Studiebot antwoord

Stel een vraag ›
 
Vraag gesteld door: Juwana - 1 jaar geleden

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: In de gevolgenethiek wordt beoordeelt welke handeling moreel juist is door naar het doel of de gevolgen van die handeling te kijken. Een handeling is binnen deze theorie moreel juist, als die ertoe leidt dat een goed doel bereikt wordt. Een andere naam voor deze benadering is teleologische ethiek (Griekse woord telos, betekent doel).
Het utilisme (Engelse utility = nut) is een belangrijke teleologische normatieve theorie. In deze theorie probeert men te beschrijven hoe mensen moreel zouden moeten handelen, waarbij ze een afweging maken op basis van de gevolgen van hun handeling. Op die manier streven ze ernaar om waarden te realiseren.
Er zijn binnen het utilisme twee vormen te onderscheiden:
Handelingsutilisme: je weegt de gevolgen tegen elkaar af en beoordeelt of de handeling bijdraagt aan het realiseren van de waarden die je nastreeft.
Regelutilisme: bij deze vorm staat de regel, de norm, centraal. Dat kan leiden tot een andere uitkomst.
Vanuit het utilisme worden geen absolute grenzen gesteld aan wat mensen mogen doen. De vraag is dan wanneer het doel de middelen heiligt. Zo is het doel terrorisme bestrijden een doel waarvan de meeste mensen het erover eens zijn dat het bijdraagt aan het geluk van de mensheid in het algemeen. De vraag is echter wat dan is toegestaan om dit doel te bereiken. Als iemand utilistisch redeneert, kijkt hij niet uitsluitend naar zijn eigen belang, maar naar de voor- en nadelen voor alle betrokkenen. Het utilisme gaat ervan uit dat mensen naar maximaal genot voor iedereen zoeken. Een kritiekpunt op het utilisme is dat het erg simplistisch is om alleen pijn en genot tegen elkaar af te wegen.
In de deontologische ethiek wordt beoordeeld welke handeling moreel juist is door te kijken of de handeling zelf juist is, ongeacht de gevolgen. Een andere naam voor deze benadering is dan ook plichtethiek of beginselethiek. Deontologische theorien stellen dat morele regels onafhankelijk van doelen moeten zijn en beschouwen morele handelingen als middelen tot het maximaliseren van genot.

De kritiek op Kants theorie richt zich in de eerste plaats op het absolute karakter van de categorische imperatief. Er is geen ruimte voor uitzonderingen. Stel dat je bij een sportclub kinderen begeleidt en hun beloofd hebt een uitstapje te maken, maar tegelijk een goede vriend naar het ziekenhuis moet voor een onderzoek waar hij tegen op ziet. Kant zegt dat je hierbij je alleen aan de afspraken moet houden. Een ander probleem is de vraag of iedereen bij een bepaalde kwestie tot dezelfde conclusie zal komen. Het cultureel relativisme stelt dat waarden altijd in een culturele context staan. Het is dus de vraag of er een universele redelijkheid bestaat. Volgens Baier is de filosofie van Kant veel te sterk gericht op autonomie, op individuen die in hun morele keuzes losstaan van anderen. daarmee wordt ontkend dat mensen met elkaar verbonden zijn in een web van relaties.
In de deugdenethiek wordt bekeken welke handeling moreel juist is door naar de persoonlijkheid van de actor te kijken. Deugden zijn goede eigenschappen van individuen, zoals zorgzaamheid of rechtvaardigheid. Een deugd is altijd verbonden aan een persoon en is dus geen abstracte waarde of norm, zoals we die in de deontologische theorie vinden.
Zorg voor anderen staat centraal in de ethiek van Gilligan. Zij wil met deze benadering niet de op rechten gebaseerde ethiek vervangen. Volgens haar vullen rechtenethiek en zorgethiek elkaar aan. Tronto heeft de zorgethiek verder ontwikkeld. Zij gaat uit van een gezamenlijk belang. Zij onderscheidt vier aspecten van zorg:
Caring about: aandachtige betrokkenheid. Je signaleert dat iemand zorg nodig heeft en dat er iets moet gebeuren.
Caring for: zorg op zich nemen. De zorgverlener neemt de verantwoordelijkheid om in te grijpen.
Care giving: zorg verlenen. De zorgverlener voert praktische zorg uit.
Care receiving: zorg ontvangen. De zorgontvanger moet aangeven welke hulp hij nodig heeft.
De zorgethiek kan helpen om na te denken over een goede beroepshouding waarin aandachtige betrokkenheid centraal staat. De Zuid-Afrikaanse Antjie Krog ziet overeenkomsten tussen zorgethiek en Afrikaanse ethiek in de aandacht voor de betrekking met anderen en in de verschillen die samenhangen met de diversiteit van relaties tussen mensen. Het centrale begrip daarin is Ubuntu, een Zoeloe woord voor onderlinge verbondenheid. Het betekent dat iemand niet alleen verbondenheid zoekt met zijn eigen groep, maar ook met anderen, zelfs als die anderen tegenstanders zijn. Verbondenheid wordt binnen de westerse politieke filosofie ook benadrukt in het communitarisme, een stroming die kritiek uit op het liberalisme, omdat dat te weinig oog heeft voor het belang van sociale relaties en tradities.
Een deugd die een stap kan zijn op weg naar verbondenheid is tolerantie. Tolerantie betekent verdraagzaamheid jegens andersdenkenden. Tolerantie is gekoppeld aan respect voor de ander.

Hoofdstuk 3: Aan het werk met morele problemen
Ethisch dilemma; Een dilemma is een probleem waarbij je uit twee alternatieven moet kiezen die beide te maken hebben met waarden en normen en waarbij je moet handelen. De vraag op welke manier iets aangepakt moet worden is een methodische vraag: de vraag welke interventies het meest effectief zijn om je doel te bereiken. Vervolgens moet je verantwoordelijkheid voor de keuze of handeling nemen.
Er zijn verschillende redenen waarom het belangrijk is om morele problemen op een rationele manier te analyseren en waarom het nuttig is om daar met anderen een argumentatieve discussie over te voeren:
1. Professioneel
Beroepsethiek
Wetten en beleid
2. Persoonlijk
Persoonlijke waarden
Persoonlijke normen
Een sociaal werker moet kunnen verantwoorden waarom hij bepaalde keuzes maakt. Je dwingt jezelf een rationele analyse zorgvuldig uit te zoeken en afwegingen te maken. Ook zijn morele problemen vaak te complex om alleen op te lossen. Met een zorgvuldige analyse en door gesprekken met anderen kun je het probleem van meerdere kanten bekijken.
Als mensen een gesprek voeren waarbij alle gesprekspartners open en gelijkwaardig willen overleggen over de beste manier om met een ethisch probleem om te gaan, voeren ze een argumentatieve discussie. Door in gesprek te gaan met anderen, vanuit een grondhouding van open mindedness, kan hij zijn oordeel vergelijken met dat van anderen. Een open minded grondhouding betekent dat ze een eigen visie hebben, maar ook actief op zoek gaan naar tegenargumenten.
Vanuit de cognitieve dissonantietheorie (Festinger) is bekend dat mensen de neiging hebben om vooral te zoeken naar argumenten die hun eigen gelijk bewijzen. Als mensen een bepaalde opvatting hebben, nemen ze vooral zaken waar die hun opvatting ondersteunen. Die kunnen ze ook beter onthouden. Dit wordt versterkt door primacy, het verschijnsel dat de eerste indruk die mensen van iets of iemand krijgen zwaarder weegt dan de volgende indrukken.
Het werkveld ontwikkelt zich zo dat sociaal werkers vaker hun positie moeten legitimeren, want ze maken direct mee wat de effecten van beleid zijn op hun clinten.
Binnen de communicatieleer worden verkeerde zetten in de discussie drogredenen genoemd. Dat betekent bedrieglijke redeneringen.
1. Op de man spelen (argumentum ad hominem)
Gesprekspartner wordt aangevallen in plaats van het argument. Gaat in tegen de discussieregel dat gesprekspartners elkaar niet mogen beletten om vrij hun standpunten, argumenten of twijfel naar voren te brengen.
2. Beroep op autoriteit (argumentum ad verecundiam)
Wordt vaak de juistheid van een standpunt onderbouwd. Als het om een relevante autoriteit gaat, kan een autoriteitsargument juist zijn.
3. Populistische drogreden (argumentum ad populum)
De spreker doet een beroep op het gevoel van de toehoorders in plaats van op hun verstand.
4. Hellevlakredenering (slippery slope)
Iets gaat van kwaad tot erger. De fout die men met een hellevlakredenering maakt, is dat er niet meer wordt geoordeeld over de kwestie die aan de orde is, maar over een kwestie die veel ernstiger is.
5. Ontkenning van verantwoordelijk en invloed: ik kon niet anders
Sprake van ontkenning van eigen verantwoordelijkheid en invloed door de spreker.
6. Ontduiken van de bewijslast
Wordt mee bedoeld dat er een partij is die de juistheid van bepaalde feiten of rechten moet aantonen.
7. Overhaaste generalisering
Trekt de spreker op grond van een te beperkt aantal feiten een algemene conclusie.
8. Cirkelredenering
Het standpunt dat de spreker wil bewijzen, is gelijk aan het argument dat dit standpunt moet onderbouwen.
9. Valse analogie
Is het de vraag of er voldoende overeenkomsten zijn tussen de twee zaken die met elkaar worden vergeleken.
10. Onjuiste oorzaak-gevolgrelatie (post hoc ergo propter hoc)
Als twee verschijnselen na elkaar optreden, betekent dat nog niet dat het een het gevolg is van het ander.

o Je beargumenteert de morele keuze met een beroep op de gevolgen van de handeling: Vanuit de gevolgenethiek gaan de argumenten over de effecten van de keuze voor of tegen een gemeenschappelijke postbus. Aan de ene kant kan er misbruik gemaakt worden van de verwardheid van iemand en kan hij zo problemen krijgen door onbetaalde rekeningen. Aan de andere kant wordt hij minder gelukkig als hij zijn zaken niet meer zelfstandig kan regelen.
o Je beargumenteert de morele keuze vanuit een norm: Vanuit de beginselethiek gaan de argumenten over recht op privacy en autonomie. Met betrekking tot de autonomie van hem moeten we ons afvragen in hoeverre hij nog handelingsbekwaam is? En in hoeverre hij nog wilsbekwaam is.
o Je beoordeelt de keuze op de bedoelingen van de handelende persoon: Vanuit de deugdenethiek gaan de argumenten over de houding van waaruit iemand handelt.
Ethisch dilemma voorkomen:
1. Beschrijf de situatie
2. Wat is het ethische dilemma?
3. Welke handelingsalternatieven heb je?
4. Wie zijn de betrokkenen en wat zijn hun belangen? Op welke niveau bevinden zich deze belangen?
5. Welke waarden en normen spelen een rol in dit dilemma? Welke artikelen uit de beroepscode zijn relevant
6. Welk handelingsalternatief kies je? Beargumenteer je keuze.
Het dilemmagesprek begint met de inbreng van een dilemma door een van de deelnemers. Het socratisch gesprek bestaat eruit dat de betrokkenen gaan nadenken over hun keuzes en over de redenen waarom ze deze keuzes maken.


. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.

Antwoord gegenereerd door AI Antwoord rapporteren

Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.

Stel een vraag
 
Inloggen via e-mail
Nieuw wachtwoord aanvragen
Registreren via e-mail
Winkelwagen
  • loader

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items! Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

loader

Ontvang gratis €2,50 bij je eerste upload

Help andere studenten door je eigen samenvattingen te uploaden op Knoowy. Upload ten minste één document en krijg gratis € 2,50 tegoed.

Upload je eerst document