Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Onderdelen bloed
Bloed bestaat uit 3 lagen:
1. Plasma 55%
2. Buffycoat <1%
3. Erytrocyten 44%
De eigenschappen van bloed zijn:
Voor iemand rond de 70 kg heeft diegene 5 Liter bloed in zijn lichaam
De Ph waarde is tussen de 7,35 en 7,45
Hoge viscositeit (stroperigheid)
--> wordt bepaald door het aantal cellen en eiwitten
Functies bloed
Transportmiddel
Vervoeren van voedingsstoffen, afvalstoffen, zuurstof en koolstofdioxide (van en naar
weefsels toe)
--> de voedingsstoffen worden opgenomen in het spijsverteringskanaal, afvalstoffen worden
opgevangen en afgegeven aan de lever en nieren voor eliminatie van de afvalstoffen.
--> zuurstof en koolstofdioxide worden uitgewisseld en naar de weefsels vervoerd.
Vervoeren van essentile stoffen: hormonen, processen van het lichaam in gang zetten.
Betrokken bij het immuunsysteem
In het bloed worden leukocyten, antistoffen en complement getransporteerd
--> zijn betrokken bij immuunreacties om infecties te bestrijden
Hemostase (bloedstolling)
Waterbalans en osmolariteit reguleren
Hoe doet bloed dat? --> door vocht af te geven aan nieren of extra vocht op te nemen uit de
darmen.
Thermoregulatie
Gemiddelde temperatuur van 38 C
--> door in de huid (buitenzijde lichaam) te zorgen voor vasodilatatie kun je makkelijk het
warme bloed extra naar de huid toe brengen en via de huid warmte verliezen.
--> door vasoconstrictie, het samentrekken van vaatjes in de huid, kunnen we juist warmte
vasthouden.
Ph reguleren
--> goede Ph is belangrijk om verschillende processen in het lichaam op gang te brengen. Ph
wordt in balans gehouden door zuren en ionen.
Wat is de samenstelling van bloedplasma en welke functies heeft
bloedplasma? + wat is de functie van erytrocyten, hemoglobine en
trombocyten?
Samenstelling van bloedplasma
Plasma 55% van het bloed
Lijkt veel op interstitile ruimte
92% 7% 1%
Water Eiwitten Andere opgeloste stoffen
Functies:
Transportmiddel
Waterbalans en osmolariteit reguleren
Thermoregulatie
Ph reguleren
Buffycoat <1% van het bloed
Bestaat uit trombocyten (bloedplaatjes) en leukocyten (witte bloedcellen)
Leukocyten
Betrokken bij immuunreacties in het lichaam:
Granulocyten
Neutrofielen
Basofielen (--> mastcellen)
Eosinofielen
Agranulocyten
Monocyten (--> macrofagen)
Lymfocyten
T-lymfocyten
B-lymfocyten (--> plasmacellen)
Natural killer cellen
Trombocyten
Betrokken bij stollingsproces
Bestaan uit celfragmenten van zijn voorlopercel --> megakaryocyt
Functies:
Afgeven van stollingsfactoren
Afgeven serotonine en tromoxaan --> vasoconstrictie
Vormen en opruimen van een bloedprop
Afgeven groeifactoren voor weefselherstel
Erytrocyten 44% van het bloed
Rode bloedcellen
Bioncaaf van vorm, is belangrijk, want het zorgt ervoor dat het oppervlak groter is en
zuurstof zich eraan kan binden. Ook zijn de rode bloedcellen heel flexibel door deze vorm,
waardoor ze door de kleinste haarvaten kunnen stromen.
Bioncave vorm
95% hiervan is hemoglobine
--> transport zuurstof --> oxyhemoglobine
--> transport koolstofdioxide
Synthese (maak) van vitamine B12, foliumzuur, ijzer
Uit welke drie processen bestaat de stolling?
Bloedstolling = hemostase
--> voorkomt dat we doodbloeden
3 fases van hemostase
1. Vasoconstrictie
2. Activatie van trombocyten (vormen bloedprop)
3. Coagulatie --> verstevigen bloedprop
Vasoconstrictie
Op het moment dat er een gat in een bloedvat ontstaat zien we dat dat bloedvat gaat
samentrekken.
Bij beschadiging van het bloedvat zijn er 2 soorten cellen betrokken:
Endotheel, binnenste cellaag van bloedvat
Trombocyten, bloedplaatjes
Door de vasoconstrictie wordt ervoor gezorgd dat de bloedtoevoer richting het gat wordt
afgenomen.
Activatie van trombocyten
Bij het ontstaan van een gat in een bloedvat zien we dat de collagene laag vrij komt te liggen.
Hierbij binden de trombocyten zich aan het vrijgekomen collageen
--> door deze verbinding worden de trombocyten geactiveerd, ze klonteren samen en
veranderen zo van vorm (aggregatie)
--> bij activatie trekken trombocyten naar elkaar toe (sluiting)
--> afgifte tromboxaan, ADP en serotonine
Coagulatie
Proces waarbij fibrinogeen wordt omgezet in fibrine
--> deze fibrinedraden wikkelen zich om de trombocyten heen, waardoor de bloedprop wordt
verstevigd.
Wat zijn de risicofactoren, symptomen, diagnostiek en behandeling voor
het ontstaan van diep veneuze trombose?
Bloedstolsel in een bloedvat is trombose. Zowel in arterin als in venen is het mogelijk dat
trombose ontstaat. Wanneer het in een vene ontstaat wordt het veneuze trombose genoemd.
Aderen in arm of been bevinden zich:
Onder de huid; oppervlakkige venen
Onder de spieren; dieper gelegen venen
Tussen huid en spieren; verbindende venen
Een bloedstolsel in een diep gelegen vene of verbindende vene = diep veneuze trombose
Risicofactoren
Immobilisatie, kan ontstaan door zwangerschap/kraambed, operatie, gips, lange
vliegreis. (langere periode van weinig beweging van de arm of been)
Roken
Overgewicht
Komt voor in familie
Bepaalde medicijnen, bijv. Anticonceptiepil
Zwangerschap, hormonale veranderingen
Erfelijke aandoening waardoor de kans op stolling in bloed wordt vergroot
Een oncologische aandoening
Bij diep veneuze trombose geldt het dat hoe meer risicofactoren aanwezig zijn bij een
zorgvrager, hoe groter de kans is dat de zorgvrager dit zal ontwikkelen. Trombose wordt
echter ook gezien bij zorgvrager zonder risicofactoren.
Symptomen
Pijn in aangedane been of arm
Zwelling en/of een strakgespannen huid in aangedane been of arm
Verhoogde temperatuur in aangedane been of arm
Vermoeidheid in aangedane been of arm
Verkleuring van de huid (rood-paars) in aangedane been of arm.
Posttrombotisch syndroom
Posttrombotisch syndroom = een complicatie van diep veneuze trombose die mogelijk jaren
na het ontstaan van de aandoening optreedt.
Het bloedstols beschadigt de klepjes in de aderen --> zorgt ervoor dat het bloed richting het
hart stroomt en niet de verkeerde richting op.
Door schade kan het zijn dat de klepjes niet meer goed sluiten en dan stroomt het bloed terug
naar de voeten, de druk in de capillairen neemt toe. --> kans bestaat dat het veneuze bloed
niet meer goed afgevoerd wordt. (chronisch aderfalen // veneuze insufficientie)
Symptomen die hierbij passen zijn:
Oedeem
Jeuk
Pijn
Toegenomen pigmentatie (bruingele verkleuring)
Ulceraties (huidzweren bij ernstig stadium)
Diagnostiek
Om de diagnose van diep veneuze trombose te stellen, worden verschillende onderzoeken
gedaan. Diagnose wordt vastgesteld aan de hand van een anamnese, lichamelijk onderzoek en
duplexonderzoek.
Anamnese en lichamelijk onderzoek zijn gericht op:
- Symptomen van diep veneuze trombose
- Risicofactoren voor diep veneuze trombose
- Koorts, omdat bij koorts mogelijk sprake is van een andere aandoening (bij,
wondroos)
Bij lichamelijk onderzoek wordt onderzoek gedaan naar:
- Beide armen of benen, om verschillen te ontdekken
- De huid, gecontroleerd op verkleuring of oedeem
- Pijn, dit wordt vastgesteld door te drukken
- Zwelling, dit wordt onder andere vastgesteld door de omvang van beide kuiten te
meten en te vergelijken
Duplexonderzoek
Diagnose diep veneuze trombose dient te worden bevestigd met een duplexonderzoek van het
aangedane been of arm.
--> vorm van echografie waarmee bloedvaten in beeld worden gebracht, dit gebeurt dan bij
de dieper gelegen venen.
Als er dan een bloedstolsel in een dieper gelegen of verbindende vene wordt gevonden,
bevestigt dit de diagnose van diep veneuze trombose.
Behandeling
Er zijn verschillende behandelopties:
Antistollingsmiddelen
Compressietherapie (zwachtelen)
Elastische kousen
Het advies om te bewegen
Antistollingsmiddelen
Dienen te worden gegeven ter voorkoming van:
- Een toename van bloedstolsel
- De vorming van nieuw bloedstolsel
- Het optreden van complicaties (bijv. Longembolie)
Type antistollingsmiddelen zijn:
- Laagmoleculairgewichttherapie (LMWH)
wordt n keer per dag genjecteerd in de huid, behandeling is 5 dagen
- Direct werkende orale anticoagulatie (DOAC)
hebben rechtstreeks invloed op een van de stollingseiwitten
- Coumarinederivaat
blokkeren het enzym vitamine K, dit is nodig voor de productie van verschillende
stoffen die stolling bevorderen zogenaamde stollingsfactoren. De behandeling hiervan
duurt 3 maanden en er is een hoger risico op bloedingen.
Compressietherapie
Bestaat uit het zwachtelen van het aangedane ledemaat, het verband blijft dag en nacht zitten.
Om de afvoer van vocht gedurende de behandeling te bevorderen, dient het verband twee
keer per week te worden verwisseld. Behandeling kan worden gestopt als het vocht in de
ledematen is afgenomen
Elastische kousen
Vorm van compressie. Deze kousen worden op maat gemaakt en zijn dunner dan het verband
dat wordt gebruikt bij zwachtelen. --> 1 tot 2 jaar overdag dragen.
Advies om te bewegen
Bedrust, lang staan en lang zitten worden afgeraden, --> de terugstroom wordt negatief
benvloed door inactiviteit.
Hoe ontstaat diep veneuze trombose en wat zijn de gevolgen?
Ontstaan
Het bloedstolsel die diep veneuze trombose sluit een diep gelegen bloedvat voor een gedeelte
af. De dieper gelegen aderen verzorgen een groot deel van de afvoer van zuurstofarm bloed
van de benen of armen richting het hart. De afsluiting van het bloedvat heeft als gevolg dat de
afvoer van zuurstofarm bloed verstoord wordt. Dit zorgt voor diep veneuze trombose in een
been of arm.
Gevolg
Bij een trombosebeen bestaat de kans op een longembolie --> een deel van het vastgelopen
bloedstolsel in een dieper gelegen ader van het been komt hierbij los en wordt meegevoerd in
de bloedstroom.
De embolus (losgekomen bloedstolsel) loopt vast in een longslagader en sluit deze
(gedeeltelijk) af. De afsluiting van de longslagader maakt dat een deel van de longen van
minder zuurstof wordt voorzien.
Hierbij is het mogelijk dat de zorgvrager last krijgt van pijn op de borst, pijn vastzittend aan
de ademhaling, hoesten en hemopto (bloed ophoesten)
Een longembolie treedt op bij 40% tot 505 van de zorgvragers met diep veneuze trombose in
een been. Omgekeerd wordt bij 70% van de zorgvragers met een longembolie diep veneuze
trombose gevonden.. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag