Maak een oefenexamen van de volgende tekst: DEEL 2 VAN BEGINSITUATIE NAAR ONDERWIJSDOELEN
1 ONDERWIJSDOELSTELLINGEN
Onderwijs wordt gegeven met het oog op het verwezenlijken van bepaalde
doelstellingen. Deze onderwijsdoelstellingen worden benvloed door het heersende
maatschappij- en persoonlijkheidsbeeld. De kleuteronderwijzer moet weten en
formuleren welke aspecten van de ontwikkeling hij wil bevorderen (= leerplandoelen
noteren). De kleuteronderwijzer vraagt zich af wat hij met die bepaalde activiteit
nastreeft: Wat moeten de kleuters achteraf kunnen?
Algemeen kunnen we stellen dat doelen aangeven wat we met het onderwijsleerproces
willen bereiken. Waar willen we naartoe met onze kleuters? Als we geen doelen
formuleren, zijn we zomaar wat aan het doen en hebben we geen idee van de impact van
ons handelen, of dit wel goed en zinvol is. Doelen moeten ook gevalueerd worden! Op
het einde van je activiteit kijk je of je doelen bereikt zijn. Je reflecteert over je handelen.
Welke doelen zijn niet bereikt? Hoe komt dit? Wat kan ik aanpassen zodat ze volgende
keer wel bereikt worden (cfr. reflectiecyclus)? Dit komt nog uitgebreider aan bod in deel
6: Evalueren van spelactiviteiten.
Zoals je geleerd hebt in les 1, stelt het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming
eindtermen en ontwikkelingsdoelen op. Het vervolgens concretiseren van deze doelen in
een leerplan is een bevoegdheid van de inrichtende macht van een school, maar in de
praktijk worden de leerplannen meestal opgemaakt door de leerplanmakers van de
onderwijskoepel van de inrichtende machten. De leerplannen worden dan ter
goedkeuring voorgelegd aan de onderwijsinspectie. Voor zover er reeds eindtermen en
ontwikkelingsdoelen voor het niveau in kwestie zijn opgesteld, gaat de inspectie na of de
leerplannen daaraan beantwoorden. De bij de koepels aangesloten scholen nemen
gewoonlijk de goedgekeurde leerplannen over. Zo gaan katholieke scholen dus
bijvoorbeeld aan de slag met de leerplannen die worden opgesteld door het Katholiek
Onderwijs Vlaanderen. Leerplannen geven scholen houvast bij het uitwerken van
leerlijnen, jaarplannen en lessen. Daarnaast worden leerplannen gebruikt om de
ontwikkeling van leerlingen op te volgen. Uitgeverijen gebruiken leerplannen om
didactische materialen uit te werken (De Ruysscher & De Sadeleer, 2015).
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
Het didactisch model vereist dus van de leerkracht dat hij tijdens het plannen van zijn
onderwijsactiviteit doelen gaat selecteren en formuleren. Voor het selecteren van doelen
kan de leerkracht beroep doen op de leerplandoelen. Aangezien deze vaak omschreven
zijn als overkoepelend over verschillende leermomenten heen, zal de leerkracht deze in
bepaalde gevallen specifieker moeten gaan formuleren (bijvoorbeeld door het
leerplandoel te verkorten of door gebruik te maken van de omschrijving van een
ontwikkelstap) of afhankelijk van de ervaringskans die hij wil aanbieden - verder
concretiseren.
1.1 Doelstellingen vanuit Katholiek Onderwijs Vlaanderen (2016a)
De in Vlaanderen sterkst vertegenwoordigde onderwijskoepel is het Katholiek Onderwijs
Vlaanderen. Op dit moment gebruikt men binnen deze koepel het leerplanconcept Zin in
leren! Zin in leven! (ZiLL!). Op stage (in katholieke scholen) gaan jullie hier meteen mee
aan de slag. Je vindt het leerplanconcept op https://zill.katholiekonderwijs.vlaanderen/.
1.1.1 Het ordeningskader van ZILL!
Het opvoedingsconcept van Katholiek Onderwijs Vlaanderen zet zowel uniciteit als
verbondenheid centraal. Dat elke leerling uniek is, maakt dat we in het onderwijs aan de
slag gaan met individuele aanleg en ervaringen. We streven een harmonische ontplooiing
van de totale persoon na. Toch staat die persoon ook in verbinding met anderen en (bij
gelovige leerlingen) met God. De facetten van de persoonsgebonden ontwikkeling komen
samen in de kern (binnencirkel) van het ordeningskader van het vernieuwd
leerplanconcept. In de buitencirkel wordt er plaats gemaakt voor cultuurgebonden
ontwikkeling. Elke leerling staat immers ook in verbinding met de werkelijkheid, de
wereld en de samenleving.
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
De kern en de buitencirkel verhouden zich dynamisch ten opzichte van elkaar. Wanneer
de buitencirkel rond de kern draait, merk je dat elk facet van de persoonsgebonden
ontwikkeling gecombineerd kan worden met elk facet van de cultuurgebonden
ontwikkeling. Dit verwijst naar de harmonische ontwikkeling.
De persoonsgebonden en de cultuurgebonden ontwikkeling worden respectievelijk
uitgesplitst in vier en zes ontwikkelvelden (1). Elk ontwikkelveld wordt opgedeeld in
een aantal ontwikkelthemas (2), die op hun beurt geconcretiseerd worden in
generieke doelen (3). Deze doelen zijn generiek omdat ze gelden voor alle leerlingen
van de basisschool. Dit geldt ook voor de ik-zinnen die bij elk ontwikkelveld en elk
ontwikkelthema staan. Deze zinnen drukken uit waar we met een bepaald veld of thema
naartoe willen; wat een leerling over zichzelf zou moeten kunnen zeggen.
Dat de ik-zinnen en de doelstellingen generiek zijn, is een belangrijke keuze binnen
ZILL!. Dit betekent dat deze leeruitkomsten telkens bij alle kinderen (van alle leeftijden)
nagestreefd worden. Op welke manier en hoe snel een kind ontwikkelt naar een
leeruitkomst toe is uiteraard afhankelijk van zijn of haar individuele leerbehoefte.
Bij een beperkt aantal generieke doelen (3) worden bijkomend leerinhouden
opgenomen. Zo staat er bij het generieke doel WDrv4 Handig hoofdrekenen de volgende
inhoud: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen met natuurlijke getallen, breuken
en kommagetallen.
Bij de meeste generieke doelen is er tevens een leerlijn (4) ontwikkeld. Hierin krijg je
zicht op de belangrijke ontwikkelstappen die verbonden worden met referentieperiodes
op basis van de leeftijd van leerlingen. Doorgaans zijn deze referentieperiodes redelijk
ruim genomen (bv. 5 tot 8 jaar), wat duidelijk maakt dat de ontwikkeling als een continu
proces wordt beschouwd met individuele en leergebiedgebonden versnellingen en
vertragingen.
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
De referentieperiodes zijn bedoeld als houvast om de ontwikkeling van leerlingen te
situeren. Er wordt uitgegaan van een normale ontwikkeling van kinderen, voor zover die
bestaat. Ze zijn in de eerste plaats een indicatie. Een aantal van de leerlingen zal
namelijk sneller, trager of grilliger evolueren en zich daardoor onderscheiden van het
beeld dat de leerlijn schetst. Leraren dienen daar rekening mee te houden, bijvoorbeeld
bij het bepalen van de zone van naaste ontwikkeling. Afgaand op hun ontwikkeling zullen
bepaalde leerlingen hoger en anderen lager ingeschaald moeten worden dan hun leeftijd
doet vermoeden. Dat maatwerk ligt in handen van de leraren. Vanuit een
ontwikkelingsgerichte visie wordt er in ZiLL! expliciet voor breed gedefinieerde
referentieperiodes gekozen die uitnodigen om geduldig te zijn bij de begeleiding van
leerlingen. De leeftijdsintervallen van de referentieperiodes liggen bovendien niet vast,
maar kunnen verschillen van leerlijn tot leerlijn.
Cyclisch: De referentieperiodes lopen altijd tot 12 jaar.
Geschakeld: De referentieperiodes haken op elkaar in.
Gemengd: Mix van cyclisch en geschakeld.
Katholiek Onderwijs Vlaanderen voegde aan de referentieperiodes ook nog de
ontwikkelstappen toe die vr de leeftijd van 2,5 jaar worden doorlopen om maximaal te kunnen
inspelen op de ontwikkelnoden van peuters en jonge kleuters. Deze extra ontwikkelstappen zitten
verborgen achter het symbool met de drie streepjes. De stappen worden zichtbaar door op het symbool te
klikken.
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
1.1.2 De inhoud van ZiLL!
In dit deel staan we stil bij de invulling van de verschillende ontwikkelvelden uit de
persoonsgebonden en cultuurgebonden ontwikkeling. Een overzicht van het volledige
ordeningskader van ZiLL! met inhouden kan je raadplegen via
https://zill.katholiekonderwijs.vlaanderen/#leerinhoud. Tip: kies voor de weergave als
lijst om meteen een overzicht te krijgen van ontwikkelvelden n hun ontwikkelthemas.
1.1.2.1 De persoonsgebonden ontwikkeling (binnencirkel)
Bij de persoonsgebonden ontwikkeling vormen de fysieke, psychische, sociale en
spirituele basisbehoeften van de mens het uitgangspunt. Vanuit kennis, vaardigheden,
inzicht en attitudes met betrekking tot deze basisbehoeften ontwikkelen leerlingen zin in
leren en zin in leven.
De persoonsgebonden ontwikkeling bestaat uit de volgende ontwikkelvelden:
ontwikkeling van een innerlijk kompas (IK)
socio-emotionele ontwikkeling (SE)
ontwikkeling van initiatief en verantwoordelijkheid (IV)
motorische en zintuiglijke ontwikkeling (MZ)
Per ontwikkelveld alle ontwikkelthemas behandelen zou ons te ver leiden. We bespreken
wel kort de invulling van de verschillende ontwikkelvelden.
Met de ontwikkeling van een innerlijk kompas wordt verwezen naar het ontwikkelen
van persoonlijke waarden, doelen en interesses die richting en betekenis geven aan het
leven van een persoon. Het gaat over keuzes maken in je identiteitsontwikkeling. De ik
zin bij dit ontwikkelveld is In dialoog met de a/Andere(n) leer ik mezelf en waartoe ik
word uitgenodigd kennen. Ik kan richting geven aan mijn leven. Ik reageer veerkrachtig.
Bij de socio-emotionele ontwikkeling wordt verwezen naar de verbondenheid van
leerlingen met zichzelf (ik), de andere (jij) en de anderen (wij). De ik-zin bij dit
ontwikkelveld is Ik kan op een warme en communicatieve wijze in relatie treden met
mezelf en met anderen.
De ontwikkeling van initiatief en verantwoordelijkheid zorgt ervoor dat de
leerlingen vrij en (toch) verantwoord kunnen handelen, denken en voelen. We richten
ons op het maken van persoonlijke keuzes en tegelijkertijd ook op het verantwoordelijk
samenleven met anderen. De ik-zin bij dit ontwikkelveld is Ik neem verantwoordelijkheid
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
op voor mezelf en voor anderen. Ik neem initiatief en kan vrij en zelfstandig
functioneren. Ik ontwikkel kritische zin, kan dingen onderzoeken en ben creatief.
Het ontwikkelveld m.b.t. de motorische en zintuiglijke ontwikkeling richt zich op het
uitbouwen van bewegingsmogelijkheden en zintuiglijke vaardigheden. Het vertrekt vanuit
de verbondenheid tussen lichaam en geest. De ik-zin bij dit ontwikkelveld is Ik beschik
over voldoende (psycho)motorische en zintuiglijke basisvaardigheden om zelfredzaam te
functioneren.
1.1.2.2 De cultuurgebonden ontwikkeling (buitencirkel)
Om te kunnen deelnemen aan de huidige samenleving en de samenleving van de
toekomst stimuleren we de cultuurgebonden ontwikkeling. Leerlingen verwerven kennis,
inzicht, vaardigheden en attitudes in functie van cultureel (zelf)bewustzijn.
De cultuurgebonden ontwikkeling bestaat uit de volgende ontwikkelvelden:
Ontwikkeling van orintatie op de wereld (OW)
Mediakundige ontwikkeling (ME)
Muzische ontwikkeling (MU)
Taalontwikkeling (TO)
Ontwikkeling van wiskundig denken (WD)
Rooms-katholieke godsdienst (RK)
Ook hier zou het behandelen van alle ontwikkelthemas per ontwikkelveld ons te ver
leiden. We bespreken wel kort de invulling van de verschillende ontwikkelvelden.
Bij de ontwikkeling van orintatie op de wereld wordt er vanuit zes invalshoeken
naar de wereld gekeken: samenleving, natuur, bewegingscultuur, tijd, ruimte en
techniek. Het vat krijgen op de wereld gebeurt via doen en ervaren, via exploreren en
experimenteren. De ik-zin bij dit ontwikkelveld is Ik ben nieuwsgierig naar de wereld
waarin ik leef. Ik exploreer mijn omgeving en verwerf inzicht in de wereld in al zijn
dimensies.
Met mediakundige ontwikkeling willen we dat leerlingen media (zinvol en creatief)
kunnen inzetten om te leren en te communiceren. We maken ze wegwijs en vaardig in de
gedigitaliseerde mediaomgeving. De ik-zin bij dit ontwikkelveld is Ik ga op een
enthousiaste, zelfredzame en kritische manier om met media en mediacontent.
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
In de muzische ontwikkeling laten we leerlingen kennismaken met de muzische en
kunstzinnige werkelijkheid. Hierbij staan ervaren, beleven en genieten centraal. Er is in
het leerplan ook ruimte gemaakt om leerlingen te ondersteunen in het communiceren
over muzische ervaringen. De vier muzische domeinen beeld, muziek, drama en dans
komen gentegreerd aan bod in de verschillende ontwikkelthemas. De ik-zin bij dit
ontwikkelveld is Ik geniet van kunst en expressie en kan me creatief en kunstzinnig
uitdrukken.
Zowel Nederlands, Frans als vreemde talen krijgen een plaats binnen het ontwikkelveld
taalontwikkeling. Leerlingen worden gestimuleerd om het nut van taal in te zien en
zich met plezier in te zetten om betere taalgebruikers te worden. Uiteraard komen zowel
de schriftelijke als de mondelinge taalvaardigheid aan bod. De ik-zin bij dit ontwikkelveld
is Ik verken talen en talige diversiteit om me heen. Ik zet mijn talige vaardigheden
steeds efficinter in om betekenisvolle situaties met taal aan te pakken.
Het ontwikkelen van basisvaardigheden om wiskundige problemen op te lossen, staat
centraal in het ontwikkelveld ontwikkeling van wiskundig denken. Leerlingen leren
wiskundige informatie interpreteren. Ze leren erover te redeneren en met elkaar in
discussie te gaan. De ik-zin bij dit ontwikkelveld is Ik bedenk hoe ik mijn wiskundige
bagage kan gebruiken om een probleem aan te pakken. Ik doe dit met vertrouwen en
plezier.
Bij Rooms-katholieke godsdienst staat de identiteitsontwikkeling centraal. Leerlingen
komen tot reflectie en communicatie over ervaringen die aanzetten tot het stellen van
zinvragen. De christelijke godsdienst wordt grondig verkend, maar ook andere
levensbeschouwingen komen aan bod. De ik-zin bij dit ontwikkelveld is Ik sta open voor
een diepere dimensie in het leven. Ik maak kennis met en ga in dialoog met de
katholieke geloofstraditie. Ik groei op levensbeschouwelijk, religieus en/of godsdienstig
vlak.
2.1.3 De krachtige leeromgeving vanuit ZiLL!-perspectief
In een krachtige leeromgeving brengen we kinderen in ontwikkeling. ZiLL! beschouwt het
uitbouwen van een onderwijsarrangement als een manier om te werken aan een
krachtige leeromgeving. Het is hierbij belangrijk om eerst een duidelijke focus te bepalen
(Katholiek Onderwijs Vlaanderen, 2018).
Het schema voor een krachtige leeromgeving vanuit ZiLL! zie je hieronder. Je zal in de
cursus Kleuterdidactiek 1 zien dat er heel wat gelijkenissen zijn met het didactisch model
dat wij in onze opleiding hanteren.
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
2.1.3.1 Focus bepalen
Leraren die ZiLL-ig werken gaan uit van een focus waarop ze hun aanbod en aanpak
afstemmen. Die focus is het resultaat van een beslissingsproces waarbij drie vragen
centraal staan (Katholiek Onderwijs Vlaanderen, 2018):
1. Wie zijn de leerlingen? Wat zijn hun opvoedings- en
onderwijsbehoeften?
2. Wat biedt en vraagt de context?
3. In welke mate realiseren we het leerplan? Op welke manier
inspireert het leerplan om ervaringen te verbreden en te
verdiepen?
De leerling, de context n het leerplanconcept vormen dus de drie speerpunten van
waaruit we een focus bepalen. Als het antwoord op de drie kernvragen is gegeven kan je
als leraar starten met het ontwerpen van het efficintste onderwijsarrangement (zie ook
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
2.1.3.2 Onderwijsarrangementen). Daarbij benut je niet enkel dat wat al bij de kinderen
ontwikkeld is, maar ga je voortdurend op zoek naar ontluikende groei (Katholiek
Onderwijs Vlaanderen, 2018).
2.1.3.2 Onderwijsarrangementen
Wanneer binnen ZiLL gesproken wordt over een onderwijsarrangement, doelt men op de
wijze waarop de vooropgestelde ontwikkeling en doelen worden nagestreefd. Het gaat
met andere woorden over het pedagogisch en didactisch aanbod in de vorm van lessen,
leeractiviteiten, geboden ervaringskansen, organisatie van leerlingengroepen,
belangstellingscentra, projecten, leeruitstappen, . Op deze manier willen de
leerplanmakers duidelijk maken dat onderwijs ontwerpen en uitvoeren meer is dan
lessen maken of geven, maar ook dat alles wat we op school doen doelgericht gebeurt
vanuit een focus en dat de term onderwijsarrangement zowel op kind-, klas- als
schoolniveau gebruikt kan worden (Katholiek Onderwijs Vlaanderen, 2018).
1.2 Doelstellingen vanuit de Onderwijsvereniging van Steden en
Gemeenten (OVSG)
Ook de Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten (OVSG) geeft eigen leerplannen
uit. Zeer recent op 1 september 2023 lanceerde OVSG zijn nieuwe leerplan: Leer
Lokaal. De werking hiervan gaat van start in september 2025. Een groot deel van de
stedelijke en gemeentelijke scholen verdiept zich dit schooljaar (2024-2025) stapsgewijs
in het nieuwe leerplanconcept.
Het Leer Lokaal werkt met 9 leergebieden die je hieronder in het overzicht kan zien.
De doelen in Leer Lokaal lees je per leergebied van onder naar boven. Onderaan vind je
eenvoudige doelen en hoe hoger je in de leerlijn klimt, hoe complexer de doelen worden.
De leerlijn beschrijft stapsgewijs hoe je groeit. Leer Lokaal geeft aan in welke
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
leeftijdsperiode je nieuwe doelen aanbiedt vanuit een regulier ontwikkelingsperspectief.
Als kinderen in een ander tempo evolueren, biedt de leerlijn los van de
leeftijdsindicaties ondersteuning bij de opbouw van het curriculum voor deze
leerlingen. Leer Lokaal wordt gebruikt bij het samenstellen van een schooleigen
curriculum en een curriculum op maat voor een leerling met een IAC-verslag in gewoon
of buitengewoon onderwijs. (OVSG, 2024)
Om al eens kennis te maken met het Leer Lokaal van OVSG kan je een kijkje nemen in
beide leerplannen via Canvas, onder de Canvascursus EBAKLO Leerplannen en digitale
materialen bij methodes. Onder de module OVSG vind je de nodige toegangscodes.
1.3 Doelstellingen vanuit Gemeenschapsonderwijs (GO!)
In het Gemeenschapsonderwijs (GO!) wordt er gewerkt met leerplannen die je vindt op
de website van het GO!
Het GO! wil de kleuteronderwijzer(es) ontwikkelingslijnen aanreiken voor elk van de
volgende gebieden: media, lichamelijke opvoeding, muzische vorming, Nederlands,
wereldorintatie, wiskunde/wiskundige initiatie en dit, binnen elk leergebied, voor de
verschillende domeinen die we erin kunnen onderscheiden. Het spreekt echter voor zich
dat onze activiteiten in de kleuterklas gentegreerd verlopen (in horizontale samenhang).
Gerichter binnen een ontwikkelingslijn werken (bijvoorbeeld voor taal aan luisteren), sluit
uiteraard niet uit dat we simultaan andere gebieden en domeinen aan bod kunnen laten
komen (binnen taal bijvoorbeeld spreken en taalbeschouwing of buiten het leergebied
taal bijvoorbeeld wereldorintatie). In het huidige leerplan zijn niet de activiteiten, maar
wel de vaardigheden de structurerende eenheden. Door meer gerichtheid op de
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
doelstellingen en het bereikte niveau van het kind, m.a.w. op de plaats van het
individuele kind in een bepaalde ontwikkelingslijn, zal de kwaliteit van ons onderwijs
beslist aan waarde winnen.
Om al eens kennis te maken met de doelen die gehanteerd worden in het GO! kan je een
kijkje nemen op: http://www.g-o.be/sites/portaal_nieuw/Prikbordvoorleerkrachten/
Basisonderwijs/leerplannen/Pages/default.aspx
2 BEGINSITUATIE
Een belangrijke taak van de leerkracht volgens het didactisch model tijdens de fase van
het plannen is het vaststellen van het vertrekpunt of de beginsituatie. Dit houdt in dat
men nagaat over welke kennis, vaardigheden, attitudes en ervaringen de lerenden (in
ons geval kleuters) reeds beschikken bij de start van het onderwijsleerproces. Het kan
daarbij gaan om zeer uiteenlopende aspecten van de beginsituatie: het
ontwikkelingsniveau, de voorkennis, motivatie tot leren, sociale talenten,
persoonlijkheidseigenschappen, emotionele situatie, handvaardigheid, muzische
vaardigheden, etc. Kinderen zijn immers geen onbeschreven blad wanneer ze in jouw
klas binnenwandelen. Ze nemen actief deel aan de samenleving en zijn getuige van wat
er in de wereld rondom hen gebeurt (Katholiek Onderwijs Vlaanderen, 2016b).
Uiteraard richt de leerkracht zijn aandacht op die aspecten van de beginsituatie die voor
het onderwijzen relevant zijn: zaken die leerlingen moeten weten om goed te kunnen
volgen, zaken waarop je in het onderwijsleerproces wil voortbouwen, etc. Leren is
immers een cumulatief proces. Het vertrekt van en bouwt steeds voort op de reeds
aanwezige kennis, vaardigheden, attitudes en ervaringen. Je onderwijsleeractiviteit moet
daarom altijd aanknopen bij datgene wat reeds gekend is.
Zo kan onderstaande beginsituatie relevant zijn wanneer je een fijn motorische
activiteit voorziet waarbij de kleuters zullen meehelpen aan het maken van de versiering voor
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
het schoolfeest. Er moeten namelijk stroken en mozaeken gescheurd worden om een groot vlak
te vullen.
Voorbeeld beginsituatie: De kleuters kunnen reeds dunne papiersoorten vrij scheuren vanuit de
vuist waarbij de handen zich van elkaar verwijderen.
Om het leerproces van de kinderen in gang te houden, zal de activiteit dus moeten
voortbouwen op de reeds verworven scheurervaring van de kinderen. Met andere
woorden, het zal moeten voortbouwen op de scheurtechniek vanuit de vuisten aangezien
die reeds verworven is (ter info: het scheuren via de duim en wijsvinger van elke hand
bouwt hierop voort).
Het vaststellen van de beginsituatie is belangrijk omdat dit het uitgangspunt is van de
activiteit die volgt. De kleuteronderwijzer probeert de kleuters een stapje verder te
brengen in hun ontwikkeling, vertrekkend vanuit de mogelijkheden die de kinderen reeds
bezitten. Als kleuteronderwijzer dien je onvoorwaardelijk te geloven in de mogelijkheden
van de kinderen in je klas om zich te ontwikkelen. Durf enerzijds hoge verwachtingen
vooropstellen! Anderzijds moeten deze doelen realistisch en haalbaar zijn, op maat en
binnen de mogelijkheden van elk kind (Katholiek Onderwijs Vlaanderen, 2016b). Denk
hierbij aan de zone van naaste ontwikkeling (zie o.a. Ontwikkelingspsychologie)!
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
Er wordt hier gesproken over een beginsituatie in enkelvoud, maar uiteraard moeten we
ons ervan bewust zijn dat niet alle kinderen in eenzelfde (klas)groep dezelfde beginsituatie hebben. In dat
geval zal de leerkracht zo goed mogelijk moeten trachten te differentiren. In sommige gevallen (zeker
bij een leefgroep) kan dit ertoe leiden dat de leerkracht een gedifferentieerde beginsituatie formuleert.
DEFINITIE: Differentiatie is het positief en planmatig omgaan met verschillen tussen leerlingen met het
oog op het grootst mogelijke leerrendement voor elke leerling. Het start bij het erkennen van die
verschillen en krijgt vorm telkens je als leerkracht probeert in te spelen op verschillen tussen leerlingen.
Zo probeer je het leren bij elke leerling zo goed mogelijk te bevorderen (Vanderhoeven, 2008).
Voorbeeld van een gedifferentieerde beginsituatie: De kleuters kunnen reeds
dunne papiersoorten vrij scheuren vanuit de vuist waarbij de handen zich van elkaar
verwijderen. Enkele kleuters (Max, Jack en Lili) beheersen de scheurtechniek tussen duim en
wijsvinger ook al, maar enkel bij dunne papiersoorten.
De beginsituatie bepalen is zeker niet altijd evident. Om het vertrekpunt zo correct en
volledig mogelijk in kaart te brengen is er nood aan communicatie met en tussen
kinderen, het schoolteam en ouders, aan goede observatievaardigheden van de
leerkracht om gelijkheden of afwijkingen ten aanzien van de gemiddelde ontwikkeling
vast te stellen. Al deze elementen vormen de puzzelstukken om de beginsituatie vast te
leggen.
Om in te gaan op de zorgvragen van kleuters (binnen fase 01: brede basiszorg, maar ook
in de volgende fasen) is het belangrijk om zo snel mogelijk een duidelijk beeld te krijgen
van elk kind: wat kan hij al, wat nog niet? Kinderen leren kennen is een belangrijk
middel om een brede zorg voor de totale persoon van alle kleuters mogelijk te maken.
Als kleuteronderwijzer leer je de kinderen kennen door hen te observeren (VVKBaO,
2000). Hoe voelt het kind zich in de klas (welbevinden)? Is het genteresseerd en intens
1Zie ook hoofdstuk inclusief onderwijs.
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
bezig (betrokkenheid)? Wat zijn sterke en minder sterke kanten binnen de verschillende
ontwikkelingsdomeinen (competenties)?
Kleuters observeren levert nuttige informatie op. Zo krijg je als KO de kans om
beter in te spelen op interesses van de kleuter(s): interesses, mogelijkheden,
voorkeuren, gevoelens, ontwikkelingsdomeinen waarin hij goed is, vaardigheden
of attitudes die nog niet helemaal ontwikkeld zijn ...;
gericht actie te ondernemen door bijvoorbeeld gepaste begeleiding op te zetten,
de klasinrichting aan te passen, een BC te kiezen, het aanbod binnen het BC vorm
te geven, impulsen te geven;
specifieke zorgvragen te formuleren en te zoeken naar oplossingen;
een duidelijk beeld te schetsen aan de ouders tijdens een oudercontact of bij het
afhalen van de kleuter in de klas;
een duidelijk beeld door te geven aan andere betrokkenen binnen het schoolteam,
denk bijvoorbeeld aan een duopartner, de zorgjuf, de leerkracht van de volgende
klas.
In het opleidingsonderdeel ervaringsgericht onderwijs leer je hoe je kan observeren.
Eveneens zinvolle inspiratiebronnen om de beginsituatie van kleuters in je klas te
bepalen en om te weten wat je van een bepaalde leeftijdsgroep mag verwachten, zijn het
boek Groei- en leerlijnen in de kleuterschool (Boone, 2008) en Groot worden
(Struyven, Baeten, Kyndt en Sierens, 2009). Verder vind je ook in de leerplannen
leerlijnen met ontwikkelstappen op basis van referentieleeftijden. Hou er echter steeds
rekening mee dat de gemiddelde kleuter en de gemiddelde kleuterklas niet bestaat en je
dus niet alles achteloos kan overnemen. Vandaar dat deze inspiratiebronnen naast
observatie dienen gelegd te worden.
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
3 CONCRETE DOELEN IN HET KEUZEFORMULIER
Alvorens je de vertaling van de doelen in de keuzefiche ten volle kan begrijpen, dien je de
theoretische achtergrond uit puntje 1 De onderwijsdoelstellingen te hebben doorgenomen.
Je bepaalt per activiteit twee drie leerplandoelen waaraan je zal werken. De doelen
voor het hoofdaanbod noteer je op het lesvoorbereidingsformulier, de doelen voor het
keuzeaanbod noteer je op de fiches keuzeaanbod.
De leerplandoelen noteren doe je door de cijfer- en lettercode over te nemen uit het
leerplan (zie verderop voor enkele voorbeelden) en vervolgens het leerplandoel over te
nemen uit het leerplan. Leerplandoelen (zeker bij ZiLL!) zijn vaak breed omschreven en
kunnen niet altijd in zijn geheel in een activiteit verwerkt worden. Als je niet het ganse
leerplandoel in de activiteit verwerkt, noteer je (na de code) een verkort leerplandoel dat
duidelijk aangeeft welk onderdeel van het leerplandoel aan bod komt in de
lesvoorbereiding. Dat kan door het onderdeel van het leerplandoel dat niet van
toepassing is weg te laten of te doorstrepen. In het geval van leerplandoelen uit ZiLL
noteer je (na de code) eerst de generieke doelstelling, daarna (indien aanwezig) de
leerinhoud en vervolgens is het sterk aangeraden nog de ontwikkelstap te noteren
(indien aanwezig). Elk van die onderdelen (generiek doel, leerinhoud & ontwikkelstap)
kan en mag trouwens verkort worden. Omdat je bij ZiLL erg veel onderdelen moet
noteren, raden we aan om een pijl () te noteren voor de (verkorte) ontwikkelstap.
Indien je activiteit de ervaringskans geleid spelen en leren (GSL) creert, noteer je
eveneens een concreet doel. Net zoals bij de beginsituatie is het mogelijk hier te
differentiren tussen (groepen) kleuters. Concreet ga je als volgt te werk: je stelt de
beginsituatie vast, vervolgens bepaal je doelen die de ontwikkeling een stapje verder
brengen, pas daarna ga je nadenken over welke activiteit het meest geschikt is om de
vooropgestelde doelen te bereiken. Op deze manier ga je doelgericht te werk.
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
Vanuit de visie van ZiLL! probeer je best een doel uit de persoonsgebonden ontwikkeling
te combineren met een doel uit de cultuurgebonden ontwikkeling om zo een harmonische ontwikkeling
na te streven bij kinderen. Met andere woorden n leerplandoel uit de binnencirkel en n uit de
buitencirkel.
We hanteren voor de verwijzing naar de generieke doelen van ZiLL! de cijfer- en
lettercodes (ofwel de afkortingen) die ook in ZiLL! gebruikt worden. De twee hoofdletters
vooraan verwijzen naar het ontwikkelveld, de twee kleine letters erna verwijzen naar het
ontwikkelthema en ten slotte volgt een getal.
Bijvoorbeeld:
Socio-emotionele ontwikkeling (SE)
o Relationele vaardigheden (SErv)
o Omgaan met gevoelens en behoeften (SEgb)
o Inlevingsvermogen (SEiv)
o Seksueel bewustzijn (SEsb)
Ontwikkeling van wiskundig denken (WD)
o Logisch en wiskundig denken (WDlw)
o Getallenkennis (WDgk)
o Rekenvaardigheid (WDrv)
o Meetkunde (WDmk)
o Meten en metend rekenen (WDmm)
Je kan voor het selecteren van doelen het best gebruikmaken van de selectietool van ZiLL! (Katholiek
Onderwijs Vlaanderen, 2016c). Deze selector kan je raadplegen via volgende link: https://zill
selector.katholiekonderwijs.vlaanderen/.
Je kan hier bijvoorbeeld ook voor een stageperiode alle gekozen doelen selecteren (door op het plusteken
te klikken) zodat je meteen een visueel overzicht krijgt van de geselecteerde ontwikkelvelden. Je kan zo
nagaan of je alle domeinen (evenwichtig) aan bod laat komen.
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
3.1.1.1 Wat zijn concrete doelstellingen?
Bij de ervaringskans geleid spelen en leren (GSL) vermeld je eveneens concrete
doelstellingen. Daarin staat klaar en duidelijk samengevat wat je met die activiteit wil
bereiken. Er moet in vermeld staan wat de kleuters tijdens de activiteit leren, oefenen
of ontwikkelen. Per gekozen vooropgestelde leerplandoel (maximaal twee voor n
activiteit), formuleer je n concrete doelstelling (of meerdere indien je gaat
differentiren1).
Een concrete doelstelling neemt een belangrijke plaats in bij de begeleiding van de
activiteit. Doelen concreet en precies formuleren, stimuleert gerichte observatie waarmee
vrij gemakkelijk kan gecontroleerd worden of je didactisch handelen efficint was (cfr.
Deel 7 Evalueren van spelactiviteiten).
Aan de hand van de leerplannen gaan we concrete doelen formuleren. Die concrete
doelen sluiten veel sterker aan bij de concrete activiteit en verwoorden wat de kleuter na
de activiteit moet kennen en/of kunnen in waarneembaar gedrag. Belangrijk is dat de
zinvolheid van het doel in het oog wordt gehouden. Om concrete doelen te kunnen
formuleren, moet je de inhoud van de geplande activiteit duidelijk bepalen.
In de afbeelding hieronder zie je een stuk uit het ontwikkelveld Ontwikkeling
van wiskundig denken, meer bepaald uit het ontwikkelthema Getallenkennis.
De notatie hieronder is een voorbeeld van hoe dit kan genoteerd worden op de
lesvoorbereiding, nl. code leerplandoel + (verkort) generiek doel + (verkorte) leerinhoud
(indien aanwezig) ) + (verkorte) ontwikkelstap (indien aanwezig) en tot slot het concreet doel
(bij GSL).
WDgk1 Inzicht verwerven in hoeveelheden: hoeveelheden vergelijken en sorteren
Gestructureerde hoeveelheden vergelijken door actief ervaringen op te doen en daarbij
woorden te gebruiken zoals evenveel, niet evenveel.
Concreet doel: De kleuters kunnen na het gelijktijdig opwerpen van de maxi-dobbelstenen
het geworpen aantal figuren (max. 5) op beide dobbelstenen vergelijken en verwoorden of
het evenveel of niet evenveel is.
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
Ter info: De onderdelen van de ontwikkelstap die niet van toepassing zijn in de activiteit werden
weggelaten. Doorstrepen kan ook, maar zorgt hier voor wat chaos (cfr. veel doorstreepte tekst).
Laat de keuze voor weglaten of doorstrepen dus afhangen van de leesbaarheid en duidelijkheid
voor jezelf en de lezer van je lesvoorbereiding.
De notatie van leerplandoelen op de lesvoorbereiding die uit een ander leerplan dan ZiLL!
komt, is gelijkaardig. Je neemt ook daar de code van het leerplandoel over uit het
leerplan en hanteert verder hetzelfde principe van verkorten. Je zal echter opmerken dat
de leerplandoelen van OVSG (weliswaar voor het Doelenboek) en GO! meer afgebakend
zijn en verkorten hier minder vaak nodig is.
Voorbeeld OVSG (obv het Doelenboek, nog niet het nieuwe Leer Lokaal):
DB-WI-GET-01.04: Concrete hoeveelheden vergelijken door de 1-1 relatie uit te voeren
Concreet doel: De kleuters kunnen hun verzamelde punten bij het visspel vergelijken met
elkaar in functie van het bepalen van de winnaar door ze n voor n gelijktijdig weer in de
vijver te werpen.
Voorbeeld GO!:
WI 2.1 Vergelijken van hoeveelheden: de kleuters kunnen de n-n-relatie leggen.
Concreet doel: De kleuters kunnen hun verzamelde punten bij het visspel vergelijken met
elkaar in functie van het bepalen van de winnaar door ze n voor n gelijktijdig weer in de
vijver te werpen.
3.1.1.2 Hoe worden concrete doelstellingen geformuleerd?
In wat volgt lichten we de regels bij het formuleren van een concrete doelstelling toe.
Algemeen wordt gesteld dat concrete doelen steeds zo duidelijk en ondubbelzinnig
mogelijk geformuleerd dienen te worden. Dit wil zeggen:
In termen van kleutergedrag
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
NIET: De KO zal de evolutie van rups tot vlinder tonen aan de hand van fotos.
WEL: De kleuters kunnen aan de hand van fotos vertellen hoe een rups een vlinder
wordt.
In termen van concreet-waarneembaar/observeerbaar gedrag
NIET: De kleuters kennen de vijf weerkaarten van de weerkalender .
WEL: De kleuters kunnen het weer van op de vijf weerkaarten benoemen: zon,
wolken, regen, wind of sneeuw.
Tip: Om hieraan te voldoen, werk je best met werkwoorden:
NIET
WEL
kennen
benoemen
weten
opsommen
inzien
construeren
begrijpen
reconstrueren
beseffen
namaken
nabootsen
vertellen
tekenen
De (leer)inhoud concreet aangeven
NIET: De kleuters kunnen figuren benoemen in de omgeving.
WEL: De kleuters kunnen figuren in voorwerpen die ze tegenkomen tijdens de
wandeling naar het zwembad (bv. verkeersborden, het riooldeksel, enz.) benoemen
met rond, driehoekig en vierhoekig.
Eventuele omstandigheden of hulpmiddelen aangeven
NIET: De kleuters kunnen hun schoenen aantrekken.
WEL: De kleuters kunnen hun schoenen aantrekken met behulp van een schoenlepel.
Eventueel de minimumprestatie of het criterium waaraan moet voldaan worden
weergeven
NIET: De kleuters kunnen het gebruikte materiaal op tijd opruimen.
WEL: De kleuters kunnen het gebruikte materiaal opruimen voor het einde van het
opruimliedje.
www.kdg.be
Cursus Kleuterdidactiek 1
Enkelvoudige doelen opstellen (maar 1 doel tegelijkertijd)
NIET: De kleuters kunnen een aangeleerd liedje meezingen en de bewegingen erbij
meedoen.
WEL: De kleuters kunnen een aangeleerd liedje meezingen. EN De kleuters kunnen de
bewegingen bij een aangeleerd liedje meedoen.. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 20.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag