Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Didactisch werken A
Hoofdstuk 1: inleiding
Hoofdstuk 2: terug blik op de lagere school
Hoofdstuk 3 Didactiek
1. Wat is een uitdagende leeromgeving?
Een uitdagende leeromgeving is een educatieve setting die leerlingen stimuleert om actief te leren, hun vaardigheden te ontwikkelen en creatief problemen op te lossen. Het wordt gekenmerkt door een combinatie van elementen die zowel cognitieve als sociale groei bevorderen.
2. Didactiek
Didactiek is afgeleid van het woord didaskein en dat betekent onderwijzen
Didactiek: Wetenschap van het onderwijzen. De didactiek geeft ons handvaten tijdens het lesgeven. De verschillende handvaten geven een antwoord op verschillende vragen die een leerkracht zich stelt voor en tijdens het lesgeven.
A) het didactisch model
B) Onderdelen van een uitdagende leeromgeving
Didactische handvaten Aandachtspunten waarmee je rekening mee gaat houden in de les.
Aandachtspunten waarmee je rekening houdt voor-tijdens-na de les
Leerling/beginsituatie Voor je een LVB opmaakt zijn er aantal benvloedende factoren waar je rekening mee moet houden
Factoren komen samen onder het begrip: didactische beginsituatie
Waar staan de leerlingen al en wat hebben ze nodig?
Doelen Wat wil je bereiken in deze les?
Rekening houden met beginsituatie
Doelen haal je uit een leerplan en dan vertalen we die naar een concreet lesdoel
Media De leermiddelen die je kan inzetten tijdens je les
Klassikale middelen zoals een bord, digitaal bord, schriften, boeken,..
Leerinhoud Leerstof die je gaat aanbieden tijdens het lesgebeuren
Eerst beginsituatie en doelen bepalen = deze vormen de lesinhoud
Lesinhoud wordt gevormd door gepaste werkvormen, media en gepast didactische handvaten
Leerlaar Belangrijke schakel!
Begeleid de lln
Leerkrachtstijl & achtergrond zijn bepalend voor hoe jij als leerkracht in de klas staat
Werkvormen Toegepast tijdens de les
Doceren, vertellen, voorlezen,
Evaluatie Tijdens en na de les evalueer je samen met de lln hoe de les is verlopen
C) Van didactische schema naar didactische werken
Om van het didactische schema naar didactisch werken te gaan sta je voor 4 taken:
De reflectie voorafgaand aan je les en de mentale voorbereiding
De les uitschrijven in een LVB
De les geven
De reflectie en verwerking na je les.
Deze 4 fasen komen voor bij didactisch werken. Je gaat als leerkracht doelgericht en resultaatgericht te werk
Zo hoog mogelijke leer-en ontwikkelingsresultaat realiseren bij de lln.
Hoofdstuk 4: De beginsituatie
Wat weet ik al van de leerlingen/klas? Wat hebben ze al geleerd? & waarmee moet ik rekening houden?
Beginsituatie: De factoren die een invloed hebben op het pedagogisch-didactisch en organisatorische verloop van de les.
Ene situatie is erg duidelijk zoals verdeling jonge/meisje, anderstalige,..
Andere zijn dan weer moeilijker waarneembaar zoals leerstrategie, karakter,..
Beginsituatie hangt nauw samen met de doelstellingen die je aan de les koppelt
Vanuit je beginsituatie heb je achtergrondkennis voor jezelf gecreerd waarmee je doelen kan opstellen. = creren van een uitdagende leeromgeving
Geen duidelijke beginsituatie? Kans dat je foute doelen ga nastreven.
A) De individuele leerling
Leerlingenkenmerken Omgevingskenmerken
Elke leerling heeft zijn eigen beginsituatie. Ze hebben hun eigen noden en verschillen.
We verzamelen dus op verschillende manieren informatie, om beginsituatie zo goed mogelijk af te stemmen.
1. De voorkennis
= de aanwezige kennis
2. cognitieve vaardigheden
= de elementen die samen de denkhandelingen bepalen
3. Affectief-dynamische vaardigheden
= de kenmerken die samen de emoties en de motivaties van de kinderen bepalen
4. Psychomotorische vaardigheden
=de ontwikkeling van alle kenmerken die samen beweging mogelijk maken: het verband tussen waarneming en gedrag Directe omgeving van het kind, bepaald op welke manier de buitenwereld op hem afkomt.
De volgende invloedssferen zijn van belang.
1. Gezin
= start van de basis van psychodynamische als sociaal-culturele factoren.
2. Thuisomgeving
= het milieu waarin iemand opgroeit, biedt verschillende mogelijkheden voor en/of belemmeringen in de ontwikkeling van een kind.
3. Sociaal-economische status (SES)
=de maatschappelijke positie die je als persoon inneemt. Spreek je Nederlands of niet, opleidingsniveau ouders, schooltoelage,
B) De klasgroep
Belangrijk om te weten voor je aan je beginsituatie begint:
Hoe groot is de groep? Verdeling jongens/meisjes?
Zijn er anderstaligen of kinderen met een taalachterstand?
Zijn er kinderen met een beperking?
Wat is het niveau van de klas?
Welke algemene voorkennis hebben ze?
Welke interesses heersen er binnen de groep?
Hoe is de klassfeer
C) De leerkracht
Leerkracht kan cruciaal zijn bij de beginsituatie van een kind of groep:
Welke leerstijl hanteert de leerkracht eerder ondersteunend of meer richtinggevend?
Is het een jonge, onervaren leerkracht of iemand die al lang ervaring heeft (in deze school)?
Welke afspraken hanteert de leerkracht?
Is er n leerkracht of meerdere leerkrachten voor de klasgroep?
Hoe gaat de leerkracht om met de ouders?
Hoe individualiseert de leerkracht met de klasgroep?
E) De school en omgeving
Schoolgebouw, klaslokaal, afspraken op school,
Hoe is de verkeersituatie rondom de school?
Schept dit mogelijkheden / moeilijkheden?
Komt er een verandering in de huidige context moeten we gaan verhuizen wegens een verbouwing bijvoorbeeld?
Zijn de toiletten dichtbij?
Is er een aparte turnzaal?
Zijn er afspraken over het gebruik van bijzondere lokalen?
Is er een groene ruimte dichtbij de school?
F) De Leerstof
Belangrijk om te weten is wat de leerlingen reeds geleerd hebben. Welke doelen zijn er al behandeld? Welke leerstof is er al gegeven? Welke themas zijn al aan bod gekomen?
Enkele voorbeelden:
Zijn alle doelen van een voorgaand leerjaar behandeld / nagestreefd / bereikt?
Moet er een deel van de vorige les herhaald worden?
Welke onderwerpen zijn reeds of nog niet aan bod geweest?
Welke vaardigheden zijn al gekend of toegepast?
2. Bepalen van de beginsituatie
Gerichte observatie Observeren tijdens observatiemomenten
Tijdens werkmomenten
Verzamelen van gegevens betreffende waarneembare gedragingen
Direct contact tussen observator en de leerling
Leerlingendossiers, rapporten, toetsen, leerlingvolsystemen, Nuttig om informatie te vinden van je lln
Thuissituaite, voortgang lln,sociale omgang, sociaal-emotionele factoren
Stel vragen! Aan je mentor
Collegas
3. een beginsituatie is dynamisch
Geen statisch gegeven! Verandert constant
Dynamische beginsituatie vd leerling Langdurige ziekte
Oefenen kan ook veranderingen brengen
anderstalige
Dynamische samenstelling vd klasgroep nieuwe lln in de klas
geen interesse in wiskunde
sociale interacties kunnen veranderen
Dynamische beginsituatie vd leerkracht vervang leerkracht
persoonlijke problemen
Dynamische beginsituatie vdschool infrastructuur
Dynamische beginsituatie vd leerinhoud wat kunnen ze al/ wat kunnen ze niet?
4. Concreet op de LVB
Goede inschatting vd beginsituatie is basisvoorwaarde voor een vlot lesverloop!
Onderscheid van twee soorten beginsituaties:
Het algemene beginsituatie Specifieke situatie
kinderen in algemeen
namenlijst
beginsituatie per kind
schoolligging
voorzieningen
klasuren
klas gewoonten & afspraken Welke termen zijn al aangeboden?
Wat hebben ze in de vorige les aan nieuwe leerstof geleerd?
Welke doelen zijn al aangeboden?
Wat moet er herhaald worden?
Welke middelen hebben ze al gebruikt en kunnen ze al gebruiken?
Als een handleiding gebruikt wordt, kan je vragen tot waar ze al zijn gebleven met leerstof en/of ingevulde werkbladen. Is een uitstap voorafgegaan aan het aanbieden of verwerken van de leerstof?
Moet je met een aantal kinderen rekening houden tijdens je komende les: aparte leermiddelen, extra uitleg, ?
Hoofdstuk 5: De doelstellingen
1. Drie niveaus in het onderwijslandschap
Macroniveau: Het gaat hier om de algemene structuur van het onderwijs, de wetgeving, de inspectie, de eindtermen en ontwikkelingsdoelen. = nauw verbonden met maatschappij
Mesoniveau: Het betreft de concrete organisatie van de school of de scholengemeenschap. Bijvoorbeeld: de eigen gebruiken en tradities, de manier waarop de school wordt bestuurd, de participatiemogelijkheden, het pedagogisch project van de school, het schoolwerkplan...
Microniveau: Hier gaat het om het volledige klasgebeuren: de interacties tussen leerkracht en leerlingen, de klassfeer, de manier van lesgeven, de wijze van evalueren, het gebruik van didactisch materiaal,...
De maatschappij heeft een grote invloed op het onderwijsgegeven. Onder de maatschappij verstaan we wat een invloed kan hebben op de leefwereld (en de uitbreiding ervan) van het kind: actualiteit, nieuwe gezinssamenstellingen, social media, religie, overtuigingen, gebeurtenissen in de leefomgeving
2. Doelgericht werken
Goed nadenken wat je in je les wil bereiken met de kinderen (welke kennis,vaardigheid,..)
Doelen geven richting aan Wat wil je bereiken op einde van de les?
Welke inhoud, media, werkvormen, ga je hanteren om deze doel te bereiken,
Geeft structuur en motiveert om stapsgewijs aan de slag te gaan en zorgen voor een richting in je les.
Doelen moet je uitleggen Leg uit welke doelen we gaan behandelen!
De schoolvisie en afspraken De keuze van de doelen wordt benvloed door:
de visie van de leerkracht, het schoolteam en de school
de eindtermen, het opgelegde leerplan en de gekozen/gevolgde (concretere) lesdoelen
3. Soorten doelen
Ontwikkelingsdoelen en eindtermen Leerplandoelen Concrete/operationele lesdoelen
Ontwikkelingsdoelen: Dit zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die moeten nagestreefd worden bij een bepaalde leerlingenpopulatie (kleuter)
Verschil eindtermen en ontwikkelingsdoelen? Eindtermen is inspanningsverplichting (kleuteronderwijs)
Eindtermen: Dit zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die noodzakelijk worden geacht en moeten bereikt worden voor een bepaalde leerlingenpopulatie (lager)
Verschil met ontwikkelingsdoelen? Eindtermen dienen bereikt te worden bij alle leerlingen op het einde van de lagere school en niet enkel moeten nagestreefd worden.
Leergebieden: (resultaten kunnen voorleggen)
Nederlands
Wiskunde
Muzische vorming
Mens en maatschappij
Wetenschap en techniek
Frans
Sociale vaardigheden (inspanning )
Leren leren (inspanning)
ICT (inspanning) Leerplandoelen: vertaling van onderwijskoepels die de ET vertaald hebben naar concrete, duidelijke en specifieke leerplandoelen
In het officieel onderwijs bestaan er twee netten:
Het gemeenschapsonderwijs. Dit is het officieel onderwijs dat de openbare instelling GO! Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap organiseert in opdracht van de Vlaamse Gemeenschap.
Het gesubsidieerd officieel onderwijs omvat het gemeentelijk onderwijs (georganiseerd door de gemeentebesturen) en het provinciaal onderwijs (georganiseerd door de provinciebesturen).
In het vrij onderwijs is er n net: het gesubsidieerd vrij onderwijs
Drie leerplannen:
Leerplan van het GO!-onderwijs
ZILL-leerplan van de katholieke scholen
OVSG-leerplan, gebruikt door de meeste scholen van steden en gemeenten Lesdoelen: Leerplandoelen vormen het vertrekpunt bij het plannen van een les.
Wat is het verschil tussen leerplan en een lesdoel?
Een leerplandoel is realiseerbaar op lange termijn. Leerplandoelen zijn pas evalueerbaar na een bepaalde periode.
Een lesdoel is realiseerbaar tijdens een activiteit of een les. Lesdoelen zijn evalueerbaar na deze les/activiteit.
De keuze van de doelen hangt af van:
De beginsituatie (zie boven)
De maatschappij en actualiteit (wat er gebeurt in de wereld en rondom de leerlingen mag niet genegeerd worden!)
De visie van de leraar en de school
Afspraken binnen het schoolwerkplan
Totale ontplooiing binnen de lesdoelen
Cognitieve doelen waar je kennis en intellectuele vaardigheden nastreeft.
Psychomotorische doelen waar je motorische, zintuigelijke en lichamelijke vaardigheden nastreeft.
Dynamisch-affectieve doelen gaan over het bewust worden van gevoelens, een houding, waarden, interesses en normen.
Leerproces en leerproduct binnen de lesdoelen
Bij productdoelen ga je expliciet doelen formuleren waarbij je precies aangeeft wat de leerling aan het einde van de les moet kunnen en/of kennen. Deze zijn duidelijk om eenvoudig en concreet op te stellen.
Bij procesdoelen ga je eerder het leerproces beschrijven om zo tot een eindproduct te komen. Deze zijn moeilijker om concreet te formuleren. Het is minder duidelijk hoe ze gevalueerd kunnen worden. Als leraar ga je dit tijdens en op het einde van je les na, al dan niet samen met je leerlingen.
4. Lesdoelen formuleren
A) Nauwkeurig formuleren
Belangrijk omdat:
om een doelbewuste richting te geven aan de activiteiten.
om een planning (of volgorde) te kunnen opstellen
om te kunnen evalueren of het doel bereikt is.
om duidelijke afspraken te kunnen maken als er in een team gewerkt wordt. Hier is het vooral belangrijk dat de doelen ondubbelzinnig geformuleerd zijn.
om ze te kunnen meedelen aan de leerlingen of jongeren, wat een motiverend effect heeft.
B) Gebruik van concrete werkwoorden
Het is belangrijk dat doelen concreet verwoord worden in evalueerbaar leerlinggedrag. Dit doe je door werkwoorden te gebruiken die je kan evalueren bij je leerlingen.
Als we doelen gaan opstellen voor onze les, houden we rekening met drie componenten
Een gedragscomponent
Een inhoudscomponent
Een didactisch component
Gedragscomponent inhoudscomponent Didactische component
Hier beschrijf je welke eindhandeling je wil bereiken met je leerlingen. We maken hier een onderscheid tussen. De drie componenten volgen hier elkaar hirarchisch op volgens moeilijkheidsgraad.
Iets kennen, inzien: wat ze hebben geleerd kunnen de leerlingen reproduceren, nadoen, met eigen woorden zeggen,
Iets kunnen, toepassen: wat ze hebben geleerd kunnen ze zelf gebruiken in andere situaties. Bovendien zijn ze er vaardiger in geworden.
Iets zijn, integreren, beheersen: de leerlingen gebruiken wat ze geleerd hebben spontaan in het dagelijkse leven, het wordt vloeiend gehanteerd, Hier ga je heel concreet beschrijven bij welke leerinhoud de leerling de beschreven handeling toepast.
Kennis: feiten, begrippen, relaties, structuren
Vaardigheden: werkwijzen, procedures,
Attitudes: een houding, instelling, denkwijze, Hier ga je na welk didactisch handvat je wil koppelen aan de twee vorige componenten. Je beschrijft m.n. een context waarbinnen je dat doel wil bereikt zien.
Het pedagogisch klimaat: vertelt iets de sfeer waarbinnen ze de opdracht uitvoeren of het doel nastreven
De leer- en hulpmiddelen: vertelt welke hulpmiddelen ze hanteren om het doel na te streven
De minimumprestatie: dit is een afbakening van wat er minstens moet bereikt worden
5. Checklist: SMARTI
Specifiek Is mijn doel duidelijk, eenvoudig en concreet genoeg ?
Meetbaar Kan mijn doel gecontroleerd worden of het bereikt is ?
Aanvaardbaar Is het doel niet te hoog (of te laag) gegrepen voor mijn klasgroep ?
Realistisch Is het doel bereikbaar binnen deze les ?
Tijdgebonden Is er een begin- en eindpunt vastgesteld ?
Inspireerbaar Biedt het doel genoeg inspiratie zodat de leerlingen ervoor willen gaan?
6. Doelen evalueren
Nagaan of doelen bereikt zijn kan tijdens of na de les
Tijdens de les geeft inzicht over het leerproces en kan je nog aanpassingen doen
Evalueren van de doelen geeft je ook zicht op de beginsituatie van de volgende les
Zelfreflectie einde van de les = zeer belangrijk!
Tip! Leerlingen mee doelen laten opstellen tijdens de les, kan je ze ook betrekken bij het evalueren ervan. Ze evalueren zichzelf en je kan een feedback geven op de manier waarop ze een doel voor zichzelf stellen
Hoofdstuk 6: De didactische handvaten
Hoe zorg ik ervoor dat mijn les interessant is/blijft Wat kan ik doen om de kinderen zoveel mogelijk te betrekken?
1. Activiteiten en kennisconstructie = activiteitsprincipe
Je kan kinderen op twee manieren actief betrekken bij de les:
Motorisch vlak
Innerlijk vlak
Laat kinderen op een actieve manier hun leerstof ervaren en inoefenen.
Laat kinderen meedenken met uitdagingen en problemen = zorg dat ze meer betrokken geraken met de les.
Leerkracht moet het kind meer los laten en meer door de kinderen laten proberen en doen.
2. Integratie = geleidelijkheidsprincipe = herhalingsprincipe
Wat is de voorkennis van de leerling?
Wat ze reeds hebben geleerd proberen we te koppelen aan de nieuwe les
Nieuw verworven leerstof zien als een samenhangend geheel
Teruggrijpen is ook heel belangrijk!
HERHALING! Bouw het geregeld in je lessen op, als instap, tussendoortje,kapstok, integratie komt pas naar vele keren herhalen en inoefenen.
Dit wordt ook gezien als integratie-herhalingsprincipe = geleidelijkheidsprincipe
3. Concreet-aanschouwelijk werken = aanschouwelijkheidsprincipe
We hebben drie niveaus van denken die we kort kunnen omschrijven als het CSA-principe
Concreet aanschouwelijk: leerinhoud wordt concreet voorgesteld dmv materialen, prenten, pc. Deze materialen ondersteunen de les en leerlingen kunnen dit toepassen om de inhoud en vaardigheden te integreren en te oefenen/
Schematisch: Concrete zaken aan het bord of op een werkblad schematisch uitvoeren/voorstellen
Abstract: hier wordt het concreet en ondersteunend materiaal weg . leerlingen moeten stapsgewijs binnen dit denken begeleid worden.
4. Individualiseren= differentiatieprincipe
Geen enkel kind is hetzelfde ze verschillen onderling van elkaar
Individualiseren = rekening houden met de eigenheid van het kind
Je geef alle kinderen een kans
Het verschil met differentiatie? Je gaat bij individualisering concreet een aantal zaken aanpassen: andere doelen aanbieden, ander materiaal aanbieden,
5. Leerlingeninitiatief = motivatieprincipe
Leerlingen leren het beste als ze gemotiveerd zijn & interesse hebben in wat ze doen
Mee kunnen participeren
Meer betrokkenheid bij het lesgebeuren en verwerking nadien.
Huidige maatschappij en eigen leefwereld mee integreren in de klaspraktijk
Intrinsieke motivatie: Als leerlingen uit zichzelf gemotiveerd zijn om iets te doen of om over iets te leren, spreken.
Extrinsieke motivatie: Als de kinderen doelen moeten nastreven, opdrachten moeten uitvoeren van de leerkracht (of van de ouders).
6. Doelgericht leren= geleidelijkheidsprincipe
Meegeven van de doelen bij de start van de les
7. Interactief leren
Leren blijft een proces waarbij leerlingen gevoed worden door interactie met leerkracht
Samen lezen, extra uitleg, samenwerken, samen iets gaan doen,..
Leerkrachten hebben een voorbeeldfunctie!
8. Werkelijkheidsnabij onderwijs= aanschouwelijkheidsprincipe
Wat we leren op school willen we ze goed mogelijk kunnen toe passen aan het dagdagelijkse leven
9. Sfeer en klimaat
De sfeer tussen de leerlingen onderling en de leerkracht is bepalend voor het functioneren van het kind
Nood aan een veilige sfeer
Hoofdstuk 7 didactische werkvormen
Didactische werkvormen: is een manier om de leerstof aan je leerlingen aan te bieden en je vooropgestelde lesdoelstellingen te behalen.
Didactische werkvormen worden gekozen op basis van je doelstellingen en rekening te houden met je leerprocessen. De keuze van je werkvorm wordt benvloed door de beginsituatie waarmee we worden geconfronteerd
1. Aanbiedende werkvormen
Doceren Deze werkvorm is zoals aangegeven op het continum een leerkracht gestuurde werkvorm. Jij als leerkracht bent de spilfiguur in heel deze werkvorm. Jij stelt de vragen en bepaalt het verloop van het lesgebeuren. Het doceren is als werkvorm vooral geschikt om cognitieve doelen te realiseren
Positief:
Het kan in de meeste lesruimten toegepast worden.
Er kan een grote groep tegelijkertijd bereikt worden.
Er kan op korte tijd veel informatie doorgeven worden.
Iedereen hoort dezelfde informatie
Aandachtspunten
Het contact met je leerlingen is beperkt.
Het vraagt veel luisterbereidheid en concentratievermogen van je leerlingen. Het verloopt nogal eens saai.
Welke mogelijkheden zijn er om je leerlingen gemotiveerd te houden?
Als je vooraf aangeeft wat de bedoeling is van je uiteenzetting zal het motiverend werken omdat je leerlingen dan weten waarom de uiteenzetting wordt gegeven.
Varieer je stemgebruik (zowel wat sterkte, timbre als wat snelheid betreft). Behoud oogcontact met je leerlingen.
Wees duidelijk zowel wat betreft de schemas, als wat betreft de uiteenzetting zelf.
Nodig je leerlingen uit om vragen te stellen. Laat ze eventueel vragen noteren. Laat ze je onderbreken of reserveer tijd na ieder onderdeel.
vertellen Hoewel ook hier het initiatief van de leraar uitgaat, wordt nu de nadruk gelegd op het scheppen van een (positief) affectief klimaat. Het doel bij het vertellen is niet zozeer de inhoud die wordt verteld. Het doel is wel dat de leerlingen geboeid geraken door het thema en hierdoor gemotiveerd geraken voor de algemene inhoud van de les.
Positief:
Attent op maken van literaire kwaliteiten
Draagt bij tussen het cognitieve en affectieve verbinding
Scheppen van een positief affectief klimaat, verhoogt motivatie studenten
Aandachtspunten
Het verhaal moet bij voorkeur betrekking hebben op de les.
Het is van belang het verhaal in te leiden om de leerlingen in de juiste sfeer te brengen.
Stiltemomenten kunnen helpen om het gehoorde te laten inwerken.
Bij langere verhalen is een muziekje of een tekening (dia, transparant) interessant als onderbreking. Tijdens deze korte onderbreking krijgen leerlingen de kans om hun gevoelens te uiten
Instructie Bij een instructie ga je een uitleg geven over hoe iets moet gedaan worden: een verticale deling, een knutselopdracht
Aandachtspunten:
Zorg dat iedereen luistert.
Kort en duidelijk en/of werk in stapjes.
Geef de werktijd aan.
Zorg dat de instructie volledig is, zodat je de werktijd niet moet onderbreken.
Voorzie tijd voor vragen. Controleer of de kinderen alles begrepen hebben.
Demonstratie Demonstreren is een werkvorm waarbij jij als leerkracht een handeling voordoet waarna alle leerlingen, meestal individueel maar soms ook met twee of meer, een praktische activiteit uitvoeren.
Verloop:
1. Voorbereiding (materiaal klaar leggen,opstelling)
2. Voordoen en informatie doorgeven (schematisch uitleggen, goed opbouwen,..)
3. Imiteren (nadoen van de demonstratie, als het fout loopt dan onderbreekt de leerkracht en toont hoe het hoort)
4. Individuele uitvoering met controle betreffende houding en beweging
Positief:
Het visualiseren van de leerstof werkt motiverend.
Leerinhouden die gedemonstreerd worden beklijven langer in het geheugen.
Bij het stapsgewijs aanleren is er het voordeel dat leerlingen vlugger hun eigen fouten kunnen ontdekken.
Het zelf doen is de beste leerschool om een vaardigheid te leren.
Aandachtspunten:
Het bewaken van de veiligheid is belangrijk bij de meeste practica. Er zijn nu eenmaal fouten die je niet kan maken bijvoorbeeld bij het werken met gevaarlijke machines, het mengen van chemische stoffen,...
De opstelling bij een demonstratie is uitermate belangrijk. Alle leerlingen moeten je kunnen zien.
Je moet tijdens de demonstratie voldoende traag werken zodanig dat alle leerlingen goed kunnen volgen.
2. Gespreksvormen
onderwijsleergesprek Je kan het gesprek omschrijven als een sterk geleid en heel gestructureerd gesprek, waarbij je leerlingen stapsgewijs door het stellen van vragen tot bepaalde inzichten komen. Door het stellen van gerichte vragen en door het hanteren van de gepaste vraagtechnieken wordt het besproken probleem steeds verder verkend. Op deze wijze leid je je leerlingen doorheen de leerinhoud
Verloop: (p50)
1. Vraag stellen
2. Wachten
3. Een leerling aanduiden
4. Luisteren naar het antwoord
5. Feedback geven op het antwoord
Aandachtspunten:
Indien je nieuwe leerstof geeft, gebruik dan telkens goed didactisch materiaal. Stel nooit vragen naar zaken die leerlingen niet kunnen weten. Indien je dit toch wenst te doen, zorg er dan voor dat ze het kunnen afleiden uit het aangeboden didactisch materiaal.
Maak tijdens het onderwijsleergesprek een overzichtelijk bordschema (of op een groot blad dat je kan laten hangen).
Betrek alle leerlingen bij de les.
Klasgesprek (of kringgesprek) Het klasgesprek is een gesprek waarbij jij als leerkracht op de achtergrond blijft. Het zijn voornamelijk je leerlingen die aan bod komen. Inhoudelijk gezien is het klasgesprek minder leerstofgebonden dan het leergesprek. In het leergesprek staan de leerdoelen centraal. In het klasgesprek daarentegen primeert de vrije gedachtewisseling tussen de leerlingen, op grond van hun ideeen of ervaringen.
Verloop:
1. Introductie
2. Gesprek
3. Afronding
Positief:
Het vrij, spontaan spreken wordt door het klasgesprek bevorderd.
Ook affectieve doelen kunnen worden bereikt.
Het klasgesprek draagt bij tot een hechter groepsklimaat.
Algemeen vormende leerdoelen kunnen worden bereikt, bijvoorbeeld: kritisch luisteren, niet te vlug oordelen, elkaar respecteren.
Aandachtspunten:
Door het spontaan karakter van het klasgesprek is planning van een dergelijke activiteit moeilijk.
De tijd die een grondig klasgesprek in beslag neemt, is meestal niet gering.
Het welslagen is afhankelijk van de ervaring in de klasgroep. Er is een zekere gespreks-discipline vereist.
Leergesprek Het leergesprek wordt tegenwoordig ook wel eens evaluatiegesprek genoemd. Bij deze vorm van leergesprek worden de oplossingsmethoden en oplossingen van een vooraf opgegeven opdracht klassikaal voorgesteld en beoordeeld. De uiteindelijke bedoeling is dat je leerlingen de beste oplossingsmethoden van elkaar overnemen
Verloop
1. Instructie
2. De leerkracht observeert en inventariseert welke oplossingsmethode en oplossingen er voorkomen
3. De leerkracht bespreekt en vertrekt van de slechte of minder goede oplossing of oplossingsmethode
4. De bespreking mondt uit in de betere of beste oplossingsmethode of oplossing.
5. Zwakke leerlingen de beste oplossingsmethode of oplossingen nog eens laten herhalen.
6. De gevonden oplossingsmethode of oplossing nog eens toepassen in een gelijkaardige situatie.
Positief:
Alle leerlingen leren van elkaar, de zwakke leerlingen nemen de beste oplossingsmethoden over van de beteren, en de leerlingen die de beste oplossingsmethode vonden, mogen de methode verwoorden.
Bij het hanteren van deze werkvorm kan je bij sommige leerlingen ingrijpende gedragsveranderingen realiseren.
Het succesvol toepassen van een dergelijk leergesprek is afhankelijk van de ervaringen die je leerlingen hebben met deze werkwijze
Aandachtspunt:
Wanneer je leerlingen de beste oplossingsmethode niet zelf vinden, ben je genoodzaakt die zelf aan te bieden.
De gehanteerde strategie kost veel tijd en is derhalve voor jongere kinderen soms moeilijk hanteerbaar.
Doordat je als leerkracht soms voor verrassingen komt te staan, is het leergesprek moeilijk te plannen en te timen.
3. Opdrachtsvormen
Individuele opdracht De opdrachtvorm als werkvorm gaat uit van het principe van zelfwerkzaamheid. De leerling moet er blijk van geven te kunnen omgaan met informatie, dit wil zeggen: het geleerde te kunnen toepassen.
Stimuleren/ Motivator
Er is geen effectiever middel om leerlingen bij hun werk te stimuleren, dan door het tonen van aandacht voor de dingen waar ze mee bezig zijn. Hoe de leerkracht dit doet is sterk afhankelijk van zijn/haar persoonlijkheid.
leerlingen in de gaten houden heeft vaak al een stimulerende werking
lever een bijdrage aan de discussie in de groepjes door enerzijds stimulerende vragen te stellen en anderzijds afwijkende en (licht) provocerende standpunten in te brengen.
De procesbewaker
Het opdelen van de groep in subgroepen geeft in eerste instantie een rommelige, ongestructureerde aanblik. Niet iedereen is immers met hetzelfde bezig op hetzelfde moment en in de diverse groepjes wordt druk overleg gevoerd.
Enkele tips
maak duidelijk wat het doel is van de opdracht
maak duidelijk wat het resultaat van de opdracht moet zijn
geef aan hoe lang er aan de opdracht gewerkt kan/mag worden; waarschuw elk groepje wanneer de laatste minuten ingaan zodat ze een startsignaal krijgen ter afronding van de opdracht
zie erop toe dat elk groepje werkt volgens de afgesproken procedure
Verloop
Geef de opdracht - geef aan wat als resultaat (product) van de leerling(en) verwacht wordt
geef de tijd aan die leerlingen krijgen om de opdracht te volbrengen
ga na of iedereen de opdracht heeft begrepen - help de leerlingen waar nodig tijdens de uitvoering van de opdracht of geef ze aanwijzingen
controleer en/of bespreek de resultaten van de opdracht
als de resultaten beneden verwachting zijn, herhaal dan de theorie
Positief
de leerling leert zelfstandig het geleerde toe te passen (zelfwerkzaamheid)
de leerkracht kan als begeleider individueel aanwijzingen geven - de leerling verwerkt de leerstof actief
de leerkracht heeft rust en ruimte voor observatie en terugblik op de les
de leerling doet beroep op verschillende vaardigheden (analyse, oplossingsgericht denken, evalueren,...)
Aandachtspunten:
nabespreken kost veel tijd, zeker bij grote klasgroepen
individuele prestaties zijn niet altijd of moeilijk te beoordelen
vaak moet er veel materiaal worden meegenomen
tijdsintensief (zowel in voorbereiding als uitvoering)
Huiswerk Aandachtspunten
Geen nieuwe leerinhoud brengen
Huiswerk vraagt een aantal vaardigheden van de leerlingen: plannen, controleren, Bereid hen hierop voor.
Breng ouders op de hoogte van het huiswerk (heen-en-weerboekje, agenda, ).
Bedenk of de kinderen thuis de mogelijkheid hebben om huiswerk te maken.
Huiswerk moet functioneel zijn, gene belasting en zeker geen middel om te straffen omdat er een leerling niet klaar was of jij met je les. Zorg dat het huiswerk nuttig is. Laat het erna niet zomaar liggen.
Hoofdstuk 8: Media
Media is een ander woord voor leermiddelen heeft een dubbele functie
1. Middel: Het is hier een didactisch hulpmiddel dat leren vergemakkelijkt, maar ook plezieriger en interessanter kan maken. Op deze manier betrek je meer leerlingen, ook degenen die de taal niet zo machtig zijn.
2. Doel: Het is hier een didactisch hulpmiddel dat leren vergemakkelijkt, maar ook plezieriger en interessanter kan maken. Op deze manier betrek je meer leerlingen, ook degenen die de taal niet zo machtig zijn.
1. Voorwaarden voor goed media gebruik
Media dient als ondersteuning van een leerproces
Je gaat voor je les na welke media je wil inzetten
Welke afspraken maken wij hier rond?
Media is een didactisch handvat
Media is aanschouwelijk en kan het voor leerlingen gemakkelijker maken om een beeld te vormen (zowel op visueel gebied als iets werkelijk kunnen ruiken, voelen, proeven, ).
Media kan structuur aanbieden om leerinhouden en -processen te integreren bij leerlingen.
Door leerlingen zelfstandig met media aan de slag te laten gaan, activeer je ze meer tijdens de les en raken ze meer betrokken. Ze kunnen hiermee de leerstof of vaardigheid inoefenen en verwerken.
Media biedt de kans om te individualiseren binnen je aanbod.
Als je media laat aansluiten bij de leefwereld van de leerlingen, kan dit voor hen enorm motiverend werken.
Indien je media hebt gebruikt tijdens het leerproces, kan je dit ook toepassen tijdens een evaluatiemoment.
Kwaliteitskenmerken van media
De media die je gebruikt zal moeten voldoen aan drie kenmerken
Het moet representatief zijn om je doel na te streven. Zorg dat je genoeg verschillende voorbeelden hebt om zo een breder beeld te hebben van wat je wil overbrengen.
Je gebruikte media moet duidelijk zijn voor de leerlingen: scherp, groot genoeg, voor iedereen zichtbaar,
We zetten de media efficint in om dit te gebruiken als middel om het doel na te streven.
2. Verschillende soorten media
Het schoolbord Een schoolbord helpt de leerkracht om een structuur aan te brengen tijdens de les. Daarom is het belangrijk om vooraf na te denken over de opbouw van je structuur aan het bord. Doe dit op een apart blad en probeer dit zeker vooraf uit.
Belangrijk:
Aanschouwelijk: je kan op het bord visueel aan het werk gaan door kleuren te gebruiken, te onderstrepen, magnetisch materiaal aan het bord te hangen,
Demonstreren: het helpt je om een aantal zaken uit de leerinhoud uit te leggen voor te doen
Structuur: je kan structuur in de opbouw van je bordschema aanbrengen en daarbij ook in de leerinhoud
Geleidelijk: je bouwt je bordschema stap voor stap op zodat het voor de kinderen duidelijk wordt
Flexibel: er kunnen zaken bijgeschreven worden of weggeveegd worden Actief: kinderen kunnen aan het bord komen werken
Werkbladen/schriften/bundels Werkbladen en co kunnen op verschillende manieren ingezet worden tijdens de les. Ze kunnen worden gebruikt om leerinhouden te verwerven, verwerken, vast te zetten en te evalueren. Ze worden attractief gemaakt om de kinderen hiermee te stimuleren.
PAS OP!
Werkschriften zijn opgesteld voor een breed publiek, voor de drie onderwijsnetten. Er wordt geen rekening gehouden met de beginsituatie van je klas en de individuele leerling, en soms ook niet met de doelen van je leerplan.
Werkschriften zijn vaak per leergebied opgebouwd. Het is dus belangrijk om zelf linken te leggen tussen de verworven leergebiedoverschrijdende kennis. Zo krijg je meer integratie van de vakken n de inhoud.
Het werkblad blijft n middel om leerstof te verwerken. Gebruik het niet als te vanzelfsprekend, maar zoek ook alternatieven.
Integreren van een werkblad
Zorg dat de leerlingen begrijpen wat ze moeten doen en zorg voor een goede instructie.
Het moet duidelijk zijn wat de leerlingen moeten doen op het blad.
Creer een rustige sfeer.
Voorzie voldoende tijd en spreek dit af.
Wees aanwezig; loop rond en stel jezelf beschikbaar voor hulp en vragen.
Denk na over de correctie: laat je zelf verbeteren met een verbetersleutel of ga je dit zelf doen ?
Criteria goed werkblad:
Laat de oefeningen aansluiten bij de doelen die je wil bereiken. Schrap degene die er niet toe doen!
Pas de oefeningen aan aan het niveau van je leerlingen. Voorzie eventueel differentiatie.
Voorzie genoeg variatie in je opdrachten hou het afwisselend en interessant.
Is het een zinvol werkblad of is een andere werkvorm beter ?
Maak het aantrekkelijk voor de leerlingen. Laat het aansluiten bij de leefwereld.
Didactische handvaten binnen media gebruik
Digitale media motiveert de leerlingen omdat het de (leef)wereld gemakkelijker in het klaslokaal brengt
Deze leermiddelen kunnen gentegreerd worden door verschillende soorten media met elkaar te combineren.
Als belangrijke tool, kan media ingezet worden om differentiatiemateriaal aan te bieden aan de leerlingen. Zo kan je de verschillende niveaus van de leerlingen aanpakken om in te oefenen en te remediren.
Door het gebruik van dit medium kan je kinderen actiever en constructiever betrekken door ze zelf ermee aan de slag te laten gaan met oefeningen en zo hun eigen leerproces mee te begeleiden.
Het bevordert het samenwerken klasintern en -extern.
P69-76 - LEZEN
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is onbeperkt.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag