Maak een oefenexamen van de volgende tekst: HOOFDSTUK 8: Genetica
1.Inleiding -genen die erfelijke eenheden doorgeven zijn gelegen in of op chromosomen celkern
2. Monohybride overerving
2.1 De experimenten van Mendel - bonen -7 eigenschappen - 7 eigenschappen vertonen 2 varianten -kunstmatige kruisbestuiving: voor alle 7 eigenschappen waren nakomelingen onderling
hetzelfde en leken ze op 1 van de ouders - nakomelingen met elkaar kruisen: in volgende generatie beide kenmerken terug te vinden
2.2 Conclusies - elke bonenplant heeft voor elke eigenschap 2 erfelijke factoren - tijdens vorming van gameten: 2 factoren gaan uit elkaar en komen in 2 verschillende
gameten terecht - elke gameet bezit voor elke eigenschap 1 factor - elke plant krijgt van elke ouder 1 factor voor elke eigenschap - erfelijkheidsfactoren moet aparte eenheden in cel zijn - 2 verschillende factoren kunnen in zelfde celkern voorkomen maar ze wijzigen elkaar niet --> 1 ervan onderdrukt maar 2e kans in nieuwe generatie -conclusies stemmen overeen met chromosomen tijdens meiose - elke diplode celkern bevat elk type chromosoom in tweevoud - elk chromosoom van homoloog paar bevat genen voor zelfde serie eigenschappen
- voor elke eigenschap dus in diplode kern 2 genen die eenzelfde of verschillende variant
kunnen bevatten - 2 chromosomen gaan tijden meiose uit elkaar --> gameet van elk type bevat slechts 1
chromosoom en van elk gen slechts 1 variant
2.3 Hedendaagse inzichten -Allelen: wanneer er van een gen 2 of meer varianten bestaan - Allel= 1 van genen op bepaalde locus - locus= plaats van gen in chromosoom - recessief allel komt niet tot uiting als op overeenkomstige locus in homologe chromosoom
dominant allel aanwezig is - dominante allelen: hoofdletter - recessieve allelen: kleine letter - homozygoot= cellen die voor bepaalde eigenschappen gelijke allelen bezitten - heterozygoot: cellen die voor bepaalde eigenschappen verschillende allelen bezitten - fenotype= uiterlijk, waarneembare eigenschappen organisme - genotype: genensamenstelling van individu of van cellen - vaak is aan fenotype genotype niet te zien - monohybride kruisig= kruising waarbij gelet wordt op 1 eigenschap en waarbij 1
allelenpaar betrokken is - voorbeeld zie boek - intermediair fenotype: als in heterozygoot individu beide allelen tot uiting komen - in meeste gevallen: onvolledige dominantie
3. Dihybride en trihybride overerving
3.1 De verdeling over de nakomelingen -dyhibride kruising kan planten opleveren die fenotypisch verschillend zijn van
oorspronkelijke ouderplanten - typische fenotypische verhouding F2-generatie: 9: 3: 3: 1
= 2 allelenparen erven onafhankelijk over of zijn ongekoppeld (gelegen op verschillend
chromosomenpaar) -elk allelenpaar van dyhibride kruising gedraagt zich alsof het een monohybride kruising
betrof
3.2 Dihybride kruising
- verdeling berekenen: -manier 1: boek - manier 2: de kans dat een aantal onafhankelijke gebeurtenissen tegelijkertijd optreedt=
product van de kansen dat elke gebeurtenis afzonderlijk optreedt
3.3 Trihybride kruising
Voorbeeld zie boek
4. Interacties tussen genen - 2 genen van dihybride kruising kunnen onafhankelijk overerven maar op dezelfde
eigenschap hun fenotypische uitwerking hebben --> kan leiden tot andere verhoudingen in nageslacht -bv. Vacht van een marmot (zie boek) - epistatisch gen: een allel blokkeert effect andere gen - polygenie= verschillende genen die gelegen zijn op verschillende loci werken samen in op
het tot stand komen van 1 dezelfde eigenschap - elk van die genen afzonderlijk draagt slecht in geringe mate bij tot ontstaan van de
eigenschap maar het is de som van jun aparte effecten die eigenschap doet ontstaan --> onderscheid cumulatieve (bv lichaamslengte) en additieve polygenie --> zichtbare effecten verschillende genen worden bij elkaar gevoegd waardoor uiteindelijk
fenotypische uitzicht varieert naar gelang inwerkende genen --> drempelpolygenie: expressie van fenotypische eigenschap neemt niet gelijkmatig toe met
aantal polygenen. Eerst bepaalde hoeveelheid allelen aanwezig vooraleer eigenschap tot
uiting kan komen
5.Polymorfisme - op locus kunnen veel verschillende allelen voorkomen - verschillende vormen= polymorfisme
5.1 Hemoglobine - zit in rode bloedcellen - vorm kan verschillend zijn - gewone vorm: hemoglobine A - andere variant: hemoglobine S
--> leiden aan ernstige bloedarmoede --> molecule vormt grote kristalstructuren: vormt cikkelcelanemie --> niet iedereen leidt aan bloedarmoede: sommigen hebben zowel Hemoglobine A als S --> wel sterke weerstand tegen malaria -Naast hemoglobine S en hemoglobine A nog meer dan 300 andere varianten
(Wel uiterst zeldzaam) -polymorfisme= elke variant is duidelijk kwalitatief te herkennen aan chemische
eigenschappen -2 methodes om polymorfisme te herkennen --> 1e methode: herkennen verandering in moleculaire vorm door natuurlijk proces bij
zoogdieren: immuniteitsreacties --> 2e methode: elektroforese: zoeken naar verandering in moleculaire lading
5.2 Bloedgroepen -bloed dat niet verenigbaar is kan niet bij iemand ingebracht worden --> zorgt voor agglutinatie (bloedklonters) en hemolyse (afbraak) van overgebrachte bloed -polymorfisme van bloedgroepen bestaat waardoor bloed van 2 mensen onverenigbaar is -mensen bezitten antistoffen tegen rode bloedcelen van ander type dan ze zelf hebben --> type A: antigen A op rode bloedcellen en anti-B in bloedserum --> Als iemand met Type A Type B krijgt: B-cellen klonteren samen met anti-B --> Type AB: bezitten beide soorten antigenen maar antistof hebben ze niet --> kunnen van iedereen ontvangen --> Type O: geen antigenen maar wel beide soort antistoffen --> kunnen aan iedereen geven maar niet ontvangen -enkele types geven bij bloedtransfusies problemen
6. Complicerende factoren
- genen staan in wisselwerking met elkaar: individu kan dominant allel bezitten dat
fenotypisch niet tot uiting komt - tot uiting komen: afhankelijk aan- of afwezigheid van een ander gen - penetratie: percentage individuen dat bepaald gen tot uiting kan laten komen maar ook
werkelijk tot uiting kan laten komen - expressiviteit: wijze waarop fenotype tot uiting komt - kan zijn dat kenmerk zodanig door andere genen wordt benvloed dat het bij sommige niet
meer herkenbaar is - 9/10 mensen vertonen bijbehorend fenotype aan allel: penetratie= 90% -niet-penetratie: aan uiteinde expressiviteitscurve: gaat over in die van ander genotype --> overlappende gebieden: individuen met verschillend genotype niet te onderscheiden --> penetratiedrempel: afhankelijk van expressiviteit en nauwkeurigheid waarmee we
genotype kunnen opsporen -omgeving heeft ook invloed: --> bv. Fruitvlieg: drosoophila melanogaster en bergkonijn
Homozygote vliegjes voor stompe vleugels hebben kleine vleugels bij temperatuur 20 C. Bij
31 C normale vleugels.
Bergkonijn: witte vacht, zwarte oren, poten, staart en neus. Deel van vacht op rug
wegnemen en ijs op bedekken: op die plaats zwarte vacht.
==> we erven eigenschappen over: we erven genen over (tot uiting komen: afhankelijk
andere factoren) -ontwikkelingsprogramma= gegeven dat organisme ontwikkeling doormaakt
7. Erfelijkheid en milieu -ontwikkelingsproces is gevolg van unieke wisselwerking tussen genen en milieu - onderscheid tussen genotype en fenotype --> genotype: wat tijdens de bevruchting door spermacel en eicel overgedragen wordt:
Genen als serie DNA-moleculen in kern bevruchte eicel --> Fenotype: alle aspecten organisme in bepaalde levensfase (nooit gerfd) -reactienorm: elk genotype heeft in elk milieu een bepaald fenotype --> reactienorm genotype: lijst of grafiek die bij alle mogelijke milieus fenotypen geeft
Vb. Organisme A en organisme B zullen anders reageren op eenzelfde voedingspatroon wat
betreft verhouding voedingsopname/lichaamsgewicht -ontwikkelingsruis: toevallige gebeurtenissen tijdens ontwikkeling die ook invloed hebben
--> Elk stukje huid heeft zijn eigen milieu. Vandaar dat er asymmetrie kan optreden --> overal aanwezig op lichaam (kan gaan van haarfollikels tot moedervlekken)
8. Genetische variantie en milieumatige variantie
Vb. Verdeling lichaamslengte - aantal mensen: --> Meestal symmetrische grafieklijn met vorm van een klok: toevalskromme (Gauss
curve) --> Eigenlijk summatie van verschillende genotypen voor lichaamslengte --> Afhankelijk van genotype kan reactie op milieu wijdt verspreid of zeer nauw verspreid
zijn (brede toevalskromme of kleine toevalskromme) --> verdeling totale populatie: verdelingen per genotype optellen - bij elk genotype hoort een bepaald gemiddelde -genetische variant= mensen verschillen in populatie doordat ze verschillende genotypen
hebben (variant tussen genotypisch gemiddelden in populatie) - milieumatige variantie= spreiding rondom gemiddelde binnen elk afzonderlijk genotype
(variatie rondom gemiddelde)
9. Veranderingen in de genen -meeste genloci kunnen meerde allelen bevatten waardoor polymorfisme mogelijk is --> dankzij mutatie -normaal ondergaat bepaald gen weinig mutatie -maar veer verschillende genen per individu --> totaal aantal genen alle leden heel groot -binnen een soort: voortdurend mutaties - verschillende soorten:
Base-paarmutaties: basenpaar vervangen (bv AT door GC);
Transitiemutaties: Vier types zijn mogelijk: GC door AT, AT door GC, TA door CG en CG
door TA;
Transversiemutaties: bijvoorbeeld AT door TA, GC door CG, AT door CG en GC door TA.
-soorten kunnen opgesplitst worden in functie van effect op aminozuurvolgorde in eiwitten: --> missense mutaties: verandering in basen DNA leidt tot verandering in codon mRNA:
verschillende aminozuren worden in eiwitketen geplaatst --> Nonsens mutaties: mutatie geeft aanleiding tot stopcodon: vormig slecht 1 fragment
oorspronkelijk eiwit --> Silent mutaties: ter hoogte van welbepaald gen: codon in mRNA verandert maar codeert
voor eenzelfde aminozuur (geen effect op totale eiwitketen) --> Frameshift mutaties: nucleotidepaar toegevoegd of gaat verloren: door toevoegen gaat
code shiften: na additie compleet andere aminozuursequentie en dus andere
polypeptideketen
--> spontane mutaties: komt niet veel voor, gekenmerkt door specifieke verandering: - tautomerisatie: base veranderd door herpositionering waterstofatoom:
waterstobindingspatroon base verandert: resulteert in onjuiste baseparing - purificatie: verlies van purinebase om apurinische plaats te vormen - deaminatie: hydrolyse veranderd normale base in atypische base die ketogroep bevat
i.p.v. aminegroep - mislukte slipped strand: denaturatie nieuwe streng template tijdens replicatie
gevolgd door renaturatie op andere plek (slipping): kan leiden tot invoegingen of
verwijderingen
-Genduceerde mutaties: veranderingen in gen na contact met mutagenen en omgeving --> veroorzaakt door: -chemicalin - straling (ultraviolet licht, ioniserende straling) -selectie werkt op fenotypen (indirect op genotypen) - alleen dominante mutaties komen tot uiting in fenotype, pas daarna uit populatie verwijder
door natuurlijke selectie - Maar: veel mutaties zijn recessief en leiden tot heterozygoot genotype: schadelijk effect
komt niet tot uiting - effect mutatie pas merkbaar bij 2 heterozygoten die risico lopen een nakomeling te krijgen
die mutatie in homozygote vorm heeft - letaal= allel dat doodgaat wanneer het tot expressie komt --> allel dat homozygoot schadelijk kan zijn, kan heterozygoot voordelig zijn --> bv. Sikkelcelanemie:
In homozygote toestand rode bloedcellen: afwijking: klitten samen en verstoppen kleine
bloedvaten en veroorzaken bloedarmoede
In heterozygote toestand: vertonen afwijking in beperkte mate -Pleitroop: gen dat meerde effecten kan oproepen --> heel gewoon verschijnsel -syndroom: vrij constante combinatie van symptomen die meestal gevolg zijn van 1 gen
10. Veranderingen in de chromosomen - mutatie chromosomen op 2 manieren: --> in aantal chromosomen --> dor verandering aantal en rangschikking genen binnen 1 chromosoom
10.1 Structurele veranderingen - deletie= deel van chromosomen gaat verloren - duplicatie= deel chromosoom wordt langer door verdubbeling - translocatie: deel chromosoom overgebracht naar ander niet-homoloog chromosoom - inversie: deel van chromosoom komt omgekeerd te liggen
10.2 Veranderingen in aantal - polyplode: mogelijkheid dat chromosoom verandert in aantal - polysomie: aantal van enkel chromosomen verandert --> non-disjunctie: celdeling is niet goed verlopen: homologe chromosomen tijden meiose
1 niet goed gescheiden en in zelfde haplode kern beland -
Met 1 chromosomenpaar: gameet heeft 1 chromosoom te veel of te weinig --> na bevruchting trisomie of monosomie (= letaal) - -
Bv. Syndroom van Down
Bij alle chromosomen non-disjunctie: ontstaan diplode gameet die na bevruchting
met normale gameet triplode organisme oplevert
11. Geslachtsgebonden erfelijkheid - geslachtelijkheid is niet overefbaar in zelfde zin als lichaamslengte - erfelijkheid is dus niet aan geslacht gebonden - maar wel kenmerken die meer bij mannen voorkomen dan bij vrouwen - heterosomen= geslachtshormonen met bijzonder karakter - autosomen= homologe paren die zich in een aantal opzichten als bijzonder paar
onderscheiden van heterosomen
12. Geslachtsbepaling - mens heeft 23 paar chromosomen --> van elk paar 1 afkomstig van spermacel en 1 van eicel -autosomen= 22 paren: tweetal is identiek van vorm, 23e paar heeft alleen bij vrouw
eenzelfde vorm en bij man verschillende - vrouw: XX - Man: XY - bij vorming gameten: elk paar chromosomen over 2 gameten verdeeld
--> vrouwen: XX: elke eicel 1 x --> mannen XY: 50% x en 50% y --> eicel bevrucht met spermacel met x: ontstaan XX-zygoot= meisje --> eicel bevrucht met y-gameet: XY-zygoot= jongen -kans op bevruchting kan verschillen tussen x- en y-spermatozoa - verhoogde kans tot dood bij mannelijke embryo's - in X-chromosoom liggen 90 genen - in Y-chromosoom genen beperkt - 9 genen in pseudo-autosomale zone: erven over als gewone autosomen - homologen ook aanwezig op X-chromosoom zodat XY-cell 2 kopien hebben van genen - 80 genen buiten pseudo-autosomale zone --> sommige ervan coderen uitsluitend voor eiwitten die enkel actief zijn bij mannelijke
geslachtsorganen -SRY-gen speelt belangrijke rol bij geslachtbepaling (gelegen op korte arm Y-chromosoom) - al vroeg in ontwikkeling vrouw 1 X-chromosoom genactiveerd: overeenkomstige genen
uitgeschakeld --> genactiveerde gen: soms vaderszijde soms moederszijde --> na proces: in alle dochtercellen hetzelfde chromosoom inactief --> te zien aan vorm: barr-lichaampje -geslacht kind voorspellen door cellen ongeboren vrucht te onderzoeken aan aanwezigheid
barr-lichaampje -genen niet allemaal even actief, verschillende weefsel reageren niet hetzelfde op dezelfde
signalen - gonaden man en vrouw produceren allebei oestrogenen maar vrouwen scheiden meer af
dan mannen --> gevormd uit cholesterol met enzymen --> zowel man en vrouw hebben genetische code voor die enzymen --> worden in cel in verschillende mate geactiveerd: daardoor verschillen seksen -door aanwezigheid testosteron zorgen genitale weefsels voor penis
Turner-syndroom: geen Y-chromosoom: XO van vrouwelijk geslacht (steriel)
Klinefelter-syndroom: XXY: mannelijk geslacht (Y stuurt in deze richting) echter ook steriel
13. Heterosomale eigenschappen - op X-chromosoom: genen die op Y-chromosoom ontbreken --> genen= geslachtsgebonden= X-chromosomaal= heterosomaal --> hierdoor loopt erfelijke overdracht anders dan bij autosomale genen -bij vrouwen in tweevoud, bij mannen in enkelvoud -allelen kunnen niet onderdrukt worden: bij man recessieve fenotype komt vaker voor
14. Koppeling van genen -manier van erfelijke overdracht gebaseerd op: --> splitsingswet van Mendel: --> bij vorming van gameten wordt elk paar genetische factoren gesplitst en over 2
gameten verdeeld - di- en trihybride kruisingen gebaseerd: --> wet van onafhankelijk overerving van mendel --> bij 2 of meer allelenparen wordt elk paar onafhankelijk gesplitst van de andere paren --> tweede wet gaat niet vaak op
14.1 Op chromosomaal niveau - tegenstelling bewezen op tweede wet van mendel - elk soort organisme heeft duizenden verschillende genen, tientallen verschillende
chromosomen --> in elk chromosoom moeten dan wel meerdere genen liggen -chromosomenparen in geheel gesplitst tijdens meiose - genen in zelfde chromosoom blijven tijdens splitsing bijeen= gekoppelde genen
=> 2e wet mendel kan dus enkel gelden voor ongekoppelde genen -testkruising voorbeeld zie boek
14.2 Chromosoomkaarten - als tijden gameetvorming alleen chromosomen verdeeld zouden worden: --> genen van zelfde chromosomenpaar zouden nooit nieuwe combinatie kunnen vormen --> proces waarbij delen chromosoompaar uitgewisseld kunnen worden: recombinanten
kunnen ontstaan --> plaats waar het gebeurt telkens anders -kans op crossing-over kleiner naarmate 2 gekoppelde genen dichter bij elkaar liggen --> minder mogelijkheden voor een breuk -recombinatiepercentages proberen achterhalen tussen alle genen van bepaald
koppelingsgroep --> percentages vertalen in afstanden --> ontstaan soort kaart: genen ten opzichte van elkaar gelokaliseerd --> koppelingsgroep= verzameling genen die gezamenlijk kunnen overerven dankzij ligging
in zelfde chromosoom -recombinatiepercentage geeft info over absolute afstanden - maar relatieve afstanden nodig - ontstaan soort spoorwegkaart: stations in juiste volgorde maar niet juiste afstand - afstandseenheid: afstand waarbinnen 1% van gevallen crossing-over optreedt - percentage crossing-over berekenen: aantal recombinanten delen door aantal
nakomelingen (x100) --> percentage maximaal als genen zo ver liggen dat ze niet meer tot zelfde
koppelingsgroep behoren -hoe kleiner afstanden tussen meetpunten, hoe mindere dubbele crossing-overs en hoe
betrouwbaarder percentages voor chromosoomkaarten
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag