid 1 Sr)
Wettelijk voorschrift (art. 42 Sr)
Ambtelijk bevel (art. 43 lid 1 Sr)
Schulduitsluitingsgronden
Ontbreken materile
wederrechtelijkheid
De strafbaarheid wordt alleen opgeheven als de dader er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat het om een bevoegd gegeven bevel ging (art. 43 lid 2 Sr).
Ontoerekenbaarheid
Als psychiaters vaststellen dat iemand, op het moment van de daad, psychisch zo ziek was dat het strafbaar feit hem niet kan worden toegerekend, wordt hij vanwege ontoerekenbaarheid ontslagen van rechtsvervolging (art. 39 Sr).
Hij kan dan op basis van een rechterlijk bevel worden opgenomen in een psychiatrische kliniek.
Avas
Avas -> een niet wettelijk geregelde schulduitsluitingsgrond: afwezigheid van alle schuld (kortweg, avas genoemd).
Bij Avas pleegt iemand een strafbaar feit terwijl hij zich dit niet bewust is. Deze schulduitsluitingsgrond heeft geen wettelijke basis, hij is door de jurisprudentie ontwikkeld.
10 Strafdoelen
Het Nederlandse strafsysteem is gericht op een aantal strafdoelen.
14) Strafuitlsuitingsgronden
Bij noodweerexces gaat het om een
noodweersituatie waarin het slachtoffer, bijv. door de schrik, door boosheid of door paniek, een te zwaar middel heeft gekozen om zich te verdedigen.
Onbevoegd gegeven ambtelijk bevel
Het Wetboek van Strafrecht kent bijkomende straffen die de rechter naast een hoofdstraf aan een veroordeelde kan opleggen (art. 28 tot 36 Sr).
Jongeren van 12 tot 18 jaar kunnen een geheel eigen stelsel van straffen en maatregelen (art. 77h Sr en verder)
Kinderen tot 12 jaar kunnen niet worden gestraft (art. 77a Sr en art. 486 Sv).
33

Vergelding
De dader heeft met zijn strafbaar feit kwaad aangericht. Daarom moet hem in de vorm van een straf leed worden toegevoegd.
Preventie
Het opleggen van een straf moet voorkomen dat het strafbaar feit nogmaals wordt gepleegd.
Als de straf vooral bedoeld is om deze dader af te schrikken, wordt er gesproken van speciale preventie.
Als men met de straf ook andere mensen van het plegen van een strafbaar feit wil weerhouden, gaat het om generale
preventie.
Resocialisatie
Vooral het laatste deel van de straf heeft vaak als doel de terugkeer van de dader in de samenleving mogelijk te maken.
Voorkomen van eigenrichting
Door de overheid de taak te geven daders te straffen, hoopt men te voorkomen dat slachtoffers van misdrijven zelf wraak nemen.
11 Straffen
Art. 9 Sr geeft een overzicht van vier hoofdstraffen.
Gevangenisstraf
Gevangenisstraf is een vrijheidsstraf die kan worden opgelegd na een misdrijf.
In iedere strafbepaling is aangegeven hoelang de gevangenisstraf maximaal mag duren.
Het maximum dat als tijdelijke gevangenisstraf kan worden opgelegd, is 30 jaar. Daarnaast kent de wet de mogelijkheid
van een levenslange gevangenisstraf (art. 10 Sr).
De rechter is niet gebonden aan een bepaald minimum voor hoelang de gevangenisstraf mag duren.
Hechtenis
Hechtenis is een vrijheidsstraf die kan worden opgelegd na een overtreding.
Hechtenis komt niet zo veel voor omdat voor de meeste overtredingen een geldboete wordt opgelegd (art. 18 Sr).
Taakstraf
Als de rechter een taakstraf oplegt, moet de veroordeelde bij wijze van straf iets doen. Als maximum geldt een taak van 240 uur.
Voert de veroordeelde zijn taak niet uit, dan kan hem vervangende hechtenis worden opgelegd (art. 22c en 22d Sr).
Geldboete
Geldboetes zijn ingedeeld in zes categorien.
De eerste, categorie gaat (in 2022) tot 450, de vijfde categorie tot 90.000.
De zesde en laatste categorie, tot 900.000, is bedoeld voor rechtspersonen. 12 Maatregelen
Het Wetboek van Strafrecht kent ook maatregelen. Deze maatregelen beschermen de belangen van de samenleving.
Terbeschikkingstelling (tbs)
Deze maatregel (art. 37a Sr) kan worden opgelegd in geval van bepaalde misdrijven en indien er bij het begaan van het strafbare feit sprake is van een gebrekkige of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de dader.
Tbs met dwangverpleging maakt verpleging van de betrokkene in een tbs-inrichting mogelijk (art. 37b Sr).
34

Er bestaat ook een lichtere vorm van tbs: tbs met voorwaarden (art. 38 Sr).
Onttrekken aan het verkeer
De rechter kan gevaarlijke goederen die aan licht komen bij een misdrijf onttrekken aan het (maatschappelijk) verkeer. Deze goederen mogen vernietigd worden (art. 36b Sr).
Ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Deze maatregel maakt het mogelijk om de veroordeelde de winst uit een misdrijf te laten terugbetalen (art. 36e Sr).
Schadevergoeding voor het slachtoffer
Deze maatregel verplicht de veroordeelde om de schade te vergoeden die hij met zijn misdrijf heeft aangericht (art. 36f Sr).
Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
Wanneer een dader stelselmatig vanwege een misdrijf bestraft is, kan de rechter ervoor kiezen om de dader te laten plaatsen in een inrichting voor stelselmatige daders.
Het doel hiervan is het beveiligen van de maatschappij en het behandelen van de veroordeelde, zodat recidive (steeds opnieuw misdrijf plegers) in de toekomst wordt voorkomen.
Vrijheidsbeperkende maatregel (gebieds- of contactverbod)
Deze maatregel bestaat uit een gebieds- of contactverbod en/of verplichting om zich op het politiebureau op een bepaald tijdstip stipt te melden.
Deze maatregel kan worden opgelegd bij een veroordeling van in principe ieder strafbaar feit voor de duur van maximaal 2 jaar (art. 38v Sr).
Gedrag benvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel
Deze maatregel (art. 38z Sr) geeft rechters de mogelijkheid verdachten die ter beschikking zijn gesteld of veroordeeld zijn tot gevangenisstraf wegens ernstige misdrijven te onderwerpen aan gedrag benvloede of vrijheidsbeperkende voorwaarden.
Machtiging tot gedwongen forensische zorg
Volgens art. 2.3 van de Wet forensische zorg kan de strafrechter in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde een machtiging tot gedwongen forensische zorg opleggen aan mensen die lijden aan een psychische stoornis, aandoening of een verstandelijke handicap hebben
Hoofdstraffen
Gevangenisstraffen (art. 10 Sr) Hechtenis (art. 18 Sr)
Geldboete (art. 23 Sr)
Taakstraf (art. 22c Sr)
Omzetting van bepaalde rechten (art. 28 Sr) Openbaar maken rechterlijk vonnis (art. 36 Sr)
Verbeurd verklaren van goederen (art. 33 Sr)
Ontrekken aan het verkeer (art. 36b Sr) Schadevergoedingsmaatregel (art. 36f Sr)
Ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel (art. 36e Sr) Terbeschikkingstelling (art. 37a Sr)
Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (art. 38m Sr)
Vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr) Gedragbenvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38z)
Straffen art. 9 Sr
straffen
Maatregelen
Bijkomende
15) Straffen en maatregelen meerderjarigen
35

1 Inleiding
Het strafprocesrecht (formeel strafrecht) beschrijft de handhaving van het materieel strafrecht.
Een groot deel van het strafprocesrecht staat in het Wetboek van Strafvordering (Sv) maar ook in bijzondere wetten.
2 Uitgangspunten
Strafvordering wordt geregeld bij wet in formele zin
Art. 1 Sv bepaalt dat het totale strafproces wettelijk geregeld moet worden. Er is dus geen ruimte voor regels die gebaseerd zijn op gewoonte of op analogie.
Alleen de wetgever in formele zin mag wetten over strafvordering maken.
Onschuldig, tenzij
Een verdachte is onschuldig tot het moment dat een onafhankelijke rechter vaststelt dat hij schuldig is (art. 6 lid 2 EVRM).
Opportuniteitsbeginsel
Het OM is niet verplicht alle strafbare feiten die ter kennis komen van de politie, te vervolgen.
Besluit een OvJ van verdere vervolging af te zien ,dan wordt de zaak geseponeerd.
Technische sepots -> bijv. vanwege te weinig bewijs.
Beleidssepots -> bijv. binnen het OM wordt besloten om een bepaalde
zaak te laten liggen om meer aandacht te besteden aan een zaak met een hogere prioriteit.
Geen actieve medewerking verdachte
In Nederland hoeft de verdachte in het algemeen niet actief mee te werken aan zijn eigen veroordeling.
Zo kent art. 29 Sv het zwijgrecht.
3 Het strafproces
Het strafproces begint op het moment dat de politie vaststelt dat er een strafbaar feit is gepleegd en eindigt als de straf die de rechter heeft opgelegd, ten uitvoer is gelegd.
Het strafproces bestaat uit drie fasen:
Vooronderzoek
De politie en justitie verzamelen informatie over het strafbaar feit en over de mogelijke dader, zodat de rechter zich tijdens de terechtzitting een goed oordeel over de zaak kan vormen.
De OvJ leidt het vooronderzoek.
De wetgever moet in haar regelgeving evenwicht zien te houden tussen het opsporingsbelang en de rechten van de verdachte.
In dit kader wordt het vooronderzoek gematigd inquisitoir genoemd.
Dit duidt erop dat de verdachte eerder voorwerp van onderzoek is dan gelijkwaardige partij tegenover de opsporende en vervolgende instanties.
Maar de verdachte heeft ook een aantal
wettelijke rechten, daarom spreekt men van een gematigde inquisitoir karakter van het vooronderzoek.
De terechtzitting heeft een gematigd accusatoir karakter.
Hiermee wordt bedoeld dat de OvJ en de verdachte tijdens de zitting min of meer gelijkwaardige partijen zijn..
36

De rechter-commissaris heeft een toezichthoudende rol. Zij kan op verzoek van de OvJ of van (de raadsman van) de verdachte aanvullende onderzoek handelingen verrichten tijdens het gehele onderzoek.
Voor de toepassing van ingrijpende dwangmiddelen moet zij een machtiging geven.
Onderzoek ter terechtzitting
Zodra het vooronderzoek is afgerond besluit de OvJ of zij de zaak aan de rechter wilt voorleggen. Als zij vindt dat er een rechtszaak moet komen, stuurt zij de verdachte een dagvaarding, waarin de verdachte wordt opgeroepen ter terechtzitting te verschijnen.
In een dagvaarding staat precies aangegeven welk strafbaar feit het OM de verdachte ten laste legt (de tenlastelegging).
Tijdens het onderzoek krijgt de OvJ en de (raadsman van de) verdachte de gelegenheid om door middel van bewijsmateriaal en dergelijke hun standpunt ten aanzien van het ten laste gelegde feit aan de rechter kenbaar te maken, zodat de rechter uiteindelijk een verantwoorde beslissing kan nemen over de vraag of het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen is.
Tenuitvoerlegging van de straf
Als de verdachte veroordeeld wordt, legt de rechter in de meeste gevallen een strafmaatregel op.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) is verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van de straf of maatregel
(art. 6:1:1 Sv).
4 Personen in het strafproces
Verdachte
Alleen als er objectieve feiten en omstandigheden erop wijzen dat iemand zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, is hij een verdachte.
Art. 27 Sv beschrijft een verdachte.
In het strafproces is het van groot belang of iemand wel of niet als verdachte kan worden aangemerkt, want in principe
mogen alleen op verdachten dwangmiddelen worden toegepast.
Advocaat van de verdachte
De verdachten heeft het recht zich te laten bijstaan door een raadsman (advocaat) (art. 28 Sv en art. 18 Grondwet).
Vanaf het moment dat de verdachte in verzekering wordt gesteld hij het recht op bijstand van een (door de Raad van Rechtsbijstand) toegevoegde raadsman (art. 39 Sv).
In principe heeft een verdachte recht op vrij verkeer met zijn raadsman (art. 28 e.v. en art. 45 Sv).
Opsporingsambtenaar
Een opsporingsambtenaar heeft als taak en is bevoegd om strafbare feiten en verdachten op te sporen.
OvJ s en politiefunctionarissen zijn opsporingsambtenaren, maar ook ambtenaren die belast zijn met het opsporen van
belasting- of uitkeringsfraude of van milieudelicten zijn opsporingsambtenaren (art. 141 Sv).
De meeste dwangmiddelen mogen uitsluitend door opsporingsambtenaren worden toegepast.
Officier van justitie
De belangrijkste taak van de OvJ is het vervolgen van strafbare feiten. Zij leidt het vooronderzoek en beslist of zij de zaak aan de rechter voorlegt.
Ook zijn ze onderdeel van het Openbaar Ministerie (OM).
Naast officieren van justitie kent de wet hulpofficieren van justitie.
Dit zijn politiefunctionarissen met een wat hogere rang, die tijdens het opsporingsonderzoek een aantal beslissingen over
het toepassen van lichtere dwangmiddelen mogen nemen.
37

Reclassering
Als een verdachte in verzekering wordt gesteld wordt ook een medewerker van de reclassering gecontacteerd. Deze behartigd de persoonlijke belangen van de verdachte.
Zo nodig stelt hij een rapport op over de sociale achtergronden van de verdachte, zodat de rechter zich daarover een goed oordeel kan vormen.
Op verzoek van de verdachte helpt de reclassering ook bij het zoeken naar een taakstraf. En ze bieden hulp aan ex- gevangenen bij hun terugkeer in de maatschappij.
Rechter-commissaris
Is een rechter die tijdens het vooronderzoek een toezichthoudende taak heeft. Zij moet vooral bewaken dat er een zorgvuldig onderzoek plaatsvindt met een goed evenwicht tussen opsporingsbelangen en de belangen van de verdachten.
Voor een aantal ingrijpende dwangmiddelen moet zij een machtiging afgeven.
Zij kan op verzoek van de OvJ of van de (raadsman van de) verdachte, onderzoek handelingen verrichten.
Rechter belast met rechtspraak
De rechter (enkel- of meervoudige kamer van de rechter) beslist na het onderzoek ter terechtzitting of het door het OM ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen en legt zo nodig een straf op.
Lichte strafzaken worden door een alleensprekende kantonrechter of politierechter gedaan, bij zwaardere misdrijven zijn drie rechters betrokken.
Slachtoffer
De laatste jaren wordt er meer gefocust op het welzijn van het slachtoffer.
De rechter kan als maatregel opleggen dat de veroordeelde de aangerichte schade aan het slachtoffer vergoedt.
De politie heeft ook de taken de slachtoffers op hun rechten te wijzen en behulpzaam te zijn bij het vinden van
materile en immaterile hulp.
Slachtoffers kunnen zich ook voegen in de strafzaak.
Ze kunnen aan de strafrechter vragen om in de strafzaak een uitspraak te doen over de vergoeding van schade die het
misdrijf heeft veroorzaakt.
Slachtoffers van zware mogen tijdens de strafzitting een verklaring af te leggen
Dit spreekrecht komt ook toe aan nabestaanden van een overleden slachtoffer en aan ouders van een minderjarige. Als ze er niet op de zitting verschijnen, is het mogelijk om een schriftelijke verklaring in te dienen die vervolgens
wordt voorgelegen op de zitting. Een minderjarig slachtoffer mag ook een eigen verklaring indienen.
5 Het Openbaar Ministerie (OM)
Het OM heeft als belangrijkste taak verdachten van strafbare feiten te vervolgen en zo nodig te dagvaarden zodat de rechter zich kan uitspreken over hun schuld of onschuld.
Parket
Het OM is een hirarchisch opgebouwd orgaan waarvoor de minister van justitie politiek verantwoordelijk is.
De leden van het OM zijn meestal gehuisvest in het gebouw van de rechtbank, maar ze hebben een van de rechter
onafhankelijke positie.
Bij de rechtbank heten de leden van het OM, officier van justitie.
Bij de gerechtshoven worden de leden van het OM, advocaat-generaal genoemd.
Ieder gerechtshof heeft naast een advocaten-generaal, n hoofdadvocaat-generaal.
De organisatorische eenheid van het OM bij een (arrondissement)rechtbank wordt het (arrondissement) parket genoemd. Aan het hoofd van dit parket staat een hoofdofficier van justitie.
38

College van procureurs-generaal
Aan het hoofd van het OM staat het College van procureurs-generaal, dat bestaat uit tussen de drie en vijf leden.
En van hen wordt bij koninklijk besluit tot voorzitter benoemd (art. 130 Wet RO).
Dit College bepaalt het algemene beleid van het OM. Het vormt samen met de ondersteunende ambtenaren het Parket-
Generaal (art. 135 Wet RO).
6 De procureur-generaal bij de Hoge Raad
Er bestaat buiten de organisatie van het OM ook bij de Hoge Raad een parket, dat onder leiding staat van de procureur- generaal bij de Hoge Raad.
Haar bevoegdheden worden mede uitgeoefend door de plaatsvervangende procureur-generaal en door de advocaten- generaal bij de Hoge Raad (art. 111 en 113 Wet RO).
De belangrijkste taak van de procureur-generaal is het nemen van conclusie in strafzaken, civiele zaken en belastingzaken. Zij moeten onafhankelijk rechtsgeleerd advies geven aan de Hoge Raad in een concrete zaak, waarin wordt uiteengezet
welk antwoord op de rechtsvragen in die betreffende zaak naar zijn oordeel rechtens juist is. De leden van de Hoge Raad zijn niet aan de conclusie gebonden.
De procureur-generaal is ook bevoegd tot het instellen van cassatie in het belang der wet (art. 78 Wet RO).
Deze uitspraak dient alleen de rechtsvorming en de rechtseenheid, aan de procespartijen kan deze uitspraak geen nadeel
toebrengen.
De procureur-generaal is belast met de vervolging van ambtsmisdrijven en -overtreding van leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen (art. 119 GW).
In dat geval treedt hij op als procespartij (art. 4 Wet ministerile verantwoordelijkheid en ambtsdelicten leden Staten- Generaal, ministers en staatssecretarissen en art. 484 Sv).
7 Dwangmiddelen
Dwangmiddelen -> de wettelijke bevoegdheden die politie en justitie hebben om de waarheid te achterhalen.
Wordt ook wel bevoegdheden genoemd omdat het om rechten gaat die politie en justitie hebben om een strafbaar feit op te sporen.
Nu volgen een paar fundamentele regels die voor alle dwangmiddelen gelden.
Reactie op een strafbaar feit
Uitgangspunt van het Wetboek van Strafvordering is dat een dwangmiddel pas mag worden toegepast als er een redelijk verdenking bestaat dat er een strafbaar feit is gepleegd.
Wettelijk geregeld
Alle dwangmiddelen zijn wettelijk geregeld en bij ieder dwangmiddel is nauwkeurig aangegeven wanneer het dwangmiddel mag worden toegepast en wie toestemming moet geven voor het gebruik ervan.
Zwaarder delict, zwaarder dwangmiddel
Er mogen zwaardere dwangmiddelen worden gebruikt als het om verdenking van zwaardere delicten gaat.
Bij aanhouding op heterdaad, heeft ieder (opsporingsambtenaar en burger) de bevoegdheid om de verdachte aan te houden.
Dit dwangmiddel mag bij elk strafbaar feit worden toegepast (art. 53 Sv).
Bij een aanhouding niet op heterdaad zijn alleen de OvJ, HOvJ of de opsporingsambtenaar bevoegd en mag alleen plaatsvinden als de verdachte wordt verdacht van een misdrijf waar voorlopige hechtenis op staat.
(meestal met een strafmaximum van minstens 4 jaar (art. 54 Sv)).
39

Zwaarder dwangmiddel, hogere functionaris
Niet al te ingrijpende dwangmiddelen mogen zelfstandig door politiefunctionarissen worden toegepast maar voor het gebruik va zwaardere dwangmiddelen heeft de politie toestemming nodig van de OvJ of van de rechter-commissaris
Actieve medewerking niet verplicht
Een verdachte is niet verplicht om actief aan een dwangmiddel mee te werken: wel moet hij de toepassing van een dwangmiddel dulden.
Hierna volgen een aantal vrijheidsbenemende dwangmiddelen uit het Wetboek van Strafvordering.
Staande houden
Dit dwangmiddel mag worden toegepast bij verdenking van ieder strafbaar feit (art. 52 Sv).
In kader van de algemene identificatieplicht is een verdachte ook verplicht om op vordering van een opsporingsambtenaar een geldig identificatiebewijs ter inzage geven.
Het dwangmiddel gevangenneming richt zich op een verdachte die bij het begin van het onderzoek ter terechtzitting vrij rondloopt.
Op vordering van de OvJ kan de rechtbank de gevangenneming van deze verdachte vorderen voor maximaal negentig dagen (art. 66 Sv).
Wanneer het onderzoek eenmaal is begonnen, duurt de gevangenhouding of gevangenneming maximaal tot zestig dagen na de einduitspraak.
Aanhouden
De politie mag de verdachte meenemen om hem voor te leiden aan de (hulp)officier van justitie of aan de OvJ.
In de praktijk gebeurt dit voorleiden altijd op het politiebureau.
Ophouden in het belang van het onderzoek
De (hulp)officier aan wie de aangehouden verdachte wordt voorgeleid, moet de rechtmatigheid van de aanhouding beoordelen en beslissen of de verdachte wordt opgehouden in het belang van het onderzoek.
Hij wordt dan op het politiebureau vastgehouden en er mag dan o.a. vingerafdrukken worden genomen en hij mag verhoord worden.
Het ophouden voor onderzoek in geval van een verdenking van een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten, mag maximaal zes uur duren, te rekenen vanaf dat de verdachte wordt voorgeleid aan de (H)OvJ.
In geval van verdenking van een misdrijf waarvoor wel voorlopige hechtenis is toegelaten, is de tijdsduur maximaal negen uur.
De uren tussen 24:00 en 9:00 tellen niet mee (art. 56a).
Ophouden ter identificatie
Wanneer de verdachte zijn identiteitsbewijs niet kan/wil tonen (art. 55b Sv), kan er een probleem ontstaan aan het einde van de termijn voor het ophouden voor onderzoek.
In geval van een verdenking van een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten kan hij door (H)OvJ worden opgehouden ter identificatie.
Dit dwangmiddel is alleen bedoeld om de politie meer
tijd te geven om de identiteit van de verdachte vast
te stellen. Dit termijn bedraagt ook weer zes uur exclusief de nacht (art. 56b Sv).
In verzekering stellen
15 of 18 uur (inclusief nacht) 72 uur (3 dagen)
72 uur (3 dagen)
14 dagen
90 dagen 90 dagen
Middel
Ophouden voor onderzoek
In verzekering stellen
Verlengen in verzekering stellen
Bewaring
Gevangenhouding
Maximale toegestane tijd
Als een verdachte langer moet worden opgehouden voor onderzoek, kan de (H)OvJ hem in verzekering stellen. Dit is alleen toegestaan bij verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
Gevangenneming
16) Vrijheidsbenemende dwangmiddelen
40

Dit gaat nogmaals om misdrijven met een maximumstraf van minstens 4 jaar (en om een aantal in art. 67 Sv genoemde misdrijven met een lager strafmaximum).
De termijn voor de inverzekeringstelling bedraagt 72 uur maar kan bij dringende noodzakelijkheid eenmaal door de OvJ worden verlengd met nogmaals 72 uur.
In bewaring stellen
Na de inverzekeringstelling kan de verdachte zo nodig in bewaring worden gesteld. Dit wordt door de rechter-commissaris besloten op vordering van de OvJ.
Een inbewaringstelling is alleen mogelijk bij verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, en duurt maximaal 14 dagen.
Deze maatregel kan niet worden verlengd (art. 63 en art. 64 Sv).
Gevangenhouding
De verdachte kan na een inbewaringstelling zo
nodig worden gevangen worden gehouden. De rechtbank beslist op vordering van de OvJ en duurt maximaal 90 dagen (art. 66 Sv).
Deze maatregel is alleen mogelijk bij verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
Voorlopige hechtenis -> de dwangmiddelen in bewaring stellen, gevangenhouden en gevangennemen.
Dit dwangmiddelen kan alleen worden toegepast in de gevallen genoemd in art. 67 Sv en er moet sprake zijn van een
grond zoals genoemd in art. 67a Sv.
8 Bijzondere opsporingsbevoegdheden
Tot nu toe (in deze notities) is ervan uitgegaan dat opsporingsactiviteiten altijd gebeuren naar aanleiding van een redelijk vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd (klassieke opsporing). .
Sinds de jaren 90 zijn er in het Wetboek van Strafvorderingen zogeheten bijzondere opsporingsbevoegdheden toegevoegd. Deze mogen eerder worden ingezet als er een vermoeden bestaat dat een aantal mensen strafbare feiten voorbereidt
(b.o.b.).
Dit is nog verder uitgebreid en mag er al een opsporing plaatsvinden als er aanwijzing is voor een terroristisch
misdrijf.
Voorfase
De b.o.b. en de bevoegdheden ter bestrijding van terroristische misdrijven hebben de mogelijkheid van de politie om bevoegdheden toe te passen aanzienlijk verruimd.
Maar als dat is gebeurd, moeten de opgespoorde activiteiten worden teruggebracht tot een concrete verdenking gebaseerd op feiten en omstandigheden.
Bijzondere opsporingsbevoegdheden
Het Sv (art. 126g Sv en verder) kent zogeheten bijzondere opsporingsbevoegdheden om de bestrijding van de zware en georganiseerde criminaliteit (inclusief terrorisme) om te kunnen bestrijden.
Bijzondere opsporingsbevoegdheden bij terroristische misdrijven
De regeling van de bijzondere opsporingsbevoegdheden ter bestrijding van terrorisme is te vinden vanaf art. 126za Sv. Er worden geen nieuwe bevoegdheden gegeven, het gebruik van de bestaande (bijzondere) opsporingsbevoegdheden
wordt verruimd.
De verruiming van de bevoegdheden wordt, naar het oordeel van de minister, gerechtvaardigd omdat het bij terrorisme niet alleen gaat om het hard maken van een redelijke verdenking, maar ook het voorkomen van aanslagen.
41

Een terroristisch misdrijf is volgens art. 83 Sr ieder gewoon misdrijf dat met een terroristisch oogmerk wordt gepleegd. Art. 83 Sr geeft aan dat onder een terroristisch oogmerk moet worden verstaan: het oogmerk om
- (Een deel van) de bevolking ernstige vrees aan te jagen, of;
- Een overheid of een internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden, dan
wel;
- De fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale
organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.
Bij terroristische misdrijven mogen bij een lagere graad van verdenking al bevoegdheden worden toegepast.
Langer voorarrest
Als er eenmaal een verdachte is die een terroristisch misdrijf heeft gepleegd, dan kan deze verdachte langer van zijn vrijheid worden beroofd dan in het geval van andere misdrijven.
De gevangenhouding of gevangenneming kan niet maximaal 90 dagen, maar maximaal 2 jaar duren.
Een rechter moet wel telkens na 90 dagen het bevel verlengen.
Voornemen strafbaar
Het voornemen (plannen) om een terroristisch misdrijf te begaan is strafbaar gesteld.
Daarmee vallen verdachten van wie er een redelijk vermoeden bestaat dat ze (alleen nog maar) plannen maken voor een
terroristisch misdrijf, onder het begrip verdachte.
Gevolg is dat vanaf dat moment alle bevoegdheden, ook die van de klassieke opsporing, op de verdachte kunnen
worden toegepast.
9 De terechtzitting
Dagvaarding
Een OvJ maakt de zaak aanhangig bij de rechtbank door een dagvaarding (inclusief tenlastelegging) uit te brengen.
De tenlastelegging is het fundament van de rechtszaak, want tijdens de zitting draait het om de vraag of de rechter
wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastelegging gelegde feiten. Strafbare feiten die niet in de tenlastelegging staan, komen tijdens de rechtszaak niet aan de orde.
De rechter vraagt de verdachte naar naam en woonplaats
Als de zitting door de gerechtsdeurwaarder is uitgeroepen, begint de rechter met de verdachte te vragen naar zijn naam en woonplaats en verwijst de rechter de verdachte hem erop dat hij niet verplicht is antwoord te geven op de gestelde vragen.
Voorlezen tenlastelegging
De OvJ leest de tenlastelegging voor.
Horen van getuigen en deskundigen
Vervolgens hoort de rechter getuigen en deskundigen die door de OvJ of door de verdachten zijn opgeroepen.
Voordat zij aan het woord komen, worden ze bedigd.
Spreekrecht voor slachtoffers en nabestaanden
Slachtoffers en nabestaanden hebben nu de kans om gebruik te maken van hun spreekrecht.
Zij mogen zich ook uitspreken over de straf die de verdachte volgens hen zou moeten krijgen.
Ondervragen van de verdachte
Nadat de getuigen en deskundigen zijn geweest; ondervraagt de rechter de verdachten.
In verband met de onafhankelijkheid van het OM moet er ook gekeken worden naar het ne bis in idem- beginsel van art. 68 Sr: niemand kan ter zake van hetzelfde feit meer dan eenmaal worden vervolgd.
42

Requisitoir van de officier van justitie
Vervolgens krijgt de OvJ het woord voor haar requisitoir.
Hierin legt zij uit waarom zij het ten laste gelegde bewezen acht en welke straf zij opgelegd wil zien (de eis).
De eis -> de door het OM voorgestelde straf.
Pleidooi van (de raadsman van) de verdachte
In de meeste gevallen houdt de raadsman van de verdachte nu een pleidooi waarin zij regeert op het requisitoir en op de verklaringen van de getuigen en de deskundigen.
In sommige gevallen ontkent de verdachte het ten laste gelegde, maar in de meeste gevallen bekent hij tijdens de rechtszaak of heeft hij al eerder tijdens het politieverhoor bekend.
Als dit gebeurt bevat het pleidooi vooral uit het aanvoeren van verzachtende omstandigheden of van omstandigheden
die een strafuitsluitingsgrond opleveren.
Laatste woord verdachte
Aan het slot van de zitting is de rechter verplicht de verdachte te vragen of hij nog iets wil zetten. Na het laatste woord van de verdachte sluit de rechter de zitting.
10 De beraadslaging
Na de terechtzitting trekt de rechtbank zich in de (besloten) raadkamer terug voor de beraadslaging.
Beraadslaging
Formele vragen (art. 348 Sv)
- Is de dagvaarding geldig?
- Is de rechter bevoegd?
- Is de OvJ ontvankelijk?
- Moet de vervolging
worden geschorst?
Materile vragen (art. 350 Sv)
- Heeft de verdachte het feit gepleegd?
- Is het feit strafbaar?
- Is de dader strafbaar?
- Moet er een straf of
maatregel worden opgelegd?
Deze beraadslaging verloopt aan de hand van de vragen die in art. 348 en art. 350 Sv gesteld worden.
Vier formele vragen en vier inhoudelijke (materile) vragen
De komende vier vragen zijn de formele vragen die in art. 348 Sv aan de orde komen.
Het gaat hierbij om de juridisch-technische kanten van de rechtszaak.
Als de vier formele vragen geen beletselen hebben opgeleverd, komen de materile vragen van art. 350 Sv aan de orde.
17) Beraadslaging
Aan de hand van deze vragen gaan de rechters inhoudelijk op de zaak in.
Straftoemeting
Bij de straftoemeting, zeker als het om zwaardere misdrijven gaat,
proberen de rechters in te spelen op de specifieke omstandigheden van de verdachte.
Het is aan de raadsman van de verdachte om tijdens het onderzoek ter terechtzitting omstandigheden aan te voeren die van invloed kunnen zijn op de strafmaat.
Uitspraak
De verdachte wordt vrijgesproken als de rechters menen dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.
Als de rechtbank meent dat de verdachte het feit wel heeft begaan, maar dat de dader of de daad strafbaar is, volgt ontslag van rechtsvervolging.
De verdachte wordt veroordeeld als de rechters menen dat het ten laste gelegde is bewezen en dat het feit en de dader strafbaar zijn (art. 352 Sv).
In het kader van de straftoemeting wordt er verwezen op art. 9a Sr, dat de rechters de vrijheid geeft om een veroordeelde verdachte geen straf of maatregel op te leggen.
De alleensprekende politierechter wijst meestal meteen na de zitting vonnis. Als de zaak door meer rechters is behandeld, volgt de uitspraak doorgaans 14 dagen na de sluiting van de zitting.
43

11 Rechtsmiddelen
Hoger beroep bij het gerechtshof
Na de uitspraak van de (kanton)rechter hebben de verdachte en de OvJ beide het recht om in hoger beroep te gaan (art. 404 Sv en verder).
Dit hoger beroep wordt behandeld door het gerechtshof.
Tijdens het hoger beroep wordt de zaak opnieuw behandeld door de raadsheren (rechters) van het gerechtshof waarna ze een uitspraak doen.
Of de uitspraak wordt bevestigd of verworpen.
Als de uitspraak wordt vernietigd, komt het hof met een nieuwe uitspraak
(een arrest).
Voor het instellen van een hoger beroep geldt een termijn van 14 dagen.
Verlofstelsel in hoger beroep
Het Sv kent sinds kort een zogeheten verlofstelsel.
Bij een veroordeling van een strafbaar feit met een strafmaximum van niet meer dan 4 jaar, waarbij alleen een
geldboete is opgelegd van maximaal 500 beoordeelt de voorzitter van de strafkamer van het gerechtshof of het hoger beroep wel of niet zal worden behandeld.
De voorzitter geeft alleen verlof om de zaak te behandelen als zij dit in het belang van een goede rechtsbedeling
acht. Als dit niet gebeurt is cassatie bij de Hoge Raad ook niet mogelijk.
Cassatie bij de Hoge Raad
Na een hoger beroep is vaak nog cassatie mogelijk bij de Hoge Raad (art. 427 Sv en verder).
Om de cassatierechtspraak te beperken tot de zaken waarvoor cassatie bedoeld is, heeft de Hoge Raad op de grond van art. 80a Wet RO de bevoegdheid om, een beroep in cassatie niet ontvankelijk te verklaren omdat:
- De partij die cassatie instelt daarbij kennelijk onvoldoende belang heeft;
- De aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardige, of;
- De aangevoerde klachten kennelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Voordat de Hoge Raad een zaak terzijde schuift, moet hij de procureur-generaal over de zaak horen.
Herziening
Herziening ten voordele
Herziening ten voordele van de gewezen verdachte (Art. 457 Sv) kan bij de Hoge Raad worden gevraagd als er geen beroep en cassatie meer mogelijk is op het moment dat er nieuwe feiten aan het licht komen, of als de inzichten van deskundigen fundamenteel veranderen.
Als het verzoek op herziening wordt toegewezen, wordt de zaak opnieuw behandeld.
Herziening ten nadele
Herziening ten nadele van de gewezen verdachte is een herziening die ertoe leidt dat een verdachte die eerder voor hetzelfde feit is vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging, alsnog wordt veroordeeld.
Dit is alleen mogelijk in zeer bijzondere gevallen (art. 482a Sv)
Om een herziening ten nadele kan alleen worden verzocht door het College van procureurs-generaal en de Hoge Raad
behandelt het verzoek.
Een verdachte kan geen hoger beroep instellen tegen een vonnis waarin hij volledig is vrijgesproken.
Het instellen van hoger beroep of cassatie heeft schorsende werking. Dus de verdachte hoeft zijn straf nog niet te ondergaan totdat er een definitieve uitspraak ligt.
44

1 Inleiding
Met rechtsbescherming worden de rechtsgangen voor natuurlijke en rechtspersonen bedoeld waarin het handelen van de overheid wordt voorgelegd aan een andere overheidsinstantie, die de bevoegdheid heeft een bindende uitspraak te doen.
2 De ontwikkeling van het bestuursprocesrecht
Omdat ook colleges die niet tot de rechterlijke macht behoren met (bestuurs)rechtspraak kunnen worden belast, kan de rechtsbescherming ook gestalte krijgen via procedures bij niet tot de rechterlijke macht behorende rechterlijke colleges (bijv. de Centrale Raad van Beroep).
Naast bestuursrechtspraak (of administratieve rechtspraak) bestaat er het administratief beroep, waarbij geschillen met de overheid worden behandeld door een hoger bestuursorgaan.
Administratief beroep en bestuursrechtspraak
Administratief beroep -> het bestreden besluit wordt voorgelegd aan een ander (hoger) bestuursorgaan.
Dit ontstond als eerste vorm van rechtsbescherming. Toen werd het beslissen over geschillen tussen burger en bestuursorgaan gezien als bestuur omdat men meende dat het bij ieder geschil over een bestuursbesluit uiteindelijk ook ging om een oordeel over het gevoerde beleid van het bestuursorgaan.
Rechterlijke organen waren niet geacht te oordelen over beleid, daarom werd
de rechtsbescherming in eerste instantie in handen gegeven van
bestuursorganen. De voorkeur voor rechtsbescherming ging toen uit naar administratief beroep.
Administratieve wetsspaak achtte de wetgever niet zo gewenst, ook al omdat men vreesde dat dit type
onafhankelijke rechtersprekende colleges het bestuur zou dwarsbomen.
Later eeuw sloeg de voorkeur om in een zekere voorkeur voor bestuursrechtspraak (administratieve rechtspraak). Dit houdt in dat beroep tegen een besluit van een bestuursorgaan kan worden ingesteld bij een van het bestuur
onafhankelijk rechterlijk college.
Deze colleges worden aangeduid als bestuursrechter (ook wel administratieve rechter).
Er kwam steeds meer bezwaar tegen het administratief beroep omdat de bestuursorganen die hiermee belast zijn, niet onafhankelijk staan ten opzichte van de overheid.
Ze maken immers zelf deel uit van het bestuur.
In de afgelopen 100 jaar groeide het aantal verschillende rechtsgangen. Iedere bestuurswet kende zo zijn eigen historische gegroeide vorm van administratief beroep of van administratieve rechtspraak.
Hierdoor werd de rechtsbescherming tegen overheidshandelen een onoverzichtelijk doolhof.
Vandaar dat in de jaren 80 en 90 de gedachte ontstond om een geheel nieuw stelsel van bestuursrechtspraak te
ontwikkelen. De invoering van dit nieuwe stelsel bracht een ingrijpende herziening van de rechterlijke organisatie.
Sector bestuursrecht van de rechtbank
Deze sector is belast met de rechtspraak in eerste aanleg van bestuursgeschillen.
Hoger beroep van de uitspraken van de rechtbank kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de
Voor de relatieve competentie geldt als uitgangspunt de vestigingsplaats van het bestuursorgaan.
Is het bestreden besluit afkomstig van een landelijk bestuursorgaan, dan is in de meeste gevallen de woonplaats van de insteller van het beroep bepalen.
Raad van State, of;
45

Als het om geschillen in een (een groot aantal wetten op het terrein van) de sociale zekerheid of bepaalde delen van het ambtenarenrecht gaat, bij de Centrale Raad van Beroep in Utrecht.
Ten slotte behandelt het College van Beroep voor het bedrijfsleven in bepaalde gevallen zaken in hoger beroep.
3 Besluit en belanghebbende
De hoofdstukken 6, 7 en 8 van de Awb beschrijven de rechtsbescherming tegen besluiten van bestuursorganen. Cruciaal in deze rechtsbescherming zijn de begrippen besluit en belanghebbende.
Als er sprake is van een besluit kan de rechtsbescherming die de Awb biedt, worden ingeroepen en deze rechtsbescherming staat alleen open voor belanghebbende.
Beroep tegen beschikking
Art: 1:3 Awb definieert een besluit als een schriftelijke beslissingen van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Voor de rechtsbescherming is het van belang onderscheid te maken tussen besluit van algemene strekking en beschikkingen. Beschikking -> besluit gericht op een concreet geval of op een bepaald individu.
Besluit van algemene strekking -> heeft een algemener karakter (bijv. een algemeen verbindend voorschrift of een
beleidsregel).
Gelet op art. 8:3 Awb kan tegen besluiten die een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel inhouden, geen beroep op de rechtbank worden ingesteld.
Globaal gezegd komt het erop neer dat de mogelijkheden van bezwaar en beroep in de Awb vooral van belang zijn voor beschikkingen.
Wetten in materile zin en beleidsregels zijn niet vatbaar voor bezwaar en beroep.
Belanghebbende
Om beroep in te stellen tegen een besluit moet men belanghebbende zijn.
Art. 1:2 lid 1 Awb definieert het begrip belanghebbende, is degene wiens belang rechtstreeks betrokken is.
4 Voorprocedure
Art. 8:1 Awb bepaalt dat een belanghebbende tegen een besluit van een bestuursorgaan beroep in kan stellen bij de bestuursrechter.
Bezwaarschriftprocedure
Voordat er een beroep op de rechtbank kan worden ingesteld, moet de belanghebbende eerst bezwaar maken bij het bestuursorgaan dat het bestreden besluit genomen heeft (zie art. 7:1
Awb).
De bezwaarschriftprocedure wordt beschreven in hoofdstuk 7 van de Awb.
Deze bezwaarschriftprocedure is bedoeld om belanghebbende en bestuursorgaan nog eens bij elkaar te brengen om te kijken of het bestuursgeschil zonder rechterlijke tussenkomst opgelost kan worden.
Deze procedure is een soort voor procedure.
Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, breidt art. 6:2 Awb het begrip besluit uit.
Soms kan de burger rechtstreeks in beroep gaan bij de rechtbank en kan de bezwaarschriftprocedure worden overgeslagen (art. 7:1a Awb). Voorwaarde is dat het bestuursorgaan ook vindt dat het beter is om meteen beroep in te stellen.
46

De belanghebbende maakt de bezwaarschriftprocedure aanhangig door een bezwaarschrift in te dienen bij het betrokken bestuursorgaan.
Hierin formuleert de belanghebbende zijn bezwaren tegen het besluit. Het bestuursorgaan is verplicht zijn besluit naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift te heroverwegen en een nieuw besluit te nemen (een beschikking op bezwaar) .
Administratief beroep
In sommige bestuurswetten wordt tegen besluiten beroep opengesteld op een ander (hoger) beroepsorgaan, zij bieden dus een vorm van administratief beroep.
Dit beroep wordt dan ook gezien als een voorprocedure.
5 Beroep
Na de voorprocedure kan de belanghebbende in beroep gaan bij de sector bestuursrecht van de rechtbank (hoofdstuk 8 Awb).
In beroep beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het besluit.
Gekeken wordt of het bestreden besluit is genomen conform de geldende
rechtsregels en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De rechtbank treedt niet in de doelmatigheid van het besluit.
Als het beroep gegrond wordt verklaard, vernietigd de rechtbank de bestreden uitspraak geheel of gedeeltelijk. De rechtbank kan in dit geval het bestuursorgaan opdragen (zo nodig binnen been bepaald termijn en/of op straffe van een dwangsom) een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten, uiteraard met inachtneming van de uitspraak.
Het is echter ook mogelijk dat de rechtbank zelf een nieuw besluit neemt en bepaalt dat zijn besluit in de plaats treedt van het bestreden besluit.
Als een beroep ongegrond wordt verklaard, betekent dit dat het bestreden besluit in stand blijft.
6 Hoger beroep
Tegen uitspraken van de bestuursrechter van de rechtbank kan hoger beroep worden ingesteld (titel 8.5 van de Awb).
Het hoger beroep moet worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).
Echter, als de beroepszaak over het ambtenarenrecht of de sociale zekerheid gaat is de Centrale Raad van Beroep (CrvB) bevoegd het beroep te behandelen.
Het College van Beroep is voor het bedrijfsleven (CBb) de hoogste bestuursrechter in het sociaaleconomische recht.
Dit college treedt vaak op als rechter in eerste en enige aanleg, maar behandelt in bepaalde gevallen ook het hoger beroep tegen uitspraken van de rechtbank.
Meestal geen cassatie
Van uitspraken die in eerste aanleg door de rechtbank zijn gedaan en daarna in hoger beroep zijn behandeld door de eerder genoemde colleges, is geen cassatie meer mogelijk bij de Hoge Raad.
Voor sociaaleconomische geschillen die door het College van Beroep voor het bedrijfsleven zijn behandeld is evenmin cassatie mogelijk.
De voorprocedure kan worden overgeslagen als het besluit tot stand is gekomen na een (uitgebreide) openbare voorbereidingsprocedure. Of bij besluiten die, voordat ze van kracht worden, moeten worden goedgekeurd door een hoger beroepsorgaan.
En nogmaals, als beide partijen ermee instemmen.
Er geldt een aantal uitzonderingen op de hoofdregel dat na een voorprocedure beroep kan worden ingesteld bij de sector bestuursrecht van de rechtbank.
Sommige bestuurswetten wijzen namelijk een eigen bestuursrechter aan.
Als een bestuurswet een specifieke bestuursrechter aanwijst, moet daar beroep worden ingesteld, want dan is de gewone bestuursrechter bij de rechtbank niet bevoegd het beroep te behandelen.
47

Uitspraken van de belastingkamers van het gerechtshof kunnen wel in cassatie door de Hoge Raad worden beoordeeld.
7 Voorlopige voorziening
De behandeling van bezwaar, het beroep en het hoger beroep duurt alles bij elkaar vaak meer dan een jaar. In sommige gevallen kunnen de belanghebbende niet zo lang op een rechterlijke uitspraak wachten.
Voor dit soort spoedeisende gevallen is er de mogelijkheid van een voorlopige voorziening (art. 8:91 Awb en verder). De belanghebbende verzoekt dan de voorzieningenrechter om snel een tijdelijke uitspraak te doen die geldt tot het
einde van de procedure, dus tot er een definitieve uitspraak
Spoedeisend
Een voorlopige voorziening kan alleen worden gegeven indien er sprake is van onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen.
De voorzieningenrechter van de rechtbank moet de belangen die de verzoeker heeft bij het treffen van een voorziening, af wegen tegen de belangen van het bestuursorgaan om het bestreden besluit hangende de rechtszaak wel uit te voeren.
8 Rechtsbescherming door de burgerlijke rechter
De burgerlijke rechter, die in eerste instantie bevoegd is kennis te nemen van geschillen tussen burgers onderling, vervult daarnaast ook twee taken op het terrein van de rechtsbescherming tegen overheidshandelen.
Burgerlijke rechter als bestuursrechter
In sommige wetten is niet de sector bestuursrecht bevoegd om te
oordelen over bestuursrechtelijke zaken, maar zijn andere rechterlijke colleges die behoren tot de gewone rechterlijke macht aangewezen als bestuursrechter.
Verder staat de gang naar de burgerlijke rechter open in geval van onrechtmatig feitelijk handelen van de overheid (art. 6:162 BW).
Dat is ook het geval bij geschillen die betrekking hebben op de privaatrechtelijke rechtshandelingen van de overheid. Ten slotte kan de burgerlijke rechter optreden als reserverechter in gevallen van bestuursbesluiten waartegen niet kan
worden opgekomen bij de bestuursrechters, zoals algemeen verbindende voorschriften (art. 8:3 Awb).
9 Nadeelcompensatie en vergoeding van schade door een onrechtmatig besluit Titel 4.5 Awb bevat een regeling voor nadeelcompensatie.
Art. 4:126 Awb en verder zijn erop gericht burgers en bedrijven het recht te geven op nadeelcompensatie. Nadeelcompensatie -> de overheid kent een belanghebbende een vergoeding voor geleden schade toe door
onrechtmatig handelen.
Voorprocedure
Beroep
Hoger beroep
Bewaarschrift procedure
Administratief beroep
Afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State
Rechtbank
Centrale Raad van Beroep (bepaalde ambtenaren- zaken en sociale zekerheid)
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Een verzoek voor een voorlopige voorziening kan alleen worden ingediend als er ook een gewone procedure loopt.
48

Er is op zich niets mis met het handelen van de overheid, maar het nadeel dat daardoor ontstaat komt in sommige gevallen eenzijdig terecht bij een bepaald bedrijf of bij bepaalde burgers.
De regeling inzake vergoeding van schade door een onrechtmatig besluit is te vinden in titel 8.4 Awb.
Verzoek om nadeelcompensatie of om een schadevergoeding moet worden ingediend bij het desbetreffende bestuursorgaan.
De reactie op dit verzoek is een beschikking waartegen bezwaar en beroep openstaat.
10 Klachtbehandeling en ombudsman
In hoofdstuk 9 van de Awb is het klachtenrecht vastgesteld.
Bij klachtenbehandeling gaat het niet over besluiten van bestuursorganen, maar om gedragingen. Als de burger vindt dat het bestuursorgaan hem niet zorgvuldig behandelt, kan de burger een klacht indienen bij het desbetreffende bestuursorgaan.
Interne klachtafhandeling
Bestuursorganen moeten ervoor zorgen dat ze een procedure hebben voor het intern afhandelen van klachten. Want burgers hebben het recht (art. 9:1 Awb) om zich met een klacht tot een bestuursorgaan te wenden.
De klacht dient intern afgehandeld te worden door een persoon of een commissie die zelf niet betrokken is bij de klacht.
De klagende burger dient tijdens een hoorzitting de gelegenheid te krijgen om zijn klacht mondeling toe te lichten en na de hoorzitting moet het bestuursorgaan met een schriftelijk oordeel over de klacht komen.
Externe klachtafhandeling
Is de burger niet tevreden over de wijze waarop een klacht intern is afgehandeld? Dan kan hij zijn klacht indienen bij een ombudsman.
In de meeste gevallen zal dat de Nationale ombudsman in Den Haag zijn.
Art. 9:!7 Awb bepaalt echter dat externe klachtenbehandeling ook mogelijk is door een ombudsman of een ombudscommissie die in het leven geroepen is door de gemeente, provincie en waterschappen
Zij kunnen dus zelf een ombudsman of ombudscommissie benoemen of onderbrengen bij de Nationale ombudsman.
Als hoofdregel geldt dat een burger pas terecht kan bij een ombudsman nadat hij de interne klachtenprocedure heeft doorlopen.
De ombudsman geeft een oordeel over gedragingen, niet over besluiten. Het is haar taak vast te stellen of het onderzochte gedrag al dan niet behoorlijk is geweest. Haar onderzoek legt ze vast in een openbaar rapport dat wordt toegezonden aan de klager en aan het betrokken bestuursorgaan.
De ombudsman stel jaarlijks een algemeen verslag op gericht naar de Staten-Generaal met haar bevindingen.
Ook al hebben de oordelen van de ombudsman geen bindende kracht, is haar invloed vrij groot. Bestuursorganen hechten er doorgaans aan de aanbevelingen die ze in haar oordeel zijn opgenomen, uit te voeren.
Ook omdat de oordelen openbaar zijn en de media en andere betrokkenen na kunnen gaan wat een bestuursorgaan met een oordeel van de ombudsman doet.
De nationale ombudsman wordt telkens voor een periode van 6 jaar benoemd door de Tweede Kamer, op voordracht van de vicepresident van de Raad van State, de president van de Hoge Raad en de president van de Algemene Rekenkamer.
11 De juiste vorm van rechtsbescherming
Nu volgen enkele opmerkingen over het zoeken naar de juiste vorm van rechtsbescherming en een kleine samenvatting van het vorige hoofdstuk.
49

Voor beroep vatbaar besluit?
Allereerst moet er worden gekeken of er sprake is van een voor beroep vatbaar besluit.
Is de insteller van het beroep belanghebbende?
Is dit het geval, dan is het van belang of de betrokkene belanghebbende is in de zin van de Awb.
Algemene rechtsgang of bijzondere?
Bevat de bestuurswet waarop het besluit rust, geen eigen rechtshang? Dan geldt de rechtsgang van de Awb: bezwaar bij het betrokken bestuursorgaan, beroep op de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij de Centrale Raad van Beroep (voor sociale zekerheid en bepaalde ambtenarenzaken), of in sommige gevallen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Wijst de bestuurswet waarop het besluit rust een ander bestuursorgaan aan waar administratief beroep kan worden ingesteld, dan geldt dit administratief beroep als voorprocedure. Daarna kan de belanghebbende beroep instellen bij de bestuursrechter.
Wijst de bestuurswet waarop het besluit is gebaseerd geen eigen bestuursrechter aan, dan kan de belanghebbende na de voorprocedure in beroep gaan bij de sector bestuursrecht van de rechtbank.
Wijst de bestuurswet een eigen bestuursrechter aan, dan moet na de voorprocedure beroep worden ingesteld bij deze bestuursrechter, want dan is de gewone bestuursrechter van de rechtbank niet bevoegd.
Hoger beroep?
Van de uitspraak van de bestuursrechter is veelal hoger beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State of bij de Centrale Raad van Beroep, tenzij de bestuurswet een afwijkende regeling bevat.
Aan de hand van de volgende vragen is het mogelijk om de juiste vorm van rechtsbescherming te kiezen:
Vraag 1: is de bestreden handeling een voor beroep vatbaar besluit? (art. 1:2 Awb)
Is de handeling geen (voor beroep vatbaar) besluit dan kan wellicht een vordering worden ingesteld bij de burgerlijke rechter op basis van art. 6:162 BW of een verzoek worden gedaan om een onderzoek van de nationale ombudsman.
Vraag 2: valt degene die bezwaar wil maken of in beroep wil gaan, in de kring van belanghebbenden? (art. 1:2 Awb)
Zo nee, dan is het maken van bezwaar en het instellen van beroep uitgesloten.
Vraag 3: op welke wet is het bestreden besluit gebaseerd?
Het is van belang de bestuurswet waarop het besluit rust, te vinden omdat aan de hand van deze wet de rechtsgang kan worden vastgesteld.

Antwoord gegenereerd door AI Antwoord rapporteren

Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.

Stel een vraag
 
Inloggen via e-mail
Nieuw wachtwoord aanvragen
Registreren via e-mail
Winkelwagen
  • loader

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items! Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

loader

Ontvang gratis €2,50 bij je eerste upload

Help andere studenten door je eigen samenvattingen te uploaden op Knoowy. Upload ten minste één document en krijg gratis € 2,50 tegoed.

Upload je eerst document