Maak een oefenexamen van de volgende tekst: DEEL 1 VLAAMS ONDERWIJSSYSTEEM
In dit onderdeel krijg je zicht op de structuur van ons Vlaams onderwijssysteem.
We kijken naar het huidige onderwijslandschap en hoe dat is ontstaan. We
verkennen het didactisch model dat als kader dient om creatieve spelactiviteiten
te ontwerpen voor kleuters.
1 DE VLAAMSE ONDERWIJSSTRUCTUUR
Vlaanderen telt drie onderwijsniveaus: het basisonderwijs (kleuter- en lager
onderwijs), het secundair onderwijs en het hoger onderwijs. In wat volgt wordt
de structuur van deze onderwijsniveaus toegelicht met speciale aandacht voor
het basisonderwijs.
Op de volgende pagina zie je een schematische weergave van de volledige
structuur van het gewoon Vlaams onderwijs, zoals afgebeeld op Onderwijskiezer
(2024). Als je doorklikt naar de website krijg je meer informatie over de
gebruikte afkortingen. De structuur zoals hier afgebeeld geeft de huidige situatie
weer (schooljaar 2023-2024).
Ter info: Het Vlaamse secundair onderwijs zit momenteel in een
modernisering (vernieuwing). De structuur zal daardoor de komende jaren
nog lichtjes wijzigen. Zo zal op termijn ook in het zevende jaar gesproken
worden over doorstroom-, dubbele of arbeidsmarktgerichte finaliteit.
Naast het gewone onderwijs bestaat er ook nog buitengewoon onderwijs voor
kinderen en adolescenten waarbij de ontwikkeling anders verloopt dan
gemiddeld. Hier gaan we in deel 7 dieper op in.
In wat volgt hebben we het dus enkel over het reguliere of gewone onderwijs.
1
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
Noot. Herdrukt van Gewoon onderwijs in Vlaanderen, door Onderwijskiezer (2024).
Geraadpleegd van Onderwijskiezer
2
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
Het basisonderwijs omvat het kleuteronderwijs n het lager onderwijs. In een
autonome kleuterschool wordt enkel kleuteronderwijs gegeven. In een autonome
lagere school wordt enkel lager onderwijs gegeven. We spreken van een
basisschool wanneer een school zowel kleuter- als lager onderwijs aanbiedt.
Hoewel kleuter- en lager onderwijs structureel gezien los van elkaar staan, tracht
men tussen beide een vloeiende overgang te realiseren. Daarom moeten nieuw
opgerichte scholen voor gewoon onderwijs zowel kleuter- als lager onderwijs
inrichten. Je kan dus vandaag de dag geen autonome kleuterschool of autonome
lagere school meer oprichten.
In het kleuteronderwijs (2,5 - 6 jaar) kunnen kinderen tussen 2,5 en 3 jaar
slechts op zeven momenten tijdens het schooljaar hun onderwijscarrire starten.
De zogenaamde instapdata:
De 1ste schooldag na elke schoolvakantie: na de zomer-, herfst-, kerst-,
krokus- en paasvakantie;
De 1ste schooldag van februari;
De 1ste schooldag na Hemelvaartsdag.
Wordt de peuter 2,5 jaar op een instapdatum? Dan mag de kleuter al vanaf die
dag naar school. Voor kinderen van 3 jaar gelden de instapdata niet. Zij kunnen
op elke schooldag starten in de kleuterschool (Departement Onderwijs en
Vorming, 2024).
Een school kan er voor kiezen om een aparte instapklas in te richten voor
kleuters tussen 2,5 en 3 jaar. Een school beschikt ook over een aantal uren
kinderverzorging die ingezet kunnen worden bij deze doelgroep (zindelijkheid).
Doorgaans heb je drie kleuterklassen op basis van leeftijd in een kleuterschool,
al dan niet aangevuld met een instapklas (peuterklas). Er zijn ook scholen die
bewust kiezen om leeftijden te mengen. Dat noemen we ook wel leefgroepen,
graadklassen, multileeftijdsklassen. Het verschil tussen die termen leer je
volgend jaar in kleuterdidactiek 2.
3
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
Het lager onderwijs is bedoeld voor kinderen van 6 tot 12 jaar en omvat
meestal zes aaneensluitende leerjaren. Toch kan het zijn dat een kind nog een
jaartje langer in het kleuteronderwijs blijft omdat het nog niet rijp is voor het
lager onderwijs. Dat noemen we doorkleuteren. Een kind kan minimaal vier en
maximaal acht jaar in het gewoon lager onderwijs doorbrengen. In uitzonderlijke
gevallen kan de overheid een afwijking op de minimumduur toestaan. Ook in het
lager onderwijs kiezen sommige scholen er voor om leeftijden te mengen in
graadklassen. Zo volgen het eerste en tweede leerjaar samen les, derde en
vierde samen, vijfde en zesde samen. In sommige scholen gaat men nog een
stap verder, met het concept multileeftijdsklassen, waar nog meer geboortejaren
samen zitten.
Leerplicht
Kleuteronderwijs is niet verplicht voor kleuters tussen 2,5 en 4 jaar. Deze jonge
kleuters hoeven dus niet elke (volledige) dag naar school. Toch is het voor
kleuters heel belangrijk dat ze zoveel mogelijk kunnen deelnemen aan de
activiteiten op school. Voor kleuters (tot 4 jaar) die afwezig zijn is strikt
genomen geen doktersbriefje of verantwoording nodig.
Onze 5-jarige kleuters zijn wel leerplichtig. Een kind is immers leerplichtig vanaf
het kalenderjaar waarin het 5 jaar wordt. De leerplicht loopt tot 18 jaar.
Aanwezigheden worden strikt opgevolgd. Een afwezigheid kan gewettigd worden
door een doktersbriefje.
Ter info: In het schooljaar 2024-2025 zijn alle kinderen en jongeren
geboren vanaf 1 januari 2007 tot en met 31 december 2019 leerplichtig.
Voor de 5-jarige kinderen is er leerplicht van 290 halve lesdagen. Zo zullen alle
kinderen zeker een jaar kleuteronderwijs volgen en zijn ze goed voorbereid op
het lager onderwijs. Een gemiddeld schooljaar telt tussen de 320 en 330 halve
lesdagen. Dat betekent dus dat een ouder ervoor kan kiezen om een 5-jarig kind
een aantal halve dagen niet naar school te laten gaan. Een kind dat een jaar
4
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
langer naar de kleuterschool gaat, en dus ouder is, is voltijds leerplichtig en
moet alle dagen naar school (behalve bij gewettigde afwezigheid).
6-jarigen mogen pas starten in het lager onderwijs als ze het schooljaar
ervoor voldoende aanwezig waren (290 halve dagen) in een Nederlandstalige
kleuterschool. Als je kind niet voldoende aanwezig was in de kleuterklas, zal
de klassenraad moeten beslissen of de kleuter mag instappen in de lagere
school. (Vlaamse overheid, 2024)
In Belgi is er leerplicht, geen schoolplicht. Dat betekent dat kinderen
moeten leren, maar dat ze daarvoor niet noodzakelijk naar school
moeten gaan. Zo is bijvoorbeeld ook huisonderwijs mogelijk.
Aan het einde van het basisonderwijs kunnen leerlingen een getuigschrift
basisonderwijs krijgen als ze de doelen (eindtermen) in voldoende mate hebben
aangetoond. Dit geldt als toegangsticket voor het secundair onderwijs (a
stroom).
Ook na het beindigen van het secundair onderwijs wordt een getuigschrift
uitgereikt voor wie de doelen behaald heeft. Voor beide getuigschriften
(diplomas) zijn er alternatieven voor wie de doelen niet bereikt zijn. Zo kan een
leerling zonder getuigschrift basisonderwijs starten in het eerste leerjaar B van
het secundair onderwijs.
2 EEN KORTE DUIK IN DE BELGISCHE GESCHIEDENIS
We hebben allemaal al heel wat ervaring in het onderwijs (+- 15jaar), maar om
de onderwijswereld echt te kunnen begrijpen nemen we een korte duik in de
geschiedenis: een geschiedenis met heel wat conflicten die de huidige context
van ons Vlaams onderwijslandschap hebben bepaald.
In de 19de en 20ste eeuw vonden er in Vlaanderen een reeks conflicten tussen de
katholieken en de liberalen plaats over de controle en financiering van het
5
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
onderwijs. De strijd was een uiting van de bredere ideologische tegenstelling
tussen de katholieke en liberale stromingen in Belgi, waarbij de vraag centraal
stond of het onderwijs al dan niet door de kerk moest worden beheerd.
Deze conflicten staan bekend onder de naam schoolstrijd 1 en 2. Ze hebben een
grote impact gehad en dat merk je vandaag nog altijd in ons Vlaamse
onderwijslandschap.
We gaan terug naar de oprichting van Belgi in 1830. In de grondwet van ons
kersverse land stond niet geschreven dat de staat verantwoordelijk is om
onderwijs te organiseren. Het onderwijs werd dan ook grotendeels door de Kerk
georganiseerd.
De eerste schoolstrijd vond plaats tussen 1878 en 1884. In deze periode
introduceerde de liberale regering een wet (Van Humbeeck), die tot doel had het
onderwijs te seculariseren. Dit betekende onder meer dat de staat meer officile
scholen zou oprichten en de invloed van de kerk in het onderwijs zou
verminderen. De katholieke gemeenschap reageerde hier fel op, richtte eigen
scholen op en verzamelde steun voor het behoud van het katholiek onderwijs. Ze
voerden een strijd om de ziel van het kind. De verkiezingen van 1884 leidden tot
een overwinning van de katholieken, die vervolgens een wet (Pernaut) invoerden
die de katholieke invloed herstelde door subsidies toe te kennen aan katholieke
scholen.
De tweede schoolstrijd, die plaatsvond van 1950 tot 1959, was opnieuw een
conflict tussen de katholieke en liberale/socialistische partijen. Na de Tweede
Wereldoorlog probeerde de liberale en socialistische regering het onderwijs
opnieuw te seculariseren door subsidies vooral naar officieel, door de staat
georganiseerd onderwijs te sturen. Dit stuitte op sterk verzet van de katholieke
gemeenschap, die massaal protesteerde tegen deze maatregelen.
Uiteindelijk leidde de verkiezingen van 1958 tot een overwinning van de
katholieke partij, waarna het Schoolpact van 1958 werd ondertekend. Dit pact
vormde een compromis tussen de belangen van katholieke en officile scholen,
6
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
waarbij financile gelijkheid werd gegarandeerd en beide onderwijssystemen een
zekere mate van autonomie kregen.
Het Schoolpact van 1958 wordt nog steeds beschouwd als een belangrijke
mijlpaal in het Belgische onderwijsbeleid.
Onderwijs werd een Vlaamse bevoegdheid vanaf de staatshervorming van 1988
1989. Tijdens deze vierde staatshervorming werden verschillende bevoegdheden,
waaronder het onderwijs, overgedragen van het federale niveau naar de
gemeenschappen: Vlaamse, Duitstalige en Franse Gemeenschap. We hebben in
ons land dan ook 3 ministers van onderwijs sinds 1989. Dit gaf Vlaanderen de
ruimte om een eigen onderwijssysteem te ontwikkelen, aangepast aan de
specifieke noden en culturele kenmerken van de regio. In wat volgt spreken we
enkel nog over het Vlaamse onderwijssysteem.
Wil je graag meer details weten over de schoolstrijden? De podcast,
Geschiedenis van (Belgi) alles maakte er interessante podcastafleveringen
over. De eerste kan je alvast zo vinden:
Gistelinck, T. (2020, 29 september). A - Z schoolstrijd i (aflevering 34). In
Geschiedenis van. Geraadpleegd op 6 juni 2024, van
https://www.geschiedenisvan.be/podcast/2020-09-29-a-z-schoolstrijd-i/
3 VLAAMS ONDERWIJSSYSTEEM ANNO 21STE EEUW
Tot vandaag wordt ons onderwijs nog steeds
bepaald door de contouren van het Schoolpact.
Zo vind je in veel Vlaamse gemeenten twee
basisscholen op een boogscheut van elkaar : een
katholieke school n een gemeenteschool of een
school van het gemeenschapsonderwijs (GO!). Op
de kaart hiernaast zie je een GO!-school n een
katholieke school op 500m wandelafstand van
elkaar.
7
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
3.1 Indeling in onderwijsnetten
Fundamenteel erkent het Schoolpact het bestaan van de twee soorten
onderwijs op basis van hun inrichtende macht (verantwoordelijke) en
waarborgt het de bestaanszekerheid van deze netten door het toekennen van
dotaties of subsidies.
1. het officieel onderwijs waarbij de overheid de inrichtende macht is. In
1958 was datde staat, deprovincie of de gemeente en men sprak van
hetrijksonderwijs(sinds 1989 het gemeenschapsonderwijs),
hetprovinciaalen hetgemeentelijk onderwijs. In dit onderwijsnet kunnen
ouders kiezen welke levensbeschouwelijke lessen (zedenleer of
islamitische, isralitische, rooms-katholieke, godsdienst) hun kind zal
volgen.
2. het vrij onderwijs, waarbij een vrije particulier (een privaat persoon of
een groep private personen of een comit) de inrichtende macht is. De
vrije scholen behoren grotendeels tot het katholieke onderwijs, maar er
bestaan ook andere scholen binnen dit net zoals protestantse scholen,
methodescholen (Steiner- en Freinetscholen) en vrijzinnige scholen.
Op basis van de subsidiring kan je het Vlaamse onderwijs opdelen in drie
onderwijsnetten. Het officieel onderwijs valt namelijk nog verder uiteen in:
gefinancierd onderwijs (Vlaamse Gemeenschap) en gesubsidieerd onderwijs
(provinciaal en gemeentelijk onderwijs).
Weetje: Sinds 2007 wordt een deel vande financiering (de werkingstoelagen) van deVlaamsescholen losgekoppeld van
dezenetten. Scholen krijgen nu subsidies op grond van de leerlingkenmerken van hun populatie.
8
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
3.2 Onderwijskoepels
Binnen elk onderwijsnet zijn er n of meer onderwijskoepels. Deze koepels
ondersteunen en vertegenwoordigen de bij hen aangesloten schoolbesturen
(Vlaanderen, 2019). Hieronder worden de grootste koepels in Vlaanderen
opgelijst. De lijst is dus niet allesomvattend.
Deze drie onderwijskoepels behoren samen tot het officile onderwijs en worden
dus ingericht door de overheid of in opdracht ervan (provincies, steden en gemeenten).
1. Het Gemeenschapsonderwijs (GO!) zijn scholen die ingericht worden
door de Vlaamse Gemeenschap; de vroegere staatsscholen.
2. Provinciaal Onderwijs Vlaanderen (POV) verenigt provinciale scholen.
3. Onderwijs voor Vlaamse steden en gemeenten (OVSG) ondersteunt
het onderwijsproject van de Vlaamse steden en gemeenten.
Ook binnen het vrij (gesubsidieerd) onderwijs zijn er onderwijskoepels die
aangesloten schoolbesturen vertegenwoordigen. Het vrij onderwijs bestaat
hoofdzakelijk uit confessionele scholen, die aan een godsdienst zijn gebonden.
Daarnaast zijn er vrije niet-confessionele scholen.
4. Katholiek Onderwijs Vlaanderen (KOV) verenigt Katholieke scholen en
is de grootste onderwijskoepel.
5. Federatie van Onafhankelijke Pluralistische Emancipatorische
Methodescholen (FOPEM) verenigt methodescholen1: Freinetscholen,
ervaringsgerichte scholen en buurtscholen.
6. Federatie Steinerscholen verenigt scholen die de Steinerpedagogie
toepassen, de zogenaamde Steinerscholen.
7. Raad van Inrichtende Machten van het Protestants-Christelijk
Onderwijs (IPCO) verenigt het Protestants-Christelijk onderwijs.
8. Vlaams Onderwijs OverlegPlatform (VOOP) verenigt scholen die een
innoverend, actueel en zingevend onderwijs willen aanreiken (vrijzinnig
humanisme).
1 We stellen de laatste jaren een opmars van methodescholen vast. Ook officile scholen bieden intussen methode-onderwijs aan.
9
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
Sommige scholen van het vrij onderwijs zijn niet aangesloten bij een koepel. Er
is ook een klein aantal scholen in Vlaanderen niet erkend door de Vlaamse
overheid (zogenaamde privscholen). Zij behoren tot geen enkel onderwijsnet of
koepel. Ze krijgen geen subsidies van de Vlaamse Gemeenschap.
Elke koepel werkt een visie uit en vertaalt de onderwijsdoelen van de overheid
naar meer uitgewerkte leerplandoelen (zie Onderwijsdoelstellingen ). De
aangesloten scholen worden verwacht met die leerplandoelen aan de slag te
gaan in de scholen. Hierover kom je meer te weten in deel 2.
Een school vormt een eigen schoolvisie in een zogenaamd pedagogisch project
en schoolreglement. Dat pedagogisch project moet passen binnen de visie van
de koepel waarbij de school is aangesloten. Een school uit eenzelfde
onderwijsnet of koepel is dus niet identiek. Elke school legt zijn eigen accenten.
3.3 Scholengemeenschappen
Vele Vlaamse scholen bundelen hun krachten in scholengemeenschappenof
scholengroepen.Bij een scholengemeenschap gaat het telkens om een
verzameling van scholen van hetzelfde onderwijsniveau (basis- of
secundair onderwijs) dievrijwilligsamenwerken op diverse vlakken, zoals
logistiek of studieaanbod. Scholengemeenschappen leiden tot een bestuurlijke
schaalvergroting in het basisonderwijs. Deze structuurhervorming draagt bij tot
een efficinter beheer van middelen en het verhogen van de draagkracht van de
afzonderlijke scholen. Zo leggen sommige scholen bijvoorbeeld hun ICT
middelen samen om een ICT-cordinator te kunnen aanstellen voor de
verschillende scholen.
De scholen kunnen zowel dezelfde als verschillende schoolbesturen hebben.
Doorgaans vallen die scholen binnen hetzelfde onderwijsnet, maar vandaag de
dag zien we ook net-overschrijdende initiatieven. Zo is scholengemeenschap
SCHOT een netoverschrijdende samenwerking tussen 4 Oud
Turnhoutsebasisscholen.
10
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
3.4 Kwaliteitsbewaking
In ruil voor de subsidiring die scholen (officieel n vrij) ontvangen, worden alle
scholen aan een overheidscontrole onderworpen (door inspectie). Voor alle
onderwijsnetten gelden dezelfde minimumnormen voor de schoolbevolking,
hetzelfde minimumprogramma van onderwijsdoelen (ODET, zie hieronder) en
dezelfde diplomavereisten voor het personeel.
Noot: Privscholen krijgen geen subsidies van de Vlaamse Gemeenschap
en hoeven daarom de onderwijsdoelen niet te volgen. Ten gevolge
daarvan kunnen ze geen officieel erkende getuigschriften, diplomas of
andere bekwaamheidsbewijzen uitreiken. Deze privscholen vragen hoge
inschrijvingsgelden omwille van het ontbreken van subsidies.
Of scholende verwachte onderwijskwaliteit leveren, wordt ook gecontroleerd
door de onderwijsinspectie via een doorlichting. Via deze doorlichting
adviseertzede Vlaamse minister van onderwijs over de erkenning van de scholen
in Vlaanderen.Die erkenning is immers een voorwaarde tot financiering
(voorGO!-scholen) of subsidiring (voor overige scholen). Een doorlichting
gebeurt op schoolniveau, niet op niveau van individuele leerlingen of leraren.De
commissie heeftwelhet recht te vragen naar het aanwezigheidsregister n de
agenda van deleerkracht. De inspectie zet in op controle, maar wil ook scholen
stimuleren en ondersteunen bij de kwaliteitsbewaking. De verslagen vande
doorlichting zijn publiekte raadplegen:
https://www.vlaanderen.be/doorlichtingsverslag-van-een-school-centrum-academie
Om de kwaliteit vanhet onderwijs in een schoolmee temonitorenen
ondersteunen, kunnen scholen de hulp inschakelen van de pedagogische
begeleidingsdienst.Elke onderwijskoepel beschikt over een eigen pedagogische
begeleidingsdienst (PBD) met een team van pedagogisch begeleiders. De
pedagogische begeleiding biedt ondersteuning aan scholen alsook aan de centra
voor leerlingenbegeleiding (CLBs). Alle PBDs werken zowel aanbod- als
vraaggestuurd (Onderwijs Vlaanderen, 2018).
11
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
4 DIDATISCH MODEL
Als kleuteronderwijzer organiseren en begeleiden we diverse activiteiten in de
kleuterklas. We scheppen een krachtige leeromgeving waarin we kinderen in
ontwikkeling willen brengen. We doen dit echter niet al improviserend. Op
voorhand denken we grondig na over wat we juist willen doen en zeggen,
waarom en hoe we dat zullen aanpakken. Dit denkproces gieten we in een
lesvoorbereiding, zodat we steeds een schriftelijke neerslag hebben van de
bedoeling achter de activiteit en ons plan van aanpak. Deze neerslag biedt
immers de kans om tijdens en na de uitvoering af te toetsen of alles verliep zoals
gepland of gewenst om in de toekomst een steeds betere afstemming te
bewerkstelligen.
In dit deel van de cursus vertrekken we vanuit een breed theoretisch kader: het
didactisch model. In de volgende cursusdelen zoomen we telkens in op bepaalde
onderdelen van dit model en maken we de vertaalslag naar jullie
voorbereidingsdocumenten voor stagerealisaties.
Het zou aan het einde van periode 1 duidelijk moeten zijn dat de keuzefiche die we hanteren in de opleiding
gebaseerd is op het didactisch model. Na periode 2 zie je ook de link met het lesvoorbereidingsformulier.
Tracht dus zelf te ontdekken hoe deze vertaling langzaamaan zichtbaar wordt.
Belangrijk om aanvullend te vermelden is dat het model dat in deze cursus
beschreven wordt een algemeen didactisch model is. Het leidt dus tot algemene
didactische principes die best worden toegepast tijdens het onderwijzen. De
algemene principes zijn hier en daar wel al specifiek vertaald op niveau van
kleuteronderwijs, maar zelden gaat het om vakdidactische zaken. De
vakdidactiek richt zich meer op hoe een specifiek vak onderwezen moet worden.
Voor vakdidactische principes raadpleeg je daarom de cursussen van de
vakdomeinen (wiskundige initiatie, godsdienst, taal, beweging, wereldorintatie,
muzische vorming, media (vanaf 2 ebako)). Zo leer je bijvoorbeeld in de lessen
Wereldorintatie enkele vakdidactische tips over een zintuigelijke waarneming.
Wanneer je aan een voorbereiding werkt, maak je dus in de eerste plaats gebruik van de algemene didactische
principes die in deze cursus worden meegegeven, maar hou je eveneens rekening met de vakdidactische
principes die tijdens de lessen van de vakdomeinen worden meegegeven.
12
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
Waarover gaat het didactisch model?
Een begrip dat regelmatig aan bod komt doorheen deze cursus is didactiek.
Didactiek is de wetenschapsdiscipline die zich buigt over de vraag hoe kennis,
vaardigheden en attitudes onderwezen en geleerd kunnen worden. In het
didactisch model komen bijgevolg alle aspecten van het onderwijzen en hun
onderlinge relaties aan bod. Het model dat gehanteerd wordt, is een uitbreiding
van het didactisch model dat Van Gelder in 1971 ontworpen heeft. Doorheen de
tijd werd het didactisch model door diverse onderwijskundigen aangepast om
tegemoet te komen aan de steeds veranderende wereld waarin onderwijs
plaatsvindt en om nieuwe wetenschappelijke invalshoeken te integreren.
Het didactisch model waarmee wij aan de slag zullen gaan bevat diverse
didactische componenten die in volgende cursusdelen verder worden toegelicht
en geconcretiseerd.
Het gaat om: - het maatschappij- en persoonlijkheidsbeeld - de onderwijsdoelstellingen - de beginsituatie - de onderwijsleersituatie met als deelcomponenten: leerprocessen,
groeperingsvorm, leerinhoud, didactische werkvormen en leermiddelen - de onderwijsleerpraktijk - de evaluatie met als deelcomponenten proces- en productevaluatie
Het model toont daarnaast ook 3 grote fasen:
1) voorbereidingsfase: het plannen van het lesgeven VOORAF
2) uitvoeringsfase: TIJDENS het lesgeven
3) evaluatiefase: NA het lesgeven evalueren en bijsturen
De schematische weergave maakt duidelijk welke componenten onder welke fase
vallen en welke elementen dus van invloed zijn in elke fase. De pijlen geven de
onderlinge samenhang tussen bepaalde componenten duidelijk weer.
13
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
14
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
5 ONDERWIJSDOELSTELLINGEN
Zoals we eerder al leerden worden scholen (in ruil voor erkenning en subsidies) verwacht
hetzelfde minimumprogramma van onderwijsdoelen na te streven bij hun
leerlingen. Via deze onderwijsdoelen bewaakt de Vlaamse overheid dat het
erkende onderwijs kwaliteitsvol is voor lk kind. Kwaliteitsvol onderwijs is dan
ook van het grootste belang voor de ontwikkeling van kinderen. Scholen zijn dus
verplicht een inspanning te leveren om deze minimumdoelen na te streven.
De onderwijsdoelen van de Vlaamse overheid heten ontwikkelingsdoelen
(OD) voor kleuteronderwijs (en buitengewoon onderwijs) en eindtermen (ET)
voor lager en secundair onderwijs. De huidige ontwikkelingsdoelen en
eindtermen vind je terug op volgende website: https://onderwijsdoelen.be/.
Het Decreet Basisonderwijs definieert beide begrippen.
"Ontwikkelingsdoelen zijn de minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht,
vaardigheden en attitudes die de school bij haar leerlingen moet nastreven".
Eindtermen zijn de minimumdoelen die de overheid noodzakelijk en bereikbaar
acht voor een bepaalde leerlingengroep.
Het verschil zit hem dus in de termen nastreven versus noodzakelijk en
bereikbaar. Daar waar van het kleuteronderwijs verwacht wordt dat ze kunnen
aantonen dat ze de minimumdoelen nastreven, wordt er van het lager onderwijs
verwacht dat ze de minimumdoelen bij hun leerlingen bereiken. Dat betekent
concreet dat leerkrachten van het eerste leerjaar bij sommige leerlingen zal
verder werken aan het realiseren van ontwikkelingsdoelen n bij andere
leerlingen al kan inzetten op het realiseren van de eindtermen. Op het einde van
de lagere school krijgen leerlingen die de eindtermen voldoende hebben
aangetoond een getuigschrift basisonderwijs. Zij stromen dan door naar de a
stroom in het secundair onderwijs (zie ook De Vlaamse Onderwijsstructuur)
In het recente onderwijsdebat wordt wel eens aangehaald dat het Vlaams
onderwijs de ontwikkelingsdoelen en eindtermen te veel als enige doelen
is gaan nastreven, waardoor het kwaliteitsniveau is gaan dalen. Of dat zo
is, is niet bewezen, maar het is wel de reden waarom onderwijsminister
15
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
Ben Weyts de term minimumdoelen heeft gentroduceerd, ter vervanging
van de term eindtermen.
Binnen de kwaliteitseisen die de overheid vooropstelt in de vorm van
ontwikkelingsdoelen en eindtermen is er een vrijheid om deze onderwijsdoelen te
concretiseren of te vertalen (aansluitend bij het pedagogisch project van de
school) en zelfs om ze uit te breiden of aan te vullen (aangezien het slechts
minimumdoelen betreft). Deze aangepaste, geconcretiseerde en aangevulde lijst
van doelen wordt opgenomen in een leerplan. De schoolbesturen hebben de
bevoegdheid leerplannen op te stellen. In de praktijk dragen zij hun mandaat om
leerplannen op te stellen echter over aan de leerplanmakers van de
koepelorganisatie. Zij stellen leerplannen op vanuit een gemeenschappelijk
pedagogisch concept, zodat scholen die verbonden zijn aan de koepel hiervan
gebruik kunnen maken.
Leerplannen zijn instrumenten om op een systematische wijze de
ontwikkelingsdoelen en/of eindtermen met kinderen te bereiken. In een leerplan
zijn die doelen ook op een herkenbare wijze opgenomen, anders zou de overheid
het leerplan niet goedgekeurd hebben. Je kan deze koppeling terugvinden in de
concordantielijst (of concordanties), horende bij de verschillende leerplannen.
Leerplannen geven scholen houvast bij het uitwerken van leerlijnen, jaarplannen
en lessen. Daarnaast worden leerplannen gebruikt om de ontwikkeling van
leerlingen op te volgen. Uitgeverijen gebruiken leerplannen om didactische
materialen uit te werken (De Ruysscher & De Sadeleer, 2015).
De leerplannen zijn (onder voorbehoud) digitaal te raadplegen op de websites
van de respectievelijke onderwijskoepels/onderwijsverstrekkers. Je kan de
leerplannen van GO!, OVSG, Steineronderwijs en Katholiek Onderwijs Vlaanderen
eveneens terugvinden op Canvas onder de cursus EBAKLO Leerplannen en
digitale materialen bij methodes.
16
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
6 MAATSCHAPPIJ EN PERSOONLIJKHEIDSBEELD
Het didactisch model gaat van de maatschappelijke dienstbaarheid van het
onderwijs. Onderwijs dient erop gericht te zijn het individuele kind zo goed
mogelijk voor te bereiden op zijn functioneren in de maatschappij waar hij (qua
tijd en ruimte) in opgroeit. Zo is het vandaag de dag belangrijk dat leerlingen
digitaal geletterd worden. Technologie is immers niet meer weg te denken uit
ons dagdagelijks bestaan. Dit wijst op maatschappijgericht onderwijs
(Standaert, Troch, Peeters & Stroobants, 2012).
Maatschappelijk zijn er ook heel wat verschillende religies en
levensbeschouwingen. Scholen spelen hier ook op in door zich daarin te
profileren. Hoewel de keuze er is, staan de katholieke waarden in onze Vlaamse
maatschappij nog steeds vrij centraal (zon 60% van de basisschoolkinderen in
Vlaanderen gaat naar een katholieke school). Ook in onze lerarenopleiding gaan
we uit van een christelijk genspireerd mens- en wereldbeeld, we zijn immers
een katholieke hogeschool.
Naast zijn maatschappelijke dienstbaarheid heeft onderwijs ook de pedagogische
functie te streven naar ontplooiing van de individuele persoonlijkheid van de
mens. Elk kind moet via onderwijs zijn mogelijkheden ontdekken en ontplooien.
Dit sluit aan bij persoonsgericht onderwijs (Standaert et al., 2012).
Binnen onze maatschappij heerst vrijheid van onderwijs waardoor ouders vrij
kunnen kiezen voor een school die aansluit bij hun visie op goed onderwijs voor
hun kind (dankzij het Schoolpact). De ene school zet sterk in op
natuuronderwijs, de andere op doordacht omgaan met ICT,
De concrete onderwijscontext is genuanceerder en bevindt zich tussen beide opvattingen in (Standaert et al.,
2012). Dit herken je ook in de ontwikkelingsdoelen (en eindtermen) waarin zowel maatschappijgerichte als
persoonsgerichte zaken een plaats krijgen.
17
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
De onderwijsdoelstellingen worden benvloed door het heersende maatschappij-
en persoonlijkheidsbeeld. Dat geeft de pijl in het didactisch model ook visueel
weer.
Zo vindt (voormalig?) onderwijsminister Ben Weyts dat de onderwijskwaliteit is
gedaald. Dit leidde tot het oprichten van een commissie om de
ontwikkelingsdoelen en eindtermen voor het Vlaamse basisonderwijs aan te
passen (najaar 2023). Hierin verwacht de onderwijsminister een centrale focus
op Nederlands en wiskunde en wil hij zelfs eindtermen voor Nederlands in het
kleuteronderwijs. . De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag