Maak een oefenexamen van de volgende tekst: HOOFDSTUK 5: energetische omzettingen in de cel
1.Inleiding -voor cel levensnoodzakelijk om energie in bruikbare vorm te bemachtigen -Anabolisme/ assimilatie= opbouwende fase in totale stofwisseling (metabolisme) - voor dat energie gebruikt kant worden moeten energierijke moleculen chemisch
afgebroken worden
= katabolisme/ dissimilatie= afbrekende fase in totale stofwisseling --> voor alle organismen noodzakelijk om zichzelf in stand te houden --> afbraak mogelijk op 2 manieren:
1) Onvolledige afbraak: komt geen zuurstof aan te pas= anaerobe dissimilatie
2) Volledige afbraak: zuurstof vereist= aerobe dissimilatie
2. Anaerobe dissimilatie - onderscheid tussen alastisch en lactisch systeem --> lactisch systeem: koolhydraten als precursor en produceert naast energie lactaat --> alactisch systeem: creatinefosfaat aangesproken om nodige energie uit te halen
2.1 Systeem 1: het Creatinefosfaatsysteem - creatinefosfaat= gefosforyleerde creatinemolecule --> dient als snel mobiliseerbare reserve --> van hoogenergetische fosfaten in skeletspieren en hersenen --> om adenosinetrifosfaat (ATP) te recycleren
-kan anaeroob fosfaatgroep doneren aan ADP om ATP te vormen gedurende spierspanning -omgekeerd: overtollig ATP gebruikt om creatine in fosfocreatine om te zetten gedurende
periode van lange inspanning
--> = fosforylatie van creatine: wordt gekatalyseerd door creatinekinasen -cel heeft vermogen om fosofcreatine te genereren uit te veel aan ATP in rust -fosfocreatine wordt gebruikt voor snelle regeneratie ATP tijdens intense activiteit --> 2 factoren levert buffer van ATP-concentratie -vorming CP + ADP uit C+ ATP gebeurt in intermembranaire ruimte mitochondrin
2.2 Systeem 2: Lactisch anaerobe systeem -dissimilatie= afbraak organische stoffen opgebouwd bij assimilatie - glycolyse:
--> glycose= stabiele verbinding, valt niet zomaar in kleinere verbindingen uiteen
--> bij activatie glucose komt energie in chemische bindingen glucose vrij
==> stapsgewijze afbraak van glucose in pyruvaat
--> glucose activeren door ATP
--> bestaat ui adenosine met fosfaatgroep in series van 3 -Enkel laatste fosfaatbinding betrokken bij energieomzetting in cel - hydrolytisch afbreken van band= exergonische reactie: lever anorganisch fosfaat op
= Adenosine-di-fosfaat -Als 2e en 3e fosfaatgroep verwijderd worden blijft AMP over (adenosinemonofosfaat) -uit ADP en anorganisch fosfaat: nieuw ATP (als genoeg energie om ADP met 3e
fosfaatgroep te verbinden) -fosforylatie= toevoegen fosfaat -belangrijkste kenmerken glycolyse:
1) elke glucose (C6) wordt afgebroken in pyruvaat (C3)
2) 2 moleculen ATP nodig om proces op gang te brengen, 4 nieuwe moleculen ATP
gevormd --> winst
3) 2 moleculen NADH gevormd (= elektronendonor)
4) glycolyse altijd mogelijk want geen O2 nodig
5) vind plaats in cytoplasma buiten mitochondrin -NAD+ = elektronenacceptor -NADH= elektronendonor
--> tijdens dissimilatie: NAD belangrijk voor elektronentransport --> tijden assimilatie: NADP belangrijk voor elektronentransport: vangen elektronen op om
weer door te geven -Cel heeft beperkt NAD dus moet NADH snel elektronen kunnen overdragen om klaar te zijn
voor volgende lading --> anders glycolyse geblokkeerd -melkzuur ontstaat wanneer elektronen worden overgedragen aan pyruvaat
3.Anaerobe dissimilatie -bij voldoende zuurstof: organismen kunnen na glycolyse volgende afbraakroute doen (als
ze juiste enzymen hebben) -pyruvaat kan verder afgebroken worden --> want zuurstof neemt rol elektronenopvang over --> kan meer energie leveren voor opbouw ATP -aerobe gedeelte van afbraakproces= cellulaire respiratie (fase 2 en 3 glucoseafbraak) -fasen leveren alle 3 NADH op, begint nu aan 4e fase --> 4e fase: ontstaat meeste ATP door NADH die elektronen overdraagt aan zuurstof --> gebeurt via ademhalingsketen (= elektronentransport)
3.1 Een afbraak in fasen
3.1.1 Fase 2: decarboxylering -aerobe oxidatie pyruvaat: ingewikkelde serie reacties --> netto-eindresultaat: koolstofdioxide in geactiveerde vorm van acetaat -acetaat = geactiveerd genoemd wegens binding met co-enzym A --> gehele verbinding= acetyl-CoA --> hierbij: waterstof onttrokken en overgegaan in NADH (alles 2 keer) -samengevat: 2 pyruvaat + 2CoA + 2 NAD+ --> 2 acetyl-COA + 2CO2 + 2NADH -einde van fase 2: 2 van 6 koolstoffen uit glucose vrijgekomen als koolstofdioxide -pas gevormde NADH moet weer oxidatie ondergaan zodat afbraak niet vastloopt
3.1.2 Fase 3: citroenzuurcyclus
= cyclische serie van reacties waar acetyl-CoA in aanwezig is
= kreb-cyclus -elke molecule acetyl-CoA wordt gekoppeld aan 4-C- verbinding uit mitochondrin
--> ontstaan: nieuwe C6 verbinding (citroenzuur) -bij volgende reactie: 2 koolstoffen verloren in vorm koolstofdioxide --> C4 blijven over, en cyclus kan opnieuw beginnen -per glucose-molecule gebeurt alles 2x - per cyclus 1x ATP opgebouwd - 8x waterstof onttrokken en doorgegeven aan elektronenacceptor -FAD is redox-cofactor= prothetische groep van eiwit --> betrokken bij verschillende belangrijke enzymatische reacties in metabolisme -Flavoprotene= eiwit dat flavinedeel bevat ofwel in vorm van FAD ofwel in vorm FMN
3.1.3 Fase 4: overdracht van elektronen aan zuurstof -deel van energie: winst van 4 ATPs - andere deel energie: in NADH en FADH2 --> daarvan 12 moleculen beschikbaar - 2 uit glycose - 2 uit vormig acetyl-Coa - 8 uit citroenzuurcyclus -zuurstof neemt uiteindelijk waterstof over van NAD (en FAD) --> O2 + 2 NADH + 2H+ --> 2H2O + 2 NAD+ -NADH geeft waterstof niet rechtstreeks aan zuurstof --> elektronen rollen langs ademhalingsketen van elektronentransporteurs --> H+ ionen blijven vrij in medium --> Aan einde keten: elektronen en waterstofionen reageren met zuurstof= vorming water -terwijl elektronen langs ademhalingsketen rollen komt energie stapsgewijs vrij --> energie benut voor vorming ATP --> proces= oxidatieve fosforylatie
als 8 NADH elektronen direct worden overgedragen aan keten: 3 nieuwe ATP-moleculen
opgebouwd = 8 x 3= 24 nieuwe ATP-moleculen
MAAR 2 FADH2-molecuele leveren slechts 2x2= 4 ATP-moleculen op (starten na eerste
fosforylatie-post)
Bij glycolyse: 2NADH ook slechts 2x2= 4 ATP-moleculen
==> aerobe dissimilatie van 1 molecule lever 32 ATP-moleculen op
Fase 1: glycolyse
Fase 2: aerobe dissimilatie na glycolyse -decarboxylatiereactie: uit pyruvaat acetyl-CoA gevormd: dient als toegang voor krebs
cyclus
Fase 3: Elektronentransportsysteem
3.2 De energievoorziening in het algemeen -aanwezigheid van zuurstof: glucose volledig afgebroken= koolstofdioxide + water - 36 37 nieuwe ATP-moleculen gevormd --> vrije energie opgeslagen in glucose 38%
omgezet in ATP -Afwezigheid zuurstof: slechts 2 van 36 ATP-moleculen gevormd (6%) --> anaerobe dissimilatie levert minder op dan aerobe
MAAR voordeel anaeroob: spieren verslinden zoveel energie dat er nooit genoeg zuurstof
aangevoerd kan worden: glycolyse draait dan anaeroob door onder vorming van melkzuur --> later aeroob afgebroken en met snellere diepere ademhaling zuustofschuld terugbetaald
4.De energievoorziening van vetten en eiwitten -cellen kunnen ook energie onttrekken aan vetten en eiwitten -afbraak vetten: -hydrolytische splitsing glycerol en vetzuren - glycerol omgezet in PGAL - van vetzuren C2 afgekoppeld - omgezet in acetyl-CoA - beginnen aan citroenzuurcyclus -vetten bezitten meer waterstof dan koolhydraten --> oxidatie van vetten levert meer energie
op -eiwitten na hydrolyse: leveren aminozuren op -aminogroep afkoppelen - ammoniak afvoeren - omzetting soms in pyruvaat, soms in acetyl-CoA -eiwitten leveren ongeveer evenveel energie op als koolhydraten
==> 3 belangrijke voedingsbestanddelen: koolhydraten, vetten, eiwitten: - belanden in krebs-cyclus via tussenproducten
- tussenproducten ook tussenschakel voor onderlinge omzettingen - bv. Koolhydraten omzetten in vetten
5.De mitochondrin als energiecentrale -organel omgeven met buitenmembraan en geplooide binnenmembraan van cristea rondom
matrix - matrix bevat meeste enzymen voor citroenzuur-cyclus - andere enzymen ingebouwd in cristea -in binnenmembraan: clusters van moleculen: vormen functionele eenheden -cellen hebben sterkere energiebehoeften dan mitochondrin . De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag