Maak een oefenexamen van de volgende tekst: 2.1: Gezondheid en het verpleegkundig beroep
o Je legt uit wat gezondheid is, zodanig dat je een eigen visie op gezondheid kunt beschrijven. (LU1)
Gezondheid= het vermogen om zich aan te passen en zichzelf te beheren, ondanks sociale, fysieke en emotionele uitdagingen
Gezondheid; is niet alleen dat je niet ziek bent, maar het gaat ook over hoe je je van binnen voelt en dat je ondanks dat je wat ongezonder eet je nog steeds voor de rest heel gezond kunt zijn.
o Je licht toe hoe de gezondheidszorg in Nederland is georganiseerd. (LU1)
Burgers -> verplicht verzekerd (basispakket verplicht, kunnen aanvullende verzekering afsluiten)
Overheid -> stelt inhoud pakket samen
Zorgverzekeraar -> iedereen toegang tot basis verzekering
o Je licht de CanMEDS rollen toe, zodanig dat je weet wat het beroep van de HBO verpleegkundige inhoudt. (LU1)
Leider; beheren van de organisatie van de zorg
Kwaliteitsbevorderaar; verantwoordelijk voor het verbeteren van de kwaliteit van de zorg.
Communicator; helder, respectvol en effectief kunnen communiceren. Kernrol in de zorg.
Samenwerkingspartner; goed teamwerk, delen van informatie en het afstemmen van behandeldoelen is belangrijk
Reflective proffessional EBP; beoordelen van eigen functioneren en de zorg die het levert, door zelfreflectie en feedback
Gezondheidsbevorderaar; in zetten voor gezondheid en welzijn
o Je benoemt de stappen van het verpleegkundig proces en je beschrijft de link met klinisch redeneren (LU1)
Anamnese ; verzamelen en ordenen van gegevens
Diagnose ; vaststellen van de huidige gezondheidstoestand
Resultaten ; bepalen van de wenselijke resultaten
Interventies ; selecteren van verpleegkundige interventies
Evaluaties ; vaststellen of resultaten zijn behaald
De link tussen het verpleegkundig proces en klinisch redeneren is dat beide processen gericht zijn op het verzamelen van info, analyseren en het nemen van onderbouwde beslissingen.
2.2: professionele houding
o Je hanteert een professionele houding, zodanig dat je op een respectvolle manier aansluit bij de zorgvrager. (LU2)
Respect hebben, empathie tonen (je in leven), verantwoordelijkheid, integriteit (eerlijkheid en betrouwbaarheid), ethisch gedrag (normen van patint staan centraal), samenwerking, communicatie, hygine, gedrag, patint als middelpunt.
o Je hanteer een actieve luisterhouding tijdens de gehele zorgsituatie als onderdeel van je professionele houding. (LU2)
Oogcontact, houding, verbaal (ja mm-hmm) en non-verbaal (knikken) bevestigen, samenvatten en parafraseren (info verwerken), niet onderbreken, niet oordelen, betrokkenheid, reflecteren van gevoelens.
o Je weet wat de vijf moment van handhygine zijn en wanneer je ze moet toepassen (LU2)
1.voor aanraken zorgvrager
2.voor schone/steriele handeling
3.na contact lichaamsvloeistof
4.na contact zorgvrager
5.na aanraking van de omgeving van de zorgvrager
o Je past (persoonlijke) hyginemaatregelen toe zodanig dat je hyginisch en/of aseptisch werkt. (LU2)
Wassen ; zichtbaar vuil, toilet gebruik infecties
->met zeep en water
Desinfecteren ; voordat je dicht bij een zorgvrager komt.
->met handalcohol
Verzorgen ; voorkomen van huidkloofjes en uitdroging
->met handcrme
2.3: kritisch denken in het verpleegkundige proces
o Je legt uit wat kritisch denken inhoudt, zodanig dat je de link legt tussen kritisch denken en je werk als toekomstige HBO-verpleegkundige (LU3)
Kritisch denken= creatief en reflectief nadenken. Beschikken over kennis, scherp denken en goed oordelen.
Als verpleegkundige is het belangrijk om goed kritisch te kunnen denken, het is belangrijk dat je altijd goed en scherp nadenkt voordat je een oordeel trekt, dit hoort ook bij kritisch denken.
o Je herken de vaardigheden en eigenschappen van de kritische denker, zodanig dat je je eigen beginsituatie (als kritische denker) omschrijft (LU3)
Een kritische denker moet informatie kunnen onderzoeken, onbevooroordeeld naar informatie, gevoelens en argumenten kunnen luisteren, vanuit verschillende perspectieve te kijken, beslissingen nemen, door vragen, gebruiken van verschillende bronnen (bv ook een gezinslid), creatief denken voor nieuwe oplossingen, besluiten kunnen nemen. Ik ben in mijn beginsituatie bezig met het ontwikkelen van al deze punten.
o Je maakt samenwerkingsafspraken in je peergoep, zodanig dat deze afspraken een basis bieden om de samenwerking te kunnen evalueren (LU3)
X
2.4: Waarom AFP
o Je begrijpt het belang van kennis van AFP in relatie tot klinisch redeneren (LU1)
AFP:
Anatomie = Inwendige en uitwendige lichaamsstructuren bestuderen (micro- en macroscopisch)
Fysiologie = bestuderen van functie van anatomische structuren (cel, orgaan, systeemfysiologie=hoe systemen samen functioneren)
Pathologie = ziekteleer, waarbij gekeken wordt naar de oorzaak van de ziekte en hoe de ziekte ontstaat, de gevolgen en het beloop van de ziekte.
Om goed klinisch te redeneren moet je iets afweten van de anatomie, fysiologie en pathologie van het lichaam. Zonder een goed begrip van hoe het lichaam werkt (fysiologie), hoe het opgebouwd is (anatomie), en wat er mis kan gaan (pathologie), zou een verpleegkundige niet in staat zijn om effectief klinisch te redeneren, passende diagnoses te stellen, en de juiste zorginterventies te kiezen.
o Je begrijpt het belang van het gebruiken van Latijnse terminologie voor het beroep van de HBO-verpleegkundige en je kent de Latijnse basistermen (LU1)
Frontaal = voor- en achterzijde verdeelt
Sagittaal = linker- en rechterzijde verdeelt
Transversaal = boven- en onderkant verdeelt.
o Je hebt kennis van cellen, weefsels en organen en de relatie hiertussen. (LU1)
Cel bestaat uit:
- Organellen (= meerdere moleculen met elk hun eigen taak, celplasma)
- Kern(nucleus) (= ligt genetisch materiaal van de mens)
- Celmembraan (= laag van eiwitten en vetten, beschermd)
Differentiatie ; specialisatie van stamcellen in een bepaalde cel.
Weefsels: gevormd door veel gedifferentieerde cellen.
o Bindweefsel ; beschermd en ondersteund overig weefsel
o Epitheel ; bedekking van andere weefsels en organen
o Zenuwweefsel ; geleid elektrische signalen, zorgt voor communicatie
o Spierweefsel ; beweging van spieren in het lichaam en peristaltiek
Orgaan: opgebouwd uit minimaal 2 verschillende weefsels.
Receptoren ; Vangen signalen op en geven ze door.
Centraal integratie ; receptoren worden bekeken en vergeleken
Effectoren ; reageren op feedback
Aquaporines= waterkanalen die watermoleculen doorlaten
Diffusie= passief transsport van water van hoge concentratie naar lage concentratie van een cel
Osmose= passief transsport via een halfdoorlatende membraan.
Metabolisme= stofwisseling, zet kcal om in energie
Homeostase= constant intern milieu ondanks verandering in omgeving
Actief transsport Passief transsport
-kost energie -kost geen energie
-stoffen van lage->hoge concentratie -stoffen van hoge->lage concentratie
-transport m.b.v. blaasjes (vesiculair) -diffusie
-pompeiwitten (NA/CA pomp) -osmose
Vesiculair= stof passeert membraan met blaasje
Isotoon ; aantal opgeloste stofjes in 1 is gelijk aan in 2
Hypertoon ; aantal opgeloste stofjes in 1 is meer als in 2
Hypotoon ; aantal opgeloste stofjes in 1 is minder als in 2
3.1: Verpleegkundig proces: Anamnese
o Je hebt kennis van de anamnesefase, zodanig dat je weet waarom deze fase van belang is (LU1)
Anamnese fase: fases waarin je gegevens verzameld over de gezondheidstoestand.
o Je weet op welke manier je de anamnesefase uitviert middels een passende methodiek (gezondheidspatronen van Gordon) en kan ze categoriseren. (LU1)
1-gezondheidsbeleving en -instandhouding (: beleving van eigen persoon)
2- Voeding/stofwisseling (: voedingspatroon en stofwisselingsindicatoren)
3- Uitscheiding (: alles wat het lichaam verlaat ook bijv. traanvocht, urine)
4- Activiteiten (: dagelijkse of frequente bewegingen)
5- Slaap/rust (: energiek en uitgerust)
6- Cognitie (: werking van hersenen en zintuigen)
7- Zelfbeleving (: zelfbeeld, lichaamshouding)
8- Rollen/relatie (: situaties in familie, werkvloer, sociale omgevingen)
9- Seksualiteit/voortplanting (: seksuele relaties)
10- Stressverwerking (: problematische situaties, ingrijpende/invloed situaties)
11- Waarden/overtuigingen (: welke beslissingen neem je, godsdiensten)
o Je benoemt de etiologie en sign/symptoms van een verstoorde ademhaling en koorts (LU1)
Subjectieve gegevens info uit gesprek signs
Objectieve gegevens - info door waarnemen symtom
Etiologie = verklaring van de oorzaak
Verstoorde ademhaling etiologie:
- Infecties -> bv longonsteking
- Allergien -> bv astma
- Chronische aandoening -> bv COPD
- Verstoppingen -> bv veel slijm
Signs:
- Verhoogde ademhalingsfrequentie (tachypneu
- Abnormale ademhalingspatronen (bijvoorbeeld piepende ademhaling).
- Cyanose (blauwe verkleuring van de lippen of huid door zuurstofgebrek).
- Gebruik van hulpademhalingsspieren (bijvoorbeeld het inademen met een verhoogde schouderbeweging)
Symtoms:
- Patint kan kortademig zijn of een beklemmend gevoel op de borst beschrijven.
- Klachten van hoesten of piepen.
- Vermoeidheid of een gevoel van onrust.
Koorts etiologie:
- Infectie -> bv bacterie
- Ontsteking -> bv auto=immuunziekten
- Kanker
Signs:
- Verhoogde lichaamstemperatuur (meestal boven 38C).
- Rillingen of zweten.
- Versnelde hartslag (tachycardie).
Symtoms:
- Patint kan zich moe of zwak voelen.
- klachten van hoofdpijn of spierpijn.
- Verlies van eetlust
o Je licht toe wat het begrip kerntemperatuur betekent (LU1)
Kerntemperatuur= de temperatuur die het is in de romp en in de hersenen
o Je benoemt welke waarden voor de lichaamstemperatuur normaal en afwijkend zijn (LU2)
Normaal; tussen 36,5C en 37,5C
Afwijkende waarden; Koorts: Een lichaamstemperatuur boven 38C wordt vaak beschouwd als koorts. Dit kan wijzen op een infectie of ontsteking.
Hypothermie: Een lichaamstemperatuur onder 35C kan duiden op hypothermie, wat gevaarlijk kan zijn en onmiddellijke aandacht vereist.
Hyperthermie: Een lichaamstemperatuur boven 38,3C kan wijzen op hyperthermie, wat kan optreden bij oververhitting of ernstige infecties.
o Je benoemt factoren die van invloed zijn op de temperatuur (LU1)
leeftijd, geslacht, erfelijkheid, fitheid, het lichaamsoppervlak en de verhouding tussen lichaamsoppervlak en gewicht
o Je benoemt het verschil tussen koorts en hyperthermie (LU1/LU2)
- Koorts is een gecontroleerde verhoging van de temperatuur door het immuunsysteem.
- Hyperthermie is een ongecontroleerde verhoging van de temperatuur door externe factoren of overbelasting van het lichaam.
o Je benoemt verschillende ademhalingspatronen (LU1/LU2)
- Normale ademhaling
- Hyperventilatie -> versneld/oppervlakkig
- Hypoventilatie -> traag/oppervlakkig
- Cheyne-stokes ademhaling -> diep/oppervlakkig/apneu(geen ademhaling)
- Kussmaul-ademhaling -> diep/snel
- Apnoe -> Stilstand van de ademhaling
- Bradypnoe -> minder dan 12 ademhalingen p/min
- Tachypnoe -> meer dan 12 ademhalingen p/min
- Slaapapnoe -> tijdens het slapen ademstops
- Hypopneu -> oppervlakkig
- Hyperpnoe -> verdiept
o Je past gesprekstechnieken toe (open vragen stellen, doorvragen, samenvatten), zodanig dat je een compleet beeld krijgt van de situatie van de zorgvrager (LU2)
X
o Je maakt op een passende wijze contact met de zorgvrager bij aanvang van de zorgsituatie door jezelf voor te stellen, de handeling toe te lichten en de zorgvrager te instrueren
X
o Je hanteert een actieve luisterhouding tijdens de gehele zorgsituatie als onderdeel van je professionele houding (LU2)
X
3.2: ABCDE; Ademhaling
o Je hebt kennis van de ABCDE-methodiek, zodanig dat je weet waarom deze methodiek gebruikt wordt (LU1/LU2)
-Airway = Luchtweg
-Braithing = ademhaling
-Circulation = circulatie
-Disability = onbekwaamheid / bewustzijn
-Exposure = blootstelling / Environment = omgeving
o Je hebt kennis van de airway en Breating als onderdeel van de ABCDE methodiek
Tractusrespiratorius= ademhalingsstelsel
Grens tussen bovenste- en onderste luchtwegen : stembanden
Linkerlong : 2 kwabben , rechterlong : 3 kwabben
5 functies:
- Ventilatie = lucht in en uit de longen
- Uitwisseling van gassen
- Bescherming long oppervlakte
- Vorming van geluid (stembanden)
- Creren van reukzin
o Je beschrijft de bouw en functie van de longen: luchtweg longvlies, vaatvoorzieningen.
1. Luchtwegen: De lucht komt de longen binnen via de neus of mond, gaat door de luchtpijp (trachea) en vertakt zich in de bronchin. De bronchin splitsen verder in kleinere bronchiolen, die eindigen in de longblaasjes (alveoli). De luchtwegen zijn bekleed met slijmvlies dat helpt bij het filteren en bevochtigen van de ingeademde lucht.
2. Longvlies: De longen zijn omgeven door een dunne membranenlaag, het pleura. Dit bestaat uit twee lagen: de viscerale pleura die de longen bedekt, en de paritale pleura die de borstwand bekleedt. Tussen deze twee lagen bevindt zich een kleine ruimte met pleuravocht, wat wrijving vermindert tijdens het ademhalen.
3. Vaatvoorzieningen: De longen hebben een uitgebreide bloedvoorziening. De longslagader (pulmonale arterie) vervoert zuurstofarm bloed van het hart naar de longen, waar het zuurstof opneemt en koolstofdioxide afgeeft. Dit zuurstofrijke bloed wordt vervolgens via de longaders terug naar het hart vervoerd. De longen hebben ook een eigen bloedtoevoer via de bronchiale arterin, die zuurstofrijk bloed aan de longweefsels leveren.
4. De functie van de longen is voornamelijk gaswisseling. Dit gebeurt in de longblaasjes, waar zuurstof uit de ingeademde lucht in het bloed wordt opgenomen en koolstofdioxide uit het bloed in de lucht wordt afgegeven om uitgeademd te worden. Deze gaswisseling is essentieel voor het handhaven van de zuurstofniveaus in het lichaam en het verwijderen van afvalstoffen.
o Je legt de regulatie van de ademhaling uit (LU1)
o Je legt de gaswisselingsprocessen in de longen en in de weefsels uit: (LU1)
In de longen (externe respiratie):
Zuurstofopname: In de alveoli (longblaasjes) diffundeert zuurstof vanuit de ingeademde lucht naar het bloed in de haarvaten (capillairen).
Koolstofdioxideafgifte: Koolstofdioxide diffundeert vanuit het bloed naar de alveoli en wordt uitgeademd.
In de weefsels (interne respiratie):
Zuurstofafgifte: Het zuurstofrijke bloed transporteert zuurstof naar de lichaamsweefsels, waar zuurstof diffundeert van de haarvaten naar de cellen.
Koolstofdioxideopname: Koolstofdioxide, een afvalproduct van cellulaire ademhaling, diffundeert van de cellen naar het bloed en wordt afgevoerd naar de longen.
o Je benoemt bij een patint met verstoorde ademhaling, de onderliggende fysiologie en pathologie van een pneumonie en COPD. (LU1)
COPD
(Chronic Obstructive Pulmonary Disease): Een chronische longziekte die luchtstroombeperkingen veroorzaakt, meestal door langdurige blootstelling aan schadelijke stoffen zoals sigarettenrook. Het omvat aandoeningen zoals chronische bronchitis, astma en longemfyseem, met symptomen als kortademigheid, hoesten, en slijmproductie. Het is progressief en niet volledig omkeerbaar. Astma, Bronchitis longemfyseem.
Symptomen:
Inhalaties -> pufjes
Piepende ademhaling
Voorovergebogen
Cyanose (Blauwe lichaamsdelen, slechte doorbloeding en weinig zuurstof)
Pneumonie = longontsteking
:Een infectie van de longen, vaak veroorzaakt door bacterin, virussen of schimmels. Het leidt tot ontsteking in de longblaasjes (alveoli), die gevuld kunnen raken met vocht of pus, wat ademhalingsproblemen, hoesten, koorts en vermoeidheid veroorzaakt.
Symptomen;
Druk op de borst
Hoesten
Koorts
Slijm groen/geel
Benauwd
Kortademig/ snelle ademhaling
Zweetdruppels op het voorhoofd
Pips uit zien (weinig doorbloeding)
Rochelen
o Je meet de ademhaling en de saturatie van een zorgvrager volgens protocol. (LU2)
X
o Je benoemt de aandachtspunten bij het meten van de ademhaling en de saturatie van een zorgvrager (LU2)
Ademhaling: frequentie/regelmaat/diepte/geluid/houding
Saturatie: meter goed geplaatst/normale waarde/niet bewegen/geen afwijkingen
o Je interpreteert de metingen t.a.v. de ademhaling en saturatie, zodanig dat je vervolgstappen kunt benoemen (LU2)
Ademhaling: rusten/zuurstof toedienen/arts raadplegen/bewustzijn controleren
Saturatie: ademhaling bekijken/zuurstof toedienen/arts raadplegen
o Je onderbouwt op basis van kennis van anatomie, fysiologie en pathologie van het ademhalingsstelsel waarom het observeren van de ademhaling en het meten van de saturatie relevant is (LU1/LU2).
Ademhaling
Anatomie: De longen, luchtwegen en spieren (zoals het diafragma) zorgen voor gaswisseling. Adequate ademhaling is nodig om zuurstof naar het bloed te transporteren en CO af te voeren.
Fysiologie: Een normale ademhaling zorgt voor de juiste balans tussen zuurstofinname en koolstofdioxideafgifte. Verstoringen, zoals tachypneu of bradypneu, kunnen wijzen op een probleem met de zuurstofuitwisseling of de longfunctie.
Pathologie: Ziekten zoals COPD, astma, of longontsteking kunnen de luchtwegen vernauwen of longweefsel beschadigen, wat leidt tot een verslechterde ademhaling. Het observeren van de ademhaling helpt om deze problemen vroegtijdig te herkennen.
o Je benoemt de etiologie en signs en symptoms bij een verstoorde vochtbalans (LU1)
Etiologie: verstoordvochtbalans (de-, overhydratie)
Signs/symptoms:
Dehydratie (vochttekort)
Droge mond en slijmvliezen
Verminderde huidturgor: De huid blijft staan na knijpen.
Donkere urine, met een lage urineproductie
Snelle hartslag (tachycardie) en lage bloeddruk (hypotensie)
Dorstgevoel
Vermoeidheid, duizeligheid en flauwvallen
Gewichtsverlies
Verwardheid of bewustzijnsvermindering bij ernstige gevallen
o Je benoemt enkele preventieve interventies om dehydratie te voorkomen (LU1).
Voldoende vochtinname stimuleren:
Regelmatig drinken: Aanmoedigen om elke 1-2 uur een glas water te drinken, zelfs zonder dorstgevoel, vooral bij ouderen en kinderen.
Gevarieerd aanbieden: Naast water ook andere hydraterende dranken aanbieden, zoals thee, vruchtensap of bouillon, om de variatie aantrekkelijk te maken.
Vochtinname monitoren:
Vochtbalans bijhouden: Bij risicogroepen zoals ouderen, zieken of mensen met slikproblemen kan het helpen om de dagelijkse vochtinname en -uitscheiding te registreren.
Plasfrequentie controleren: Let op de kleur van de urine (lichtgeel is normaal) en de frequentie van urineren. Minder plassen of donkere urine kan wijzen op uitdroging.
omgevingsomstandigheden aanpassen:
Beschermen tegen warmte: Voorkom uitdroging door bij warm weer of tijdens hittegolven te zorgen voor een koele omgeving en extra vochtinname.
Adequate kleding: Zorg voor luchtige, ademende kleding om overmatig zweten te voorkomen.
Dieet aanpassing:
Vochtige voeding: Voedsel met een hoog watergehalte (zoals fruit, groenten, soepen en yoghurt) kan bijdragen aan de dagelijkse vochtbehoefte.
Bewustwording vergroten:
Educatie: Zorgvragers en hun familie informeren over de risicos van dehydratie, het belang van voldoende drinken, en het herkennen van vroege tekenen van uitdroging.
3.3: Type 1 en type 2 denken:
o Je evalueert de opgehaalde gegevens vanuit elementaire gespreksvaardigheden en de categorisering (in gezondheidspatronen), zodanig dat je kunt inschatten wat de waarde is van de opgehaalde gegevens (LU3).
X
o Je interpreteert de opgehaalde gegevens vanuit de anamnese, zodanig dat je onderscheid kunt maken in relevante en irrelevante gegevens en het type gegeven (feiten en vooronderstellingen) (LU3).
Feit is echt waar en kan je controleren, veronderstelling is het aannemen dat iets waar is.
o Je weet wat de APA-richtlijnen inhouden, zodanig dat je dit kunt toepassen in geschreven stukken (LU3).
X
o Je bouwt kwaliteitsbesef op rondom professioneel taalgebruik, zodanig dat je dit kunt toepassen tijdens het schrijven van eigen stukken (LU3).
X
3.4: verplaatsings-technieken
o Je past op ergonomische wijze, verplaatsingstechnieken toe om de zorgvrager in en buiten bed te verplaatsen (LU2).
Papegaai, touwladder, elektrisch bed
o Je legt uit wat indicaties en aandachtspunten zijn bij het gebruik van hulpmiddelen bij het verplaatsen van een zorgvrager in en uit bed (LU2).
indicaties
-beperkte mobiliteit
-pijn of ongemak
-voorkomen letsel
-Voorkomen doorligwonden
-revalidatie of herstel
o Je begrijpt waarom rekening houden met lichamelijke integriteit van belang is in het verpleegkundig beroep (LU2).
Om blessures en andere indicaties tegen te gaan
o Je houdt rekening met lichamelijke integriteit van de zorgvrager als onderdeel van je professionele houding (LU2).
X
o Je maakt op een passende wijze contact met de zorgvrager bij aanvang van de zorgsituatie door jezelf voor te stellen, de handeling toe te lichten en de zorgvrager te instrueren (LU2).
X
o Je hanteert een actieve luisterhouding tijdens de gehele zorgsituatie als onderdeel van je professionele houding (LU2).
X
4.1: Verpleegkundig proces: Anamnese
o Je neemt de anamnese af volgens de gezondheidspatronen van Gorden, zodanig dat je een compleet beeld krijgt van de situatie van de zorgvrager (LU1)
X (gezondheidspatronen van gorden, zie hierboven)
o Je weet wat een probleem verhelderend gesprek inhoudt inclusief de opbouw hiervan (LU2)
Je probeert tijdens dit proces duidelijkheid te krijgen over de zorgvrager
5 fases van het probleem verhelderend gesprek:
o Probleemdefiniring
o Benoemen consequenties van het probleem
o Bespreken van verwachtingen/wensen- formuleren van doelen
o Verkennen en formuleren van oplossingen
o Evaluatie van het gesprek
o Je herkent de etiologie en signs/symptoms van een afwijkende bloeddruk en/of hartfrequentie in een casus, zodanig dat je ze kunt categoriseren volgens de gezondheidspatronen van Gordon (LU1/LU2)
Etiologie
Hypertensie (hoge bloeddruk): Vaak veroorzaakt door een combinatie van genetische factoren, overgewicht, een ongezonde levensstijl (zoals roken, weinig lichaamsbeweging, en een zoute voeding), en stress. Nierziekten en hormonale stoornissen kunnen ook bijdragen.
Hypotensie (lage bloeddruk): Kan veroorzaakt worden door uitdroging, medicatie, hormonale onevenwichtigheden, hartfalen, en bloedverlies.
Tachycardie (hoge hartfrequentie): Komt voor door stress, angst, koorts, uitdroging, bloedarmoede, en hartritmestoornissen.
Bradycardie (lage hartfrequentie): Kan veroorzaakt worden door veroudering, medicatie, hartziekten, of beschadiging aan het geleidingssysteem van het hart.
Signs/Symptoms
Hypertensie: Vaak asymptomatisch, maar kan gepaard gaan met hoofdpijn, duizeligheid, wazig zien, of neusbloedingen.
Hypotensie: Symptomen zijn duizeligheid, flauwvallen, misselijkheid, en vermoeidheid.
Tachycardie: Hartkloppingen, kortademigheid, duizeligheid, en pijn op de borst.
Bradycardie: Vermoeidheid, duizeligheid, flauwvallen, kortademigheid, en moeite met inspanning.
o Je onderbouwt waarom een probleem verhelderend gesprek de passende methodiek is in een casus (LU2)
-Inzicht in de kern van het probleem
-verwachtingen en behoeftes bespreken
-denken in oplossingen
-emotionele ontlasting
o Je voert de fasen probleemdefiniring en benoemen consequenties van het probleem uit in een probleem verhelderen gesprek met een ander (LU2)
In deze fasen help je de patint om het probleem helder te definiren en de impact ervan op hun dagelijks leven en emotioneel welzijn te benoemen. Dit biedt waardevolle inzichten voor verdere behandeling en ondersteuning.
o Je hanteert een actieve luisterhouding tijdens het gesprek als onderdeel van je professionele houding (LU2)
X
o Je past elementaire gespreksvaardigheden toe tijdens een gesprek met een ander (LU2)
Actief luisteren/samenvatten/doorvragen/empathie tonen/non-verbale communicatie/ open vragen stellen/reflecteren van gevoelens/begrip tonen (parafraserenfeedback geven/geduld en stilte
4.2: ABCDE: Circulatie
o Je hebt kennis van de circulation als onderdeel van de ABCDE methodiek (LU1)
Bloedcirculatie vanuit longen = pulmonale circulatie
Bloedcirculatie naar lichaam = systematische circulatie
o Je hebt kennis van de anatomie van het hart en de grote bloedvaten (LU1)
Lagen van hart: -> verdere info dia 5&6 verpleegkunde samenvatting
- Endocard = binnenbekleding
- Myocard = middelste spierweefsel
- Epicard = binnenste laag (deel van hartzakjes)
Centrale spierwand in het hart = septum (: tussenscherm) [->fossa ovails= dunnerstuk door geboorte]
Vatenstelsel pulmonale circulatie:
Arterin (slagaders) : weg van het hart
Venen (aders) : naar het hart toe
Capillairen (haarvaten) : uitwisseling van voedingsstoffen
Grote bloedvaten zoals: aorta en vena cava (holle ader) zitten aan hart vast.
o Je benoemt het verschil tussen arterin en venen (LU1)
Arterin= slagaders -> gaan weg van het hart -> zuurstofrijk
Venen= aders -> gaan naar het hart toe -> zuurstofarm
o Je beschrijft het principe van de grote en de kleine bloedsomloop (LU1)
grote bloedsomloop: Zorgt voor het transport van zuurstofrijk bloed van het hart naar de weefsels en organen van het lichaam, en brengt zuurstofarm bloed terug naar het hart.
Kleine bloedsomloop: Zorgt voor de zuurstofopname door het bloed en de afvoer van koolstofdioxide naar de longen.
o Je beschrijft het principe van de prikkelgeleiding van het hart (LU1)
- SA-knoop fungeert als de natuurlijke pacemaker van het hart
- AV-knoop vertraagt de elektrische impuls voordat deze naar de kamers gaat
- De bundel van His geleidt de elektrische impuls snel naar de kamers
- Rechter- en linker tak geleiden de elektrische impulsen verder naar de uiteinden van de kamers
- De Purkinjevezels zorgen voor een snelle en gelijktijdige verspreiding van de elektrische impuls door de hele hartspier van de kamers
o Je benoemt bij een patint met verstoorde bloedsomloop, de onderliggende fysiologie en pathologie van een hartinfarct (LU1)
Bij een patint met een verstoorde bloedsomloop kan een hartinfarct (myocardinfarct) optreden wanneer de bloedtoevoer naar een deel van het hart wordt geblokkeerd, meestal door een bloedstolsel in de kransslagaders.
Een hartinfarct ontstaat door een verstopping in de kransslagaders, meestal door een bloedstolsel dat gevormd wordt bij een gescheurde atherosclerotische plaque. Dit blokkeert de bloedtoevoer naar een deel van het hart, wat zuurstoftekort (ischemie) veroorzaakt. Zonder zuurstof sterft het hartspierweefsel (necrose) af, wat leidt tot permanente schade. Dit kan pijn op de borst, kortademigheid en zelfs hartfalen veroorzaken als het niet snel wordt behandeld. Atherosclerose en trombusvorming zijn de belangrijkste oorzaken van een verstoorde bloedsomloop die leidt tot een hartinfarct.
o Je benoemt de etiologie en signs en symptoms bij het patintprobleem vallen (LU1)
Mobiliteit/spierkracht/flexibiliteit/evenwicht/snelheid/duizeligheid/bloed/incontinentie/somatische aandoeningen/obesitas/medicatiegebruik/cognitieve problemen/leefstijl en inactiviteit (vb. alcohol)
o Je benoemt risicofactoren die een val kunnen veroorzaken (LU1).
Zie hierboven en mobiliteitsprobleem, beperkt uitvoeren activiteiten.
- Extrinsiek -> bijv. losliggend kleedje
- Intrinsiek -> bijv. duizeligheid
o Je benoemt preventieve interventies om vallen te voorkomen (LU1).
Evenwichtstraining/spierversterking/medicatiebeoordeling/zichtcontrole/valproof omgeving/goede schoenen/hydratie en voeding
4.3: Inductief en deductief redeneren
o Je hanteert de principes van feedback geven en ontvangen, zodanig dat je een bijdrage levert en ontvangt in de voortgang van de onderdelen van je portfolio (LU3).
X
o Je legt uit wat inductief en deductief redeneren inhoudt en hoe je deze redenatievormen als verpleegkundige toepast (LU3).
Redeneren= denkproces, door gegevens kom je tot een conclusie.
- Inductief Redeneren = Op basis van gegevens komen tot een algemene conclusie die aannemelijk is
o Je past een reflectiemethode toe, zodanig dat je jouw eigenschappen en vaardigheden in de samenwerking met je peergroep evalueert (LU3).
X
4.4: ABCDE; circulatie
o Je voert een basale reanimatie uit op basis van het stappenplan volgens de Nederlandse reanimatieraad (NRR) van een volwassene (LU2).
->
o Je voert op de juiste wijze een basale reanimatie van een volwassene uit m.b.v. een Automatische Externe Defibrillator (AED) (LU2).
X
o Je benoemt aandachtspunten bij het reanimeren van een volwassene (LU2).
30 X 2 / 5 6 cm diep / niet te hard blazen / veiligheid voorop
o Je hebt kennis van de anatomie, fysiologie en pathologie van het hart- en vaatstelsel, zodanig dat je kunt onderbouwen waarom het toepassen van een reanimatie relevant is (LU1 + LU2).
Het hart- en vaatstelsel is essentieel voor het transport van zuurstof en voedingsstoffen naar de weefsels en het verwijderen van afvalstoffen. Wanneer het hart stopt met kloppen (hartstilstand), stopt de bloedcirculatie. Dit leidt tot een tekort aan zuurstof in de organen, wat binnen enkele minuten kan resulteren in onomkeerbare schade of de dood.
Reanimatie is relevant omdat het de bloedcirculatie en zuurstoftoevoer naar vitale organen, zoals de hersenen en het hart, kan herstellen. Door snel te handelen met borstcompressies en kunstmatige ademhalingen, kan de kans op overleven aanzienlijk worden vergroot.
5.1 Verpleegkundig proces: Diagnose
o Je neemt een anamnese af volgens de gezondheidspatronen van Gordon, zodanig dat je een compleet beeld krijgt van de situatie van de zorgvrager. (LU1)
X
o Je hebt kennis van de diagnosefase, zodanig dat je weet waarom deze fase van belang is (LU1)
Diagnose= grondige beoordeling (stellen=diagnosticeren)
1. Verzamelen van gegevens
2. Vaststellen zorgproblemen en diagnose
Belang van diagnose
- Individueel
- Autonomie verpleegkundige
- Communicatie tussen collegas en professionals
- Meetwaardes vaststellen
o Je weet op welke manier je een diagnose stelt volgens de PES/PR structuur (LU1)
Feitelijk:
PES: probleem, etiologie/oorzaak, signs/symptoms
Dreigend/hypothetisch:
PE: probleem, etiologie/oorzaak
Mogelijk:
Nog niet zeker van PES of PE (waarvan P, E mogelijk is
Welzijn:
PS: probleem, signs/symptoms
o Je benoemt wat verstaan wordt onder ADL en iADL (LU1).
-ADL-> activiteiten in het dagelijkse leven (bijv. in bad gaan, medicatie innemen)
-IADL -> instrumentele activiteiten dagelijks leven, is planning en inzicht voor nodig (bijv. opvoeden van kinderen, winkelen)
o Je licht toe welke observaties verricht worden bij het ondersteunen van de ADL (LU1).
Hygine/voeding/emotioneel welzijn/fysieke capaciteit/communicatie/omgevingsfactoren
o Je legt de relatie tussen het ontstaan van beperkingen in het ADL-functioneren en verstoringen in de orgaansystemen (LU1).
Beperkingen in het ADL-functioneren zijn vaak gerelateerd aan verstoringen in verschillende orgaansystemen:
1. Bewegingsapparaat: Aandoeningen zoals artritis beperken mobiliteit, waardoor dagelijkse activiteiten moeilijk worden.
2. Zenuwstelsel: Problemen zoals beroertes benvloeden motorische functies en cordinatie, wat het uitvoeren van taken bemoeilijkt.
3. Hart- en Vaatstelsel: Hartproblemen kunnen leiden tot vermoeidheid en kortademigheid, wat de fysieke activiteit beperkt.
4. Ademhalingssysteem: Aandoeningen zoals COPD kunnen ademhaling bemoeilijken, waardoor de activiteit afneemt.
5. Spijsverteringssysteem: Slechte opname van voedingsstoffen kan leiden tot vermoeidheid en een gebrek aan energie voor dagelijkse taken.
6. Psychisch Welzijn: Psychische problemen zoals depressie verminderen motivatie en energie om dagelijkse activiteiten uit te voeren.
o Je legt de begrippen zelfredzaamheid en samenredzaamheid uit (LU1).
Zelfredzaamheid: zonder hulp
Samenredzaamheid: met hulp van het sociale netwerk
o Je benoemt de etiologie en signs en symptoms bij tekort aan zelfredzaamheid (LU1).
Etiologie:
1. Fysieke Beperkingen: Aandoeningen zoals artritis, beroertes of andere chronische ziekten die mobiliteit en kracht benvloeden.
2. Psychische Problemen: Depressie, angst of cognitieve stoornissen die de motivatie en het probleemoplossend vermogen aantasten.
3. Levensomstandigheden: Onvoldoende sociale steun, financile problemen of een onveilige woonomgeving die het zelfstandig functioneren bemoeilijken.
Signs en Symptoms:
1. Moeite met Dagelijkse Activiteiten: Problemen met persoonlijke verzorging, zoals aankleden of douchen.
2. Afhankelijkheid van Anderen: Regelmatig hulp nodig hebben bij het uitvoeren van dagelijkse taken.
3. Verminderde Mobiliteit: Beperkte fysieke activiteit en moeite met verplaatsen.
4. Verlies van Zelfvertrouwen: Onzekerheid over eigen kunnen en angst om alleen te zijn.
o Je benoemt waarom werken aan zelfredzaamheid van belang is en hoe zelfredzaamheid bevorderd wordt (LU1).
Belang: Minder afhankelijk, welzijn, minder verlies van vaardigheden
Bevorderd: training, ondersteuning/begeleiding, aanpassingen leefomgeving, sociale steun
o Je gebruikt verschillende meetinstrumenten om de zelfredzaamheid in kaart te brengen (LU1).
3 hulpmiddelen voor communiceren:
1. Zelfredzaamheidsmeter ->
2. Motiverende gespreksvoering
3. Ecogram (belangrijkste contacten)
o Je stelt verpleegkundige diagnoses op bij tekort aan zelfredzaamheid en risico op vallen volgens de PES/PR-structuur (LU1).
o Je voert een probleemverhelderend gesprek uit met een ander (LU2)
X
o Je hanteert een actieve luisterhouding tijdens het gesprek als onderdeel van je professionele houding (LU2).
X
o Je past elementaire gespreksvaardigheden toe tijdens een gesprek met een ander (LU2).
X
5.2 ABCDE: Circulatie
o Je legt uit hoe de bloeddruk in de bloedvaten ontstaat en hoe het lichaam de bloeddruk reguleert (LU1/LU2)
Ontstaan van de bloeddruk:
Hartwerking: Het hart functioneert als een pomp. Wanneer het samentrekt, stuwt het bloed in de slagaders, wat zorgt voor een toename van de druk (systolische druk). Als het hart ontspant, daalt de druk (diastolische druk).
Elasticiteit van de bloedvaten: Slagaders hebben elastische wanden die kunnen uitzetten en weer terugveren om de druk te dempen die wordt veroorzaakt door het pompen van het hart. Dit zorgt ervoor dat de bloeddruk niet te hoog wordt na elke hartslag.
Weerstand in de bloedvaten: De weerstand die het bloed ondervindt in de kleine bloedvaten (arteriolen) bepaalt mede de bloeddruk. Hoe nauwer de vaten, hoe hoger de weerstand en daarmee de bloeddruk
Regulatie van de bloeddruk:
Zenuwstelsel:
Sympathisch: Verhoogt de bloeddruk door hartslag en vaatvernauwing.
Parasympathisch: Verlaagt de bloeddruk door hartslag te vertragen en vaatverwijding.
Baroreceptoren: Sensoren in de bloedvaten meten veranderingen in de bloeddruk en sturen signalen naar de hersenen om aanpassingen te maken.
Hormonale systemen:
RAAS: Verhoogt de bloeddruk door vasoconstrictie en vochtretentie.
ADH: Vergroot het bloedvolume door meer water terug te absorberen in de nieren.
o Je benoemt de onderliggende fysiologie en pathologie bij een patint met een verstoorde bloedsomloop door decompensatio cordis (=hartfalen) of hartritmestoornissen (LU1)
Bij decompensatio cordis (hartfalen) is het hart niet in staat om voldoende bloed rond te pompen om in de behoeften van het lichaam te voorzien. Dit leidt tot:
- Verminderde pompfunctie
- Vochtophoping
- Verminderde zuurstofvoorziening
Bij hartritmestoornissen is de elektrische geleiding in het hart verstoord, wat kan leiden tot een onregelmatige, te snelle of te trage hartslag:
- Aritmien (verstoren hart door niet effectief te kunnen samenwerken)
- Bloedstolsels
- Hartoutput
o Je legt uit wat de gevolgen zijn van decompemsatio cordis en hartritmestoornissen op het hart en bloedsomloop (LU1).
Gevolgen van decompensatio cordis (hartfalen):
Verminderde pompfunctie: Het hart kan onvoldoende bloed rondpompen, wat leidt tot vermoeidheid en zuurstoftekort in weefsels.
Vochtophoping: Bloed hoopt zich op in de longen (linkszijdig hartfalen) of in de benen en buik (rechtszijdig hartfalen), wat kortademigheid en oedeem veroorzaakt.
Verhoogde hartbelasting: Compensatiemechanismen zoals verhoogde bloeddruk verergeren het probleem.
Gevolgen van hartritmestoornissen:
Inefficinte hartslag: Onregelmatige of te snelle slagen verminderen de hartoutput, wat leidt tot duizeligheid en vermoeidheid.
Bloedstolsels: Aritmien kunnen stolsels veroorzaken, met een verhoogd risico op beroertes.
Hogere belasting op het hart, wat hartfalen kan verergeren.
o Je meet de bloeddruk en de hartfrequentie van een zorgvrager volgens protocol (LU2).
X
o Je benoemt aandachtspunten bij het meten van de bloeddruk en de hartfrequentie van een zorgvrager (LU2).
Bloeddruk
- Rust
- Houding
- Juiste manchetemaat
- Herhaalde metingen
- Tijdstip
o Je interpreteert de metingen t.a.v. de bloeddruk en de hartfrequentie, zodanig dat je vervolgstappen kunt benoemen (LU2).
X
o Je hebt kennis van de anatomie, fysiologie en pathologie van het hart- en vaatstelsel, zodanig dat je kunt onderbouwen waarom het meten van de bloeddruk en hartslag relevant is (LU1/LU2).
Het meten van de bloeddruk en hartslag is relevant omdat deze vitale functies belangrijke indicatoren zijn van de gezondheid van het hart- en vaatstelsel:
Bloeddruk (arterile druk): Dit geeft de kracht aan waarmee het bloed tegen de wanden van de slagaders drukt. Een hoge bloeddruk (hypertensie) verhoogt het risico op hart- en vaatziekten zoals hartfalen, beroerte en nierproblemen, terwijl een te lage bloeddruk (hypotensie) kan leiden tot duizeligheid en flauwvallen.
Hartslag (pols): De frequentie en het ritme van de hartslag geven informatie over de werking van het hart. Een te hoge hartslag (tachycardie) kan wijzen op stress of onderliggende hartproblemen, terwijl een te lage hartslag (bradycardie) kan duiden op hartblok of andere hartaandoeningen.
Samen helpen deze metingen bij het detecteren van afwijkingen in de cardiovasculaire functie en vormen ze een basis voor diagnose, behandeling en monitoring van hart- en vaatziekten.
o Je houdt rekening met lichamelijke integriteit van de zorgvrager als onderdeel van je professionele houding (LU2).
X
o Je maakt op een passende wijze contact met de zorgvrager bij aanvang van de zorgsituatie door jezelf voor te stellen, de handeling toe te lichten en de zorgvrager te instrueren (LU2).
X
o Je hanteert een actieve luisterhouding tijdens de gehele zorgsituatie als onderdeel van je professionele houding (LU2).
X
5.3 Inductief en deductief redeneren
o Je past kennis toe over de anatomie, fysiologie en pathologie van het hart- en vaatstelsel, zodanig dat je passende verpleegkundige diagnoses binnen casustiek vaststelt (LU1).
X
o Je past 360 feedback toe, zodanig dat je jouw eigenschappen en vaardigheden rondom kritisch denken tijdens het werken aan het portfolio evalueert (LU3).
X
o Je herkent inductief en deductief redeneren, veronderstellingen en aannames, zodanig dat je zorgvuldige afwegingen maakt bij het doorlopen van de diagnosefase binnen het verpleegkundig proces (LU3).
Redeneren= denkproces, door gegevens kom je tot een conclusie.
- Inductief Redeneren = Op basis van gegevens komen tot een algemene conclusie die aannemelijk is
Valkuilen inductie:
-niet relevante/te weinig info gebruiken
-Negeren statische info
-vooringenomenheid
-bevestiging zoeken, niet weerlegging
-onvoldoende afweging van alternatieve
-overschatten zekerheid conclusie
-conclusie als vast bestaand gegeven beschouwen
Aanname- iets waar je vanuit gaat zonder het zeker te weten.
5.4: ABCDE: Circulatie
o Je onderbouwt waarom het meten van de vitale functies en het toepassen van een reanimatie relevant is op basis van de anatomie, fysiologie en pathologie van het circulatiestelsel (LU1/LU2)
Het meten van vitale functies (bloeddruk, hartslag, ademhaling) is belangrijk omdat afwijkingen kunnen wijzen op problemen in de bloedsomloop, zoals shock, hartritmestoornissen of ademhalingsproblemen, die de zuurstoftoevoer naar organen benvloeden.
Reanimatie is cruciaal bij een hartstilstand, omdat het kunstmatig de bloedcirculatie op gang houdt en zo voorkomt dat vitale organen, vooral de hersenen, beschadigd raken door zuurstoftekort. Dit zorgt voor een grotere overlevingskans totdat het hart weer zelfstandig kan pompen.
o Je benoemt aandachtspunten bij het meten van vitale functies en reanimatie van een zorgvrager (LU2).
Hygine/juiste techniek/comfort zorgvrager/observeren veranderingen/communicatie/reanimatie procedures/documentatie
o Je interpreteert de metingen t.a.v. de vitale functies, zodanig dat je vervolgstappen kunt benoemen (LU2).
X
o Je voert een reanimatie en de metingen van de vitale functies uit bij een zorgvrager volgens protocol (LU2).
X
o Je voert een probleemverhelderend gesprek uit met een zorgvrager (LU2).
X
o Je maakt op een passende wijze contact met de zorgvrager bij aanvang van de zorgsituatie door jezelf voor te stellen, de handeling toe te lichten en de zorgvrager te instrueren (LU2).
X
o Je hanteert een actieve luisterhouding tijdens de gehele zorgsituatie als onderdeel van je professionele houding (LU2).
X
6.1 prognose
o Je neemt een anamnese af volgens de gezondheidspatronen van Gordon, zodanig dat je een compleet beeld krijgt van de situatie van de zorgvrager (LU1 & LU2).
X
o Je benoemt de signs and symptoms en etiologie van verstoord bewustzijn en geheugenstoornissen, zodanig dat je dit herkent in casustiek (LU1).
Signs and Symptoms:
1. Verstoord bewustzijn:
- Verminderde alertheid of aandacht.
- Desorintatie in tijd, plaats of persoon.
- Verlies van bewustzijn, wat kan variren van flauwvallen tot coma.
- Veranderingen in gedrag, zoals verwarring of onduidelijke spraak.
2. Geheugenstoornissen:
- Moeite met het onthouden van recente gebeurtenissen (kortetermijngeheugen).
- Verlies van langetermijnherinneringen.
- Herhaaldelijk vragen stellen over dezelfde informatie.
- Problemen met het leren van nieuwe informatie.
o Je stelt verpleegkundige diagnoses op bij bewustzijns- en geheugenstoornissen volgens de PES-structuur (LU1).
o Je hebt kennis van het stellen van een prognose, zodanig dat je weet waarom prognoses belangrijk zijn om tot resultaten te komen (LU1).
Prognose= voorspelling van hoe een bepaald gezondheidsprobleem waarschijnlijk afloopt -> nooit helemaal zeker
->Prognostische factor: oefent invloed uit op het gezondheidsprobleem als het er al is.
->etiologische factor: oefent invloed uit op het ontstaan van het gezondheidsprobleem. Veroorzaakt (mede) het gezondheidsprobleem
->risicofactor: oefent invloed uit op het ontstaan van het gezondheidsprobleem. Vergroot het risico op het ontstaan van gezondheidsproblemen.
o Je weet op welke manier je een prognose stelt met behulp van resultaatklasses (LU1).
Resultaatklasse
- preventie (risicodiagnose, zal waarschijnlijk niet voorkomen)
- Herstel/oplossen (gezondheidsprobleem zal helemaal verdwijnen)
- Verbetering (niet meer helemaal te verbeteren)
- Remissie en her optreden (tijdelijk weg maar komt waarschijnlijk weer terug)
- Stabilisatie (optimaal haalbare resultaat is dat het niet zal verslechtere)
- Verslechtering (zal alleen maar erger worden)
-
o Je stelt prognoses op bij een diagnose die gericht is op verstoord bewustzijn en geheugenstoornissen (LU1).
X
o Je weet wat een voorlichting inhoudt inclusief de opbouw hiervan (LU2).
Voorlichting is het geven van informatie aan een doelgroep over een specifiek onderwerp, met als doel bewustwording of gedragsverandering.
De opbouw van een voorlichting bestaat meestal uit:
1. Inleiding: Introduceer het onderwerp en trek de aandacht van het publiek.
2. Kern: Presenteer de belangrijkste informatie, vaak in subonderdelen, met ondersteunende materialen.
3. Praktische tips: Geef nuttige tips of aanbevelingen die toepasbaar zijn voor de doelgroep.
4. Conclusie: Samenvatten van de belangrijkste punten en een oproep tot actie.
5. Vragen en antwoorden: Ruimte voor het publiek om vragen te stellen en onduidelijkheden te bespreken.
o Je onderbouwt waarom een voorlichting de passende methodiek is in een casus (LU2).
Een voorlichting is een passende methodiek in een casus omdat het gericht is op het informeren en bewustmaken van een specifieke doelgroep.
o Je geeft voorlichting aan een zorgvrager en/of diens naasten over verstoord bewustzijn (LU2).
X
o Je hanteert een actieve luisterhouding tijdens het gesprek als onderdeel van je professionele houding (LU2).
X
o Je past elementaire gespreksvaardigheden toe tijdens een gesprek met een ander (LU2).
X
6.2: ABCDE: Bewustzijn
o Je beschrijft de bouw en functie van de hersenen (LU1).
Hersenen hebben 3 verschillende lagen
- Primitieve laag-> automatische functies, fysieke bewegingen, scannen van omgeving, instinkt
- Laag voor emoties-> emoties komen hier los gevoelen
- Laag voor denken -> herinneringen, plannen, communiceren, oplossingen bedenken, hoop ambities
Werken samen om ons in leven te houden en doelen te behalen.
Opgebouwd uit neuronen. Verbindingen tussen neuronen die niet worden gebruikt worden gesnoeid, andere juist verstevigd.(efficinter)
Prefrontale cortex; structuur in brein die laat nog aan het rijpen is
Neuroplasticiteit; brein blijft zich aan passen aan nieuwe info en ervaringen
Geheugen: sensorisch-, werkt- en langertermijngeheugen.
verstoord bewustzijn is ingedeeld in drie gradaties.
Een (licht) verminderd bewustzijn; neemt zintuigelijk minder waar
Lichte bewusteloosheid; niet bij bewustzijn
Bewusteloosheid/coma. Reageert zelfs niet na pijn
Focus van educatie en voorlichting ligt op het houden aan adviezen voorgeschreven medicatie
->compliance; korte termijn, adherence; lange termijn
Technische informatie= beschrijving van gegevens
Beleveningsinformatie= patint geeft beeld in wat hij ziet, hoort, voelt, ruikt, proeft
Procedure informatie= gaat over agenda van de patint
In centrale zenuwstelsel staan neuronale axonen bekend als vezels of banen en neuronale cellichamen kernen.
In periferie zenuwstelsel staan gebundelde axonen bekend als zenuwen en neuronale cellichamen ganglia.
Periferie zenuwstelsel:
-somatosensorische deel; detecteert stimuli op en in het lichaam.
-viscerosensorische deel; waarnemen en doorgeven van sensorische info vanuit borst-/buikorganen
-somatomotorische deel; overdracht van bewegingssignalen van CZS naar skeletspieren
-visceromotorische deel; =autonome zenuwstelsel, aansturing van lichaamsklieren, gladde spieren, hartspier en buikorgaan
Autonome zenuwstelsel
-sympatische zenuwstelsel; bv. Verhoging bloeddruk, hartslag en ademhalingsfrequentie
-parasympatische zenuwstelsel; bv. Bevorderd spijsvertering en verlaagt hartslag en bloeddruk
o Je legt de onderdelen van de anatomische en functionele indeling van het zenuwstelsel uit (LU1).
Anatomische indeling:
1. Centraal zenuwstelsel (CZS): Bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg. Dit deel verwerkt informatie en cordineert lichaamsfuncties.
2. Perifeer zenuwstelsel (PZS): Bestaat uit alle zenuwen buiten het CZS. Het PZS verbindt het CZS met de rest van het lichaam, zoals spieren en organen.
Functionele indeling:
1. Somatisch zenuwstelsel: Regelt bewuste, vrijwillige bewegingen van skeletspieren en de waarneming van zintuiglijke prikkels (zoals aanraking, pijn).
2. Autonoom zenuwstelsel (AZS): Regelt onbewuste, automatische processen zoals hartslag, ademhaling en spijsvertering. Het bestaat uit:
o Sympathisch zenuwstelsel: Activeert het lichaam bij stress ("vecht-of-vluchtreactie").
o Parasympathisch zenuwstelsel: Bevordert rust en herstel ("rust-en-verteerreactie").
o Je benoemt de functies en kenmerkende verschillen tussen animaal en autonoom zenuwstelsel (LU1).
Animaal zenuwstelsel (somatisch zenuwstelsel):
Functie: Regelt bewuste en vrijwillige bewegingen van de skeletspieren en de verwerking van zintuiglijke informatie (zoals aanraking, pijn, temperatuur).
Kenmerken:
Bewuste controle over spieren.
Betrokken bij zintuiglijke waarneming.
Snelle, directe reacties op externe prikkels.
Autonoom zenuwstelsel (vegetatief zenuwstelsel):
Functie: Stuurt onbewuste, automatische lichaamsfuncties aan zoals ademhaling, hartslag en spijsvertering.
Kenmerken:
Geen bewuste controle.
Verdeeld in sympathisch (activeert lichaam bij stress) en parasympathisch (bevordert rust en herstel).
Reguleert interne processen zonder dat we ons daarvan bewust zijn.
o Je benoemt de fysiologie en pathologie van een delier en legt uit hoe dit kan leiden tot een verstoord bewustzijn bij een patint (LU1).
Fysiologie van een delier:
Een delier is een acute verstoring van het bewustzijn en de cognitieve functies, vaak veroorzaakt door een lichamelijke aandoening, medicatie, infecties of veranderingen in de omgeving. Het wordt gekenmerkt door een veranderde hersenfunctie, waarbij neurotransmitters zoals acetylcholine en dopamine uit balans raken. Dit leidt tot een verstoorde communicatie tussen verschillende hersengebieden.
Pathologie van een delier:
Oorzaken: Infecties, elektrolytstoornissen, medicatiebijwerkingen, operaties, uitdroging of onderliggende neurologische aandoeningen.
Risicogroepen: Ouderen, patinten met dementie of ernstig zieke personen.
Verstoord bewustzijn:
Bij een delier kunnen patinten een wisselend bewustzijnsniveau ervaren, van hyperactief (agitatief, verward) tot hypoactief (suf, apathisch). Ze hebben vaak moeite met aandacht, orintering en denken. De verstoring van neurotransmitters en hersenfuncties leidt tot desorintatie, hallucinaties, en verwarring, wat het bewustzijn van de patint sterk benvloedt.
o Je benoemt de fysiologie en pathologie van dementie, hoe vaak het voorkomt, welke vormen van dementie er zijn en welke factoren van invloed zijn op het ontstaan van dementie (LU1).
Fysiologie van dementie:
Dementie is een verzamelnaam voor aandoeningen die de hersenen beschadigen, wat leidt tot een geleidelijke achteruitgang van cognitieve functies, zoals geheugen, denken en orintatie. De hersencellen sterven af of functioneren niet goed, wat het vermogen van de hersenen om informatie te verwerken verstoort.
Pathologie van dementie:
Kenmerken: Progressief verlies van cognitieve functies, gedragsveranderingen en uiteindelijk verlies van zelfstandigheid.
Hersenschade: Neuronen raken beschadigd door bijvoorbeeld eiwitophopingen (zoals amylode plaques en tau-kluwens bij Alzheimer), verminderde bloedtoevoer (zoals bij vasculaire dementie) of andere neurodegeneratieve processen.
Voorkomen van dementie:
Wereldwijd lijden ongeveer 55 miljoen mensen aan dementie, en dit aantal neemt toe door vergrijzing.
In Nederland zijn er ongeveer 290.000 mensen met dementie (2023), en dit aantal zal naar verwachting verdubbelen in de komende 20-30 jaar.
Vormen van dementie:
1.Ziekte van Alzheimer: De meest voorkomende vorm (ongeveer 60-70%). Gekenmerkt door eiwitophopingen in de hersenen die leiden tot geheugenverlies en cognitieve achteruitgang.
2.Vasculaire dementie: Ontstaat door schade aan de bloedvaten in de hersenen, vaak na beroertes of door chronische vaatziekten. Geeft meer problemen met denken dan geheugen.
3.Frontotemporale dementie: Veroorzaakt door schade aan de frontale en temporale lobben, vaak met gedragsveranderingen en problemen met taal.
4.Lewy-body dementie: Gekenmerkt door ophoping van abnormale eiwitten (Lewy bodies) in de hersencellen, wat leidt tot hallucinaties, trager denken en motorische problemen.
Factoren die invloed hebben op het ontstaan van dementie:
Leeftijd/Genetische aanleg/Leefstijl/Vasculaire risicofactoren/Hoofdletsel
6.3 PES/prognose
o Je past kennis toe over AFP, zodanig dat je kan beredeneren wat de prognose is bij een verpleegkundige diagnose binnen casustiek. (hetzelfde als 6.1) (LU1)
X
o Je benoemt welke kritische overwegingen een rol spelen bij het opstellen van de prognose, zodanig dat je tot een passende prognose komt binnen het verpleegkundig proces (LU1 & LU3).
Diagnose en ernst van de aandoening, leeftijd en algemene gezondheidstoestand, risicofactoren en leefstijl, therapie en behandelopties, ondersteuning en omgeving, patintvoorkeuren en zorgdoelen
6.4: ABCDE: bewustzijn / environment
o Je past de ABCDE-systematiek toe bij een zorgvrager, zodanig dat de vitale functies van de patint systematisch in kaart gebracht worden (LU2).
X
o Je hebt kennis van de Disability en Environment als onderdeel van de ABCDE methodiek (LU1/LU2).
Disability focust op de neurologische status van de patint, terwijl Environment/Exposure een volledige fysieke inspectie en omgevingsfactoren meeneemt in de beoordeling.
o Je hebt kennis van de anatomie, fysiologie en pathologie van het zenuwstelsel, zodanig dat je kunt onderbouwen waarom het observeren van bewustzijn relevant is (LU1/LU2).
Anatomie en fysiologie van het zenuwstelsel:
Het zenuwstelsel bestaat uit het centraal zenuwstelsel (CZS) en het perifeer zenuwstelsel (PZS). Het CZS, bestaande uit de hersenen en het ruggenmerg, reguleert de verwerking van informatie en controleert bewuste functies zoals denken en bewustzijn, evenals onbewuste lichaamsprocessen.
Hersenschors (cortex): Verantwoordelijk voor bewuste gedachten, zintuiglijke waarneming en complexe bewegingen.
Hersenstam en ruggenmerg: Regelen onbewuste functies zoals ademhaling, hartslag en reflexen.
Pathologie van het zenuwstelsel:
Aandoeningen zoals een beroerte, hersentrauma, infecties (bijv. meningitis), of neurodegeneratieve ziekten (zoals Alzheimer) kunnen leiden tot verstoringen in het bewustzijn doordat ze hersenstructuren aantasten die betrokken zijn bij waarneming, cognitie of de regulatie van vitale functies.
Relevantie van bewustzijnsobservatie:
Het observeren van het bewustzijn is cruciaal omdat veranderingen in bewustzijn vaak een eerste teken zijn van ernstige neurologische aandoeningen. Het kan wijzen op problemen zoals:
Hersenletsel of beroerte: Verminderd bewustzijn of coma kan duiden op een beschadiging van hersenweefsel.
Infecties of metabole stoornissen: Verwardheid of lethargie kan optreden bij infecties zoals meningitis of bij stofwisselingsproblemen zoals hypoglykemie.
Intoxicatie: Bewustzijnsveranderingen door drugs, alcohol of medicatie.
o Je observeert het bewustzijn van de zorgvrager a.d.h.v. de Glasgow Coma Scale en pupilcontrole, zodanig dat de gegevens op een juiste manier genterpreteerd worden (LU2).
o Je hebt kennis van de anatomie, fysiologie en pathologie van het afweersysteem, zodanig dat je kunt onderbouwen waarom het meten van een lichaamstemperatuur relevant is (LU1/LU2).
Anatomie en fysiologie van het afweersysteem:
Het afweersysteem bestaat uit het aangeboren (niet-specifieke) en verworven (specifieke) immuunsysteem. Het beschermt het lichaam tegen infecties door ziekteverwekkers (zoals bacterin en virussen) te herkennen en aan te vallen.
Aangeboren immuunsysteem: Reageert snel en omvat barrires zoals de huid, ontstekingsreacties en cellen zoals macrofagen.
Verworven immuunsysteem: Wordt geactiveerd na blootstelling aan specifieke pathogenen en omvat B- en T-lymfocyten die antistoffen produceren en genfecteerde cellen aanvallen.
Pathologie van het afweersysteem:
Bij infecties of ontstekingen treedt vaak een ontstekingsreactie op waarbij het lichaam warmte produceert, wat kan leiden tot koorts. Ziekten zoals auto-immuunziekten, immuundeficinties of infecties (bijv. bacterile, virale of schimmelinfecties) benvloeden de functie van het afweersysteem en kunnen abnormale temperatuurveranderingen veroorzaken.
Relevantie van het meten van lichaamstemperatuur:
Het meten van de temperatuur is cruciaal omdat een verhoogde lichaamstemperatuur (koorts) vaak een vroeg symptoom is van een infectie of ontsteking. Koorts is een indicatie dat het afweersysteem actief is in de bestrijding van ziekteverwekkers. Afwijkingen in temperatuur kunnen wijzen op:
- Infecties: Bacterile of virale infecties kunnen koorts veroorzaken.
-Ontstekingsreacties: Auto-immuunziekten of andere ontstekingsprocessen leiden vaak tot temperatuurverhoging.
-Shock of sepsis: Abnormaal lage of hoge lichaamstemperaturen kunnen een teken zijn van ernstige systemische infecties of ontstekingsreacties.
o Je legt uit hoe het lichaam de temperatuur regelt (LU1).
Het lichaam regelt de temperatuur via de hypothalamus in de hersenen, die fungeert als de "thermostaat" van het lichaam.
1. Warmteproductie:
o Spieren: Bij rillen (koude) genereren spieren warmte door samentrekkingen.
o Stofwisseling: Het lichaam verhoogt de stofwisselingsactiviteit om meer warmte te produceren.
2. Warmteverlies:
o Zweetproductie: Bij warmte produceert de huid zweet, dat verdampt en het lichaam afkoelt.
o Vasodilatatie: De bloedvaten in de huid verwijden zich, waardoor meer warmte via de huid wordt afgegeven.
3. Warmtebehoud:
o Vasoconstrictie: Bij kou vernauwen de bloedvaten in de huid om warmteverlies te minimaliseren.
o Gedragsaanpassingen: Mensen trekken warme kleding aan of zoeken beschutting bij kou, en lichte kleding of schaduw bij warmte.
Feedbackmechanisme:
De hypothalamus ontvangt signalen van temperatuursensoren in de huid en het lichaam. Als de temperatuur te hoog of te laag is, stuurt de hypothalamus signalen om de hierboven genoemde mechanismen in gang te zetten en de lichaamstemperatuur te herstellen naar de normale waarde (ongeveer 37C).
o Je meet de lichaamstemperatuur a.d.h.v. een thermometer bij de zorgvrager (LU2).
X
o Je interpreteert verzamelde gegevens over de vitale functies, zodanig dat je vervolgstappen kunt benoemen (LU2).
X
o Je past de stabiele zijligging toe bij een zorgvrager, zodanig dat de luchtwegen bij een bewusteloos zorgvrager vrij wordt gehouden (LU2).
X
o Je past buik- en rugstoten toe bij een zorgvrager die zich verslikt, zodanig dat de luchtweg vrijgemaakt kan worden (LU2).
X
o Je houdt rekening met lichamelijke integriteit van de zorgvrager als onderdeel van je professionele houding (LU2).
X
o Je maakt op een passende wijze contact met de zorgvrager bij aanvang van de zorgsituatie door jezelf voor te stellen, de handeling toe te lichten en de zorgvrager te instrueren (LU2).
X
o Je hanteert een actieve luisterhouding tijdens de gehele zorgsituatie als onderdeel van je professionele houding (LU2).
X
7.1: Doorlopen verpleegkundig proces
o Je neemt een anamnese af volgens de gezondheidspatronen van Gordon, zodanig dat je een compleet beeld krijgt van de situatie van de zorgvrager (LU1).
X
o Je benoemt de kenmerken van een bipolaire stoornis type 1 en 2 (LU1).
-Bipolaire stoornis type 1: Wordt gekenmerkt door minstens n manische episode, waarbij de stemming extreem verhoogd is, met energiek gedrag, prikkelbaarheid, en soms psychotische symptomen. Depressieve episoden kunnen ook voorkomen, maar zijn niet noodzakelijk voor de diagnose.
-Bipolaire stoornis type 2: Wordt gekenmerkt door minstens n hypomane episode (een mildere vorm van manie) en minstens n depressieve episode. Er treden geen volledige manische episoden op.
Bij beide types wisselen deze stemmingsperiodes zich af met stabiele periodes, maar de ernst van de manie en de aanwezigheid van depressieve episoden verschillen.
o Je benoemt de etiologie en signs en symptoms bij manische klachten en van depressie (LU1).
Etiologie van bipolaire stoornissen:
Genetische aanleg: Erfelijkheid speelt een belangrijke rol.
Neurochemische factoren: Verstoringen in neurotransmitters (zoals serotonine, dopamine).
Omgevingsfactoren: Stressvolle levensgebeurtenissen en traumas.
Biologische klok: Verstoorde slaap-waakcyclus kan bijdragen.
Signs en symptoms van manie:
Signs: Hyperactiviteit, snelle spraak, grootheidsideen, weinig slaap.
Symptoms: Euforie, prikkelbaarheid, impulsief gedrag, slecht beoordelingsvermogen.
Signs en symptoms van depressie:
Signs: Verminderde activiteit, vertraagde spraak, vermoeidheid.
Symptoms: Somberheid, verlies van interesse, schuldgevoelens, gedachten aan dood of zelfmoord.
o Je benoemt de etiologie en signs en symptoms bij eenzaamheid en stemmingsstoornissen (LU1).
Etiologie van eenzaamheid:
Sociaal isolement: Gebrek aan sociale contacten of hechte relaties.
Levensveranderingen: Verlies van een partner, werkloosheid, verhuizing.
Psychologische factoren: Angst, depressie of laag zelfbeeld kunnen mensen isoleren.
Culturele factoren: Verhuizen naar een nieuwe omgeving of cultuur.
Signs en symptoms van eenzaamheid:
Signs: Terugtrekking uit sociale activiteiten, passiviteit, gebrek aan interesse in relaties.
Symptoms: Gevoelens van leegte, verdriet, angst, laag zelfbeeld, piekeren.
Etiologie van stemmingsstoornissen (zoals depressie):
Genetische aanleg: Erfelijkheid speelt een rol.
Neurochemische onbalans: Verstoringen in neurotransmitters zoals serotonine.
Stress en trauma: Negatieve levensgebeurtenissen, verlies, misbruik.
Biologische factoren: Hormonale schommelingen, slaapstoornissen.
Signs en symptoms van stemmingsstoornissen:
Signs: Verminderde energie, verminderde spraak, verminderde concentratie.
Symptoms: Somberheid, verlies van interesse of plezier, slaapproblemen, sucidale gedachten.
o Je stelt verpleegkundige diagnoses op bij eenzaamheid en stemmingsstoornissen volgens de PES-structuur (LU1).
Voorbeelden
o Je stelt prognoses op bij een diagnose die gericht is op eenzaamheid en stemmingsstoornissen (LU1). (van de vorige PESs)
Prognose bij eenzaamheid:
Met sociale steun en activatie kan eenzaamheid verbeteren. Zonder interventie kan het verergeren en leiden tot depressie of gezondheidsproblemen.
Prognose bij stemmingsstoornissen (zoals depressie):
Met behandeling (zoals therapie en medicatie) kan herstel optreden. Zonder hulp kan de depressie verergeren en leiden tot langdurige problemen of sucide.
o Je hebt kennis van de resultaatfase, zodanig dat je weet waarom deze fase van belang is (LU1).
SMART geformuleerd resultaat. Worden de van te voren opgedane info in verwerkt.
o Je weet hoe je verpleegkundige resultaten opstelt volgens de SMART methodiek (LU1).
Specifiek-> waarneembaar gedrag / resultaat.
Meetbaar-> vergelijking met procedures, kwaliteitseisen, meetgetallen en normen.
Acceptabel-> haalbaar voor de zorgvrager, draagvlak om het resultaat te behalen.
Realistisch-> inspanningen die geleverd worden om het resultaat te bereiken ligt niet te . hoog/laag, inspanning in verhouding met het resultaat.
Tijdgebonden-> eind/tussen data.
o Je stelt verpleegkundige resultaten op die gericht zijn op eenzaamheid en stemmingsstoornissen (LU1). (van de vorige PESs en prognose)
Resultaten bij eenzaamheid:
De zorgvrager zal aankomende 4 weken deelnemen aan minimaal 2 sociale activiteiten per week zodat de zorgvrager na de 4 weken meer sociaal netwerk heeft en minder eenzaam is.
Resultaten bij stemmingsstoornissen (zoals depressie)
De zorgvrager gaat in de aankomende 4 weken elke week minstens 2 keer in gesprek met een verpleegkundige over zijn/haar gevoelens enzovoort om het gevoel van depressie te verminderen.
o Je geeft voorlichting aan een zorgvrager en/of diens naasten over stemmingsstoornissen (LU2).
Voorlichting over stemmingsstoornissen:
Stemmingsstoornissen, zoals depressie en bipolaire stoornissen, benvloeden de emoties en het dagelijks functioneren. Symptomen kunnen variren van somberheid en vermoeidheid tot extreme stemmingswisselingen.
Belangrijke punten voor de zorgvrager en naasten:
Herken de symptomen: Somberheid, prikkelbaarheid, slaapstoornissen, verlies van interesse.
Behandeling: Kan bestaan uit medicatie (zoals antidepressiva), therapie (zoals cognitieve gedragstherapie), en leefstijlaanpassingen (regelmatige slaap, voeding).
Ondersteuning: Een stabiele en steunende omgeving is cruciaal. Help met structuur en emotionele steun.
Bij twijfel, hulp zoeken: Tijdig ingrijpen kan ernstige gevolgen voorkomen. Blijf in contact met zorgverleners voor evaluatie en aanpassingen in de behandeling.
o Je hanteert een actieve luisterhouding ti
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag