Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Hoofdlijnen Nederlands Recht. Hoofdstuk 4: Verbintenissenrecht- de
onrechtmatige en rechtmatige daad
4.1 Rechtsgrond schadevergoeding
In gevallen waarin schade is geleden en de veroorzaker weigert deze te vergoeden, moet
je naar de rechter stappen om schadevergoeding te eisen. Er zijn twee mogelijke
gronden voor schadevergoeding: op grond van een overeenkomst, of op grond van de
wet. Bij schadevergoeding op grond van de wet wordt onderscheid gemaakt tussen de
onrechtmatige daad en rechtmatige daad. Samen vormen de onrechtmatige en
rechtmatige daad verbintenissen die uit de wet voortvloeien. Het vorderen van
schadevergoeding op basis van een onrechtmatige daad is in de praktijk veel
belangrijker en komt vaker voor. Deze vorm van schadevergoeding is gebaseerd op het
feit dat de ander een onrechtmatige handeling heeft verricht. Wanneer een
overeenkomst is gesloten, kan schadevergoeding niet worden geclaimd op basis van een
onrechtmatige daad.
4.2 Wat te bewijzen?
Om een vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad te laten
toewijzen, moet de eiser vier vereisten voorwaarden voor schadevergoeding bewijzen.
Als eerste moet er sprake zijn van een daad die
onrechtmatig is. Een onrechtmatige daad kan
een inbreuk op een recht zijn (een schending
van een subjectief recht dat voortvloeit uit het
objectieve recht. Bijvoorbeeld, het betreden van
iemands huis zonder toestemming kan worden
beschouwd als een inbreuk op het
eigendomsrecht), een handeling in strijd met
een wettelijke plicht (handelen in strijd met een
door de wet opgelegde plicht, bijvoorbeeld het
niet respecteren van auteursrecht), of een handeling in strijd met het ongeschreven
recht (ook wel schending van een zorgvuldigheidsnorm genoemd. Dit omvat
fatsoensregels en verwachtingen in het maatschappelijk leven. Als iemand zich niet
gedraagt op een manier die redelijkerwijs van hem of haar verwacht mag worden).
Jessie Buitenhuis, 2204855
Gedownload door Lisa Karger ([email protected])
lOMoARcPSD|47941159
Als tweede moet de onrechtmatige daad aan de dader
kunnen worden toegerekend, of door schuld
(schuldaansprakelijkheid), of doordat de gevolgen van de
daad volgens de wet of de geldende verkeersopvattingen
voor zijn rekening komen (risicoaansprakelijkheid). In
art. 6:162 lid 3 BW wordt aangegeven wat onder
toerekening wordt verstaan: Een onrechtmatige daad
kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te
wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke
krachtens de wet of de in het verkeer geldende
opvattingen voor zijn rekening komt.
Als derde moet er sprake zijn van schade.
Schade kan bestaan uit vermogensschade
(zowel geleden verlies als misgelopen
winst) en/of ander nadeel (immaterile
schade, ook wel smartengeld. Een
voorbeeld van ander nadeel is emotionele
schokschade)
En als vierde moet er een rechtstreeks causaal verband (oorzaak gevolg) bestaan tussen
de onrechtmatige daad en de geleden schade.
Als niet aan een van deze vier voorwaarden is voldaan, zal de vordering tot
schadevergoeding niet worden toegewezen. Het gaat dus om cumulatieve vereisten die
allemaal bewezen moeten worden.
Jessie Buitenhuis, 2204855
Gedownload door Lisa Karger ([email protected])
lOMoARcPSD|47941159
4.3 Verweermiddelen gedaagde
Verweermiddelen kunnen worden gebruikt door de gedaagde (de schade toebrenger) om zich te
verdedigen tegen een vordering tot schadevergoeding. Er zijn twee verweermiddelen:
Rechtvaardigingsgrond: Dit houdt in dat de gedaagde kan betogen dat hoewel aan de criteria van
een onrechtmatige daad is voldaan, er een rechtvaardigingsgrond aanwezig was waardoor de daad
toch niet onrechtmatig is. Er zijn vier rechtvaardigingsgronden: overmacht, noodweer, wettelijk
voorschrift en ambtelijk bevel.
Relativiteitsvereiste: Dit verweermiddel stelt dat hoewel er mogelijk sprake is van een geschonden
norm, deze norm niet tot doel had om bescherming te bieden tegen de specifieke schade die de
benadeelde heeft geleden. Het relativiteitsvereiste houdt in dat alleen schendingen van normen die
bedoeld zijn ter bescherming van het specifieke belang van de benadeelde kunnen leiden tot
aansprakelijkheid.
Bij de beoordeling van de verweermiddelen wordt gekeken naar onder andere de relatie tussen de
geschonden norm en de geleden schade. Deze verweermiddelen kunnen invloed hebben op de
toewijzing van een vordering tot schadevergoeding.
4.4 Omvang van de schade
De omvang van de schade in een situatie waarin iemand aansprakelijk wordt gesteld
voor een onrechtmatige daad, hangt af van verschillende factoren. Vroeger werd
voornamelijk gekeken naar welke schade redelijkerwijs te voorzien was volgens de
zogenaamde adequatieleer (welke schade was redelijkerwijs te voorzien/voorkomen?).
Echter, de complexe maatschappelijke werkelijkheid heeft geleid tot de ontwikkeling van
een nieuw criterium: de toerekenen van de schade naar redelijkheid. Hierbij wordt
gekeken of de schade redelijkerwijs aan de dader kan worden toegerekend, rekening
houdend met zowel de aard van de aansprakelijkheid als de aard van de schade zelf.
Letselschade wordt bijvoorbeeld eerder toegerekend dan zaakschade. Hoewel de
adequatieleer niet volledig is afgeschaft, is het niet langer het hoofdcriterium. De
toerekening naar redelijkheid staat nu centraal, waarbij voorzienbaarheid wel ook nog
steeds een rol speelt bij het bepalen of bepaalde schade vergoed moet worden.
Jessie Buitenhuis, 2204855
Gedownload door Lisa Karger ([email protected])
lOMoARcPSD|47941159
4.5 Andere vorderingen dan schadevergoeding
Soms wil een benadeelde in een situatie van onrechtmatige daad iets anders vorderen
dan (alleen) schadevergoeding. De wet biedt hiervoor verschillende mogelijkheden. Zo
kan de rechter op verzoek van de benadeelde de schadevergoeding anders dan in geld
vaststellen, bijvoorbeeld door vergoeding in natura of herstel in de oude toestand.
Daarnaast kan de rechter de gedaagde veroordelen tot openbaarmaking van een
rectificatie (openlijk terugkomen op een onjuiste berichtgeving) of een verbod opleggen
om een onrechtmatige daad te plegen, met eventueel een dwangsom als prikkel om het
verbod na te leven. Tot slot kan de rechter op verzoek van de eiser een verklaring voor
recht uitspreken, waarin wordt verklaard dat een bepaalde daad onrechtmatig is.
4.6 Risicoaansprakelijkheid voor andere personen
Risicoaansprakelijkheid betekent dat iemand soms verantwoordelijk moet zijn voor
schade, zelfs als die persoon geen verwijt kan worden gemaakt.
De aansprakelijkheid van ouders voor de
onrechtmatige daden van hun kinderen: Tot en met
13 jaar zijn ouders altijd aansprakelijk voor de
schade die hun kinderen veroorzaken, zelfs als ze
geen schuld hebben aan het gedrag van het kind.
Voor kinderen van 14 en 15 jaar geldt dat zowel het
kind als de ouders aansprakelijk kunnen worden
gesteld, waarbij het kind de schade moet vergoeden
als er verwijtbaar gedrag is aangetoond. Vanaf 16
jaar zijn ouders niet meer aansprakelijk en draagt
het kind zelf de gevolgen van zijn of haar daden.
De aansprakelijkheid van werkgevers voor de onrechtmatige daden van werknemers:
Een werkgever kan onder bepaalde voorwaarden aansprakelijk worden gesteld voor de
schade die een werknemer veroorzaakt door een onrechtmatige daad. De werkgever
draagt het risico, ongeacht of hij schuld heeft. Om aansprakelijkheid vast te stellen,
moeten de gedragingen van de werknemer aan 3 criteria voldoen, het begaan van een
onrechtmatige daad, een vergrote kans op het begaan van de onrechtmatige daad door
de werkopdracht en de werkgever moet zeggenschap hebben gehad over de situatie
waar de onrechtmatige daad plaatsvond. Als de werkgever aansprakelijk wordt gesteld,
kan hij zich op zijn beurt weer verhalen op de werknemer, als de schade opzettelijk of
bewust roekeloos is toegebracht. Maar het bewijzen van bewuste roekeloosheid door de
werknemer is moeilijk.
Producent aansprakelijk voor schade door gebrek in product: Een producent is
aansprakelijk voor schade veroorzaakt door een gebrek in zijn product. De eiser moet
bewijzen dat er een gebrek is, schade is geleden en er een oorzakelijk verband bestaat
tussen het gebrek en de schade. De producent kan zich niet beroepen op gebrek aan
Jessie Buitenhuis, 2204855
Gedownload door Lisa Karger ([email protected])
lOMoARcPSD|47941159
schuld, omdat het een risicoaansprakelijkheid is. Er zijn enkele uitzonderingen op de
productaansprakelijkheid, zoals wanneer het product niet in de handel is gebracht door
de producent, het gebrek niet bestond bij het in de handel brengen of het gebrek niet
ontdekt kon worden met de kennis van destijds. Het begrip "product" omvat roerende
zaken en elektriciteit, en de term "producent" is ruim gedefinieerd, inclusief de fabrikant
van een eindproduct, producenten van grondstoffen, fabrikanten van onderdelen en
iedereen die zijn naam, merk of ander onderscheidingsteken op het product aanbrengt.
Schade in verband met productaansprakelijkheid omvat letselschade en productschade,
waarbij een vrijstelling van 500 geldt voor schade aan andere producten voor
privgebruik.
Twee voorbeelden van andere vormen van aansprakelijkheid zijn: De bezitter van een
(on)roerend goed (gebouwen, land) is aansprakelijk voor schade veroorzaakt door dat
goed als het een specifiek gevaar oplevert en niet voldoet aan de vereisten die we in die
situatie kunnen verwachten. De eigenaar van een dier is aansprakelijk voor schade
veroorzaakt door dat dier (dieraansprakelijkheid)
4.7 Rechtmatige daad
Verplichtingen kunnen, behalve van overeenkomsten en onrechtmatige daden, ook
voortvloeien uit rechtmatige daden. Er zijn drie vormen van rechtmatige daden:
zaakwaarneming, onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking.
Zaakwaarneming vindt plaats wanneer iemand vrijwillig en op redelijke gronden de
belangen van iemand anders behartigt zonder specifieke bevoegdheid. Bij
onverschuldigde betaling gaat het om betalingen die per ongeluk zijn gedaan zonder
geldige reden. Onrechtmatige verrijking treedt op wanneer iemand ongerechtvaardigd
profiteert ten koste van een ander. In deze gevallen kunnen er verplichtingen ontstaan
om de schade te vergoeden of het verkregen voordeel terug te geven. . De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag