Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Samenvatting sportwetenschappen
1 Cytologie
- Cytologie= celleer
- Cellen vormen de bouwstenen van alle levende organismen
- Specialisering = cel diferentiatie
- Cel bestaat uit 3 grote delen
o Nucleus of celkern
o Celmembraan
o Cytoplasma, met verschillende celorganellen
- Celkern:
o Omgeven door membraam= kern-enveloppe
o Bevat genetisch materiaal van de cel (DNA)
o Eiwitten worden aangemaakt in de celkern
- DNA-streng:
o Dubbele helix
o 46 chromosomen = 23 chromosomenparen
o 44 autosomen
o 2 geslachtschromosomen
o Syndroom van down chromosoom 23 heeft 3 chromosomen I.P.V 2
- Celmembraan:
o Membraam die de cel omheeft
o Opgebouwd uit dubbele fosfolipidelaag (lipide met fosfaatgroep aan) en eiwitten
- Cytoplasma:
o Volledige inhoud van d cel zonder celkern
o Bestaat uit cytosol en celorganellen
o Begrensd door celmembraan
- Cytosol = intercellulaire vloeistof, die alle celorganlellen bevat
- Celorganellen
o De organen van een cel
Cytoskelet
Golgi-apparaat
Ribosomen
Mitochondrium
Endoplasmatisch riticulum
- Cytoskelet
o Zorgt voor stevigheid, vorm en bewegelijkheid
o Is een netwerk van vezels en buisjes die constant afgebroken en aangemaakt worden (actinefilamenten en microtubili)
- Mitochondrium
o Belangrijkste energieleverancier van de cel
o Produceert ATP (adenine trifosfaat
o Cruciaal voor functioneren en overleven van cellen en organismen
- Endoplasmatisch reticulum
o Glad endoplasmatisch reticulum
Bevat geen ribosomen
Afbraak drugs en toxische stoffen zoals acohol
Zorgt voor aanmaak stoffen zoals lipiden, steroiden,
o Ruw endoplasmatisch reticulum
Ribosomen aan de buitenkant
Helpen bij vormen van protenen en eiwitten door middel van Mrna ( aanmaak eiwitten voornammelijk via ribosomen)
- Golgi-apparaat
o Opgebouwd uit parallelle cisternen
o Gaan eiwitten en stoffen ven ER gaan verpakken en blaasjes vormen die daarna verstuurd worden naar gewenste locatie
o Wordt sorteer en transporteer organel genoemd
2 histologie
- = weefselleer
- Meerdere cellen samen die eenzelfde functie beoefenen zijn een weefsel (spiercellen vormen spierweefsel)
Meerdere weefsels samen zijn een orgaanspierweefsel in borst wordt pectoralis)
Meerdere organen die samenwerken aan grotere functie zijn een orgaanstelsel(borst en tussenribspieren vormen ademhaling stelsel)
Meerdere orgaanstelsels samen zijn een organisme (ademhaling stelsel, bewegingsstelsel, hart en vaatstelsel, vormen de mens)
- Soorten weefsels:
o Epitheel weefsel
Bedekt lichaamsoppervlak en lichaamsholtes
o Bind- en steunweefsel
Steunende, verzorgende en beschermende functie
Vb kraakbeen, botweefsel, bloed
o Spierweefsel
Zorgen ervoor dat beweging mogelijk gemaakt wordt
Vb pectorlasis, biceps, deltoideus,
o Zenuwweefsel
Geleiden van elektrische impulsen, vormen communicatienet in het lichaam
Ruggenmerg, perifere znuwen,..
- Soorten organen
o Huid
o Spieren
o Hart en bloedvaten
o Lever
o Longen
o
- Soorten orgaanstelsels
o Zintuigstelsel,
o Zenuwstelsel,
Communicatienet van het lichaam, bestaat uit centrale- (hersenen en ruggenmerg) en perifere zenuwstelsel (zenuwvezels in rest van het lichaam)
In perifeer zenuwstelsel heb je somatisch (bewuste aansturing, bv hand opheffen) en autonoom zenuwstelsel (onbewuste aansturing van het lichaam, bv: ademen, knipperen)
o Hormoonstelsel
Netwerk van klieren die hormonen produceren en afgeven
o Luchtwegstelsel
Zorgt voor gaswisseling
o Maag- darmstelsel
Verwerking van voedsel
o Urineweg stelsel
Afsxheiding van vocht uit het lichaam
o Voortplantingsstelsel
Samenwerking in functie van voortplanting
o Bewegingsapparaat,
Skeler en spieren
o Hart- en vaatstelsel
Zorgt voor circulatie van bloed in het lichaam waardoor verschillende stoffen in het lichaam vervoerd kunnen worden
o Lymfestelsel
Afvoering overtollig vocht in weefsels + na zuivering terug in bloedbaan
3 het skelet
3.1 plaats, richting, vlakken en assen
3.2 classificatie van beenderen
- Lange beenderen:
o Humerus, femur, ulna, radius, tibia,fibula,
- Platte beenderen:
o Scapula, cranium, coxae,
- Onregelmatige beenderen,
o Vertebrae, metacarpalen,
3.3 bouw va het bot
3.4 beenderen van de romp
3.4.1 cranium (schedel)
- os frontale
- os parietalia
- os temporale
- os occipitale
3.4.2 de wervelkolom
- kyfose = kromming in wervelkolom naar achter toe, lordose kromming naar voor toe
- 33 wervels of vertebrae (7 cervicale, 12 thoracale, 5 lumbale en 5 sacrale)
- De wervel of vertebrae
o Corpus
o Arcus vertebrae
o Proccesus spinosus
o Processi transversi
o Foramen vertebrale
o Specifieke verschillen afhankelijk van plaats en functie
o 2 speciale wervels, axis en atlas, 2 bovenste wervels atlas = C1, axis = C2
o Schokdemper tussen wervels = tussenwervelschijf
o Annulus fibrosis= buitenrand tussenwervelschijf
o Nucleus pulposus = binnenrand tussenwervelschijf
3.4.3 de thorax
- Bestaat uit sternum, costae en vertebrae thoracales (thoracale wervels)
- Zorgt voor bescherming organen van ademhaling en bloedsomloop
- Sternum bestaat uit 3 delen:
o Handvat (manubrium)
o Lichaam (corpus)
o Uitsteeksel (processus xiphoideus)
- De ribben of costae
o Caput costae
o Collum costae
o Tuberculum costae
o Corpus costae
o Angulus costae
3.5 beenderen bovenste lidmaat
- Arm en schoudergordel
3.5.1 de schoudergordel
- Bestaat uit clavicula (sleutelbeen), scapula(schouderblad), humerus(bovenarm)
- clavicula:
o s-vomig
o Verbindt sternum met scapula
- scapula:
o Plat en driehoekig
o Aangrijpingspunt voor spieren
- Humerus (bovenarm)
o Caput humeri
o Tuberculum major en minor
o Sulcus intertubercularis
o Epicondylus lateralis en medialis
o Capitulum humeri
o Trochlea humeri
- Onderarm en hand (ulna radius en manus)
- Ulna:
o Olecranon
o Procesus coronoideus
o Incisura trochlearis en radialis
o Processus styloideus
- Radius:
o Caput radii
o Collum radii
o Circumferentia articularis
o Processus styloideus radii
- Hand of manus
A. Os scafoideum
B. Os lunatum
C. Os triquetrum
D. Os pisiforme
E. Os trapezium
F. Os trapezoideum
G. Os capitatum
H. Os hamatum
- 5 middenhandsbeentjes
o Os metacarpii 1-5
- Aansluitend phalanges (vingerkootjes)
- Digiti = vingers
3.6 beenderen onderste lidmaat
3.6.1 de bekkengordel
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is onbeperkt.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag