Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Tussendoelen voor beginnende geletterdheid:
Boekorintatie: Kinderen maken kennis met boeken en geschreven taal. Kan ook verwijzen naar het zich orinteren op een specifiek boek door de kaft te bekijken, te praten over de titel enz.
Verhaalbegrip: Begrijpt de leerling het verhaal?
Relaties tussen gesproken en geschreven taal
Functies van geschreven taal
Taalbewustzijn
Alfabetisch principe
Functioneel lezen en schrijven (Lijstjes, briefjes maken, zelfstandig (prenten)boekjes lezen.)
Technisch lezen en schrijven
Begrijpend lezen en schrijven
Objectivatie: Het maken van taal tot object van het denken.
Klankzuivere woorden: Een woord dat precies volgens fonologisch principe geschreven wordt. (maan, kip, moet).
Leesrichting: De manier waarop we van links naar rechts lezen in Nederland.
Visuele discriminatie: Letters van elkaar kunnen onderscheiden. (Deelvaardigheid in het proces van het leren lezen).
Teken klankkoppeling: Letters leren verklanken.
Auditieve synthese: Verklankte letters in de juiste volgorde plakken tot een woord.
Fonologisch bewustzijn: Het kunnen omgaan met klanken. (Rijmen, opsplitsen van woorden in lettergrepen/ hakken, verbinden van lettergrepen/plakken.)
Fonemisch bewustzijn: Kinderen zijn in staat om eenlettergrepige woorden in afzonderlijke klanken op te delen.
Grafemen: Letter, kleinste deel van een woord!
Fonemen: Die verwijst naar een verzameling klanken die alle dezelfde betekenis-onderscheidende functie hebben.
Rijke leesomgeving voor groep 1/2:
Materieel:
Leeshoek.
Themahoek.
Lettermuur.
Verteltafel.
Prikbord.
Woordstroken.
Pictogrammen.
Immaterieel:
Leerkracht wekt belangstelling.
Lezen en erover vertellen.
Strategien voordoen.
Gesprekken voeren over boeken.
Kinderen aanmoedigen boeken mee te nemen en erover te vertellen.
Rijke leesomgeving voor groep 3/4:
Groot aanbod van boeken.
Leeshoek.
Voorlezen.
Onderzoekhoeken.
Leerkracht is alert op mondeling/schriftelijk taalgebruik v.d. leerlingen.
Vrij lezen.
Informatieve boeken en teksten ook aanwezig.
Inspelen op de nieuwsgierigheid v.d. leerlingen.
Wat bevordert de leesmotivatie:
Vrij mogen lezen. (Je eigen boek mogen kiezen om te lezen.).
Leesomgeving. (fijne sfeer, groot aanbod).
Lezen voor een doel.
Hoofdstuk 8: Woordenschat:
8.1.1: Wat verstaan we onder woordenschat?
Passieve/receptieve woordkennis: De woorden die we begrijpen.
Actieve/productieve woordkennis: De woorden we zelf gebruiken.
Woordrelatieschemas:
Woordparachute: 1 woord en daaronder allemaal woorden die erbij passen. (Bijv. zwemkleding: bikini, zwembroek, badpak, zwembril, snorkel.)
Woordkast: Twee tegenovergestelden. (bijv. grote en kleine voorwerpen.)
Woordweb: 1 woord in het midden en eromheen wat er bij past.
Woordtrap: Van klein naar groot. (bijv. fluisteren, praten, roepen, schreeuwen.
8.1.2: vormaspecten:
Enkelvoudige woorden: (vrije morfemen) , Die een eigen basisvorm hebben. (brood, geluk, mobiel, dus, gaan.).
Samenstellingen: Woorden die voor komen als delen die ook zelf als woord voor kunnen komen. (bijv. brood-rooster, tafel-poot.).
Afleidingen: Bestaan uit een woord met een affix (aanplaksel, voorvoegsel, achtervoegsel). (on-juist, pracht-ig, natuur-lijk.).
Uitgangen volgens een vervoegingssyteem: Bij werkwoorden: werk-t, ge-wan-deld.
Uitgangen volgens een verbuigingssyteem: Bij bijv. naamwoorden. (mooi-e, leuk-st, onduidelijk-e) en voornaamwoorden: (ons-onze, dit-deze.).
Idiomatisch taalgebruik: uitdrukkingen, spreekwoorden en gezegden.
8.1.3: Betekenisaspecten:
Label: De naam die je aan een voorwerp geeft.
Concept: Hoe je het voorwerp beschrijft.
Er zijn verschillende betekenisaspecten hieronder volgen enkele voorbeelden:
Concreet VS abstract: Bij Concrete woorden is de inhoud te koppelen aan een visueel beeld. (Zoals stoel, lopen, het weer.) Abstracte woorden zijn woorden die je niet vast kunt pakken (zoals verdriet, geluk, liefde.)
Letterlijk VS figuurlijk: Letterlijk is wat er echt bedoeld wordt, figuurlijk = te herleiden aan de letterlijke betekenis maar is niet reel.
Inhoudswoorden VS functiewoorden: Voorbeelden van inhoudswoorden zijn: zwemmen en lopen, deze kan je opzoeken in een woordenboek. Functiewoorden geven relaties aan tussen zinnen. (grammaticale betekenis).
Dagelijkse woorden VS schooltaalwoorden en vaktaalwoorden: In de omgangstaal worden vooral dagelijkse woorden gebruikt. Onder schooltaal verstaan we talige elementen die voornamelijk op school gebruikt worden op te leren.
8.1.5: Woordenschatopbouw: vorm/betekenis:
De relatie tussen vorm en betekenis is toevallig. Behalve bij afleidingen, verbuigingen en vervoegingen.
8.1.6: Het mentale Lexicon:
Woorden worden opgeslagen in netwerken van woorden die op de een of andere manier bij elkaar passen. Mentale lexicon zo worden ze opgeslagen in ons geheugen.
Het mentale lexicon maakt deel uit van ons lange termijngeheugen.
Verbreden: Steeds meer nieuwe woorden en grote variatie aan contexten komen erbij.
Verdiepen: Steeds meer betekenisverbindingen bij een bepaald woord: (bijv. het woord kip: hierbij denk ik aan broeden, eieren, haan, toktok, plofkippen, kuikentjes.)
Soorten informatie in het mentale lexicon:
Semantisch: De betekenis van het woord.
Akoestisch: Geluiden, hoe je iets hoort. (fonologisch: klanken).
Morfologisch: Verbuigingen en vervoegingen.
Syntactisch: Hoe het woord wordt gebruikt in een zin.
Pragmatisch: In welke situaties je het woord gebruikt.
Orthografisch: Hoe het woord geschreven moet worden.
8.1.7: Woordenschatverwerving:
Ontwikkeling van de woordenschat:
Kinderen leren woorden begrijpen:
Derde levensjaar = opname van woorden het grootst.
Kind dat op de basisschool komt begrijpt ongeveer 3350 woorden en gebruikt er 2150.
Wanneer een kind gelijktijdig twee talen leert, kan de woordenschat zich in beide talen even snel ontwikkelen.
Er wordt een grote groeispurt gezien rond het 9de jaar. De kinderen hebben dan het lezen geautomatiseerd. Zaakvakken worden ook aangeboden.
Aan einde van de basisschool kunnen Nederlandse kinderen ongeveer 17.000 woorden en anderstaligen 9800.
Ruime woordenschat is van groot belang voor alle domeinen van taal.
8.1.8: Uitbreiding van de woordenschat:
Intentioneel woordenschatonderwijs: Als het leren van woorden het expliciete doel is. Doelbewust en gestructureerd.
Incidenteel woordenschatonderwijs: Als leerlingen in of buiten de leersituatie spontaan nieuwe woorden leren, per ongeluk dus eigenlijk!
De factoren om zelf geschikte woorden te vinden voor je leerlingen:
Frequentie
Nut
Context
De didactische fasen van de viertakt:
Voorbewerken: context voor de aan te leren woorden. Onderdeel hiervan is:
Aanbieden: Nieuwe woorden worden aangeboden in clusters.
Semantiseren: 3 uitjes uitbeelden, uitleggen en uitbreiden.
Consolideren: Activiteiten waarbij de leerlingen oefenen met de woorden.
Controleren: Tussentijdse observaties en controle-opdrachten.
Leren over woorden hoort bij het onderdeel van de taalbeschouwing.
De 4 strategien om woordbetekenissen te achterhalen:
Woorden analyseren
Gebruik van non- verbale en verbale context
Gebruik van een bron
Letten op overeenkomsten
De 3 strategien om woordbetekenis te onthouden:
Herhalen/ opschrijven
Ophalen uit het geheugen, waar denk je erbij aan?
Woord produceren
Voorbeelden om een rijke leeromgeving te maken:
- Woordwebben
- Woordenboeken
- Aandachtstafel
- Voorlezen
- Interactief voorlezen in de kring
- Veel gevarieerde werkvormen
De verschillende manieren om prestaties van leerlingen te beoordelen:
Methode gebonden toetsen:
- Meet in hoeverre de leerling de woorden kent die aangeboden zijn
- Mondeling of schriftelijke toets.
Niet- methode gebonden toetsen:
- Dienen om het niveau van de leerling vast te stellen, bijv. als je leerlingen van dezelfde leeftijd gaat vergelijken met elkaar.
Observaties:
- Woordkennis, diepere woordkennis, gebruik van de aangeleerde strategien en houding ten opzichte van het leren van nieuwe woorden.
- Gebruik van observatieformulieren.
Hoofdstuk 10: Jeugdliteratuur:
10.1.1: Waarom boeken lezen?
Waarom is lezen belangrijk?
Je doet kennis op van de wereld.
Je vergoot je taalontwikkeling.
Je leert je inleven in andere culturen en mensen.
Je ontwikkelt zelfreflectie.
10.1.2: Door de eeuwen heen:
Ontwikkeling van de jeugdliteratuur:
Rond de 18e eeuw kwam de jeugdliteratuur op met stichtelijke en moralistische kinderboekjes scheiding tussen boeken voor volwassenen en kinderen.
In de 19e eeuw gaan ook professionele schrijvers aan de slag. Voorbeelden hiervan zijn historische boeken maar ook boeken zoals Pinoccio en dik trom.
Na de 2e wereldoorlog neemt de jeugdliteratuur een grote vlucht de stijl wordt scherper en kunstiger.
Door middel van welke aspecten kan je een volwassene boek onderscheiden van een kinderboek?
Woordkeuze.
Zinsbouw.
Vertelperspectief.
Tijd.
Thematiek
De toepassing van de illustraties.
Bij kinderboeken is er vaak een alwetende verteller.
Hoe worden genres ingedeeld?
Genres worden ingedeeld op basis van:
Thema
Woord en beeld
Doelstelling
Vorm
Klassieke kinderboeken: Voorbeelden hiervan zijn pluk van de petteflet, Jip en Janneke, Sjakie en de chocoladefabriek.
Historische kinderboeken: Hierin speelt de geschiedenis een belangrijke rol. Het hoeft niet volledig waar te zijn maar wel voor het grootste deel. Een historisch feit of figuur wordt als uitgangspunt genomen bij het schrijven van zon boek.
10.1.5: Literaire genres:
Volkssprookjes: Deze sprookjes zijn ooit eeuwen geleden bedacht en later opgeschreven. Door middel van orale literatuur. Sprookjes werden aan elkaar doorverteld vol volkswijsheden en symboliek. De auteur is vaak onbekend. (assepoester, klein duimpje, roodkapje.)
Cultuursprookjes: Hierbij is de auteur wel bekend. Schrijvers maken zelf de sprookjes.
Bibliotheken baseren hun indeling op de technische moeilijkheidsgraad en de emotionele inhoud van de boeken.
Prentenboeken:
Deze boeken prikkelen de aandacht van de leerlingen. Het kan zorgen voor meer begrip van het verhaal.
Counterpoint (contrapunt) = tekst en beeld verhouden zich met elkaar.
Complementair: aanvullend op elkaar.
Rijmpjes/versjes zijn vaak kleine gedichtjes. Gedichten kunnen lang en kort zijn maar hoeven niet altijd ook te rijmen.
Wat gebeurt er landelijk op kinderboekengebied?
Prijzen
Kinderboekenweek
Nationale voorleesdagen
Soorten argumenten waarmee we het verschil tussen literair en niet-literair kunnen vinden:
Emotivistisch (emotie)
Moreel (morelen, waarden en normen)
Structureel (structuur)
Realistisch (realiteit)
Stilistisch (stijl)
Intentioneel (intentie van het verhaal)
Niet literaire teksten hebben vaak een voorspelbaar plot, goedkope humor en slecht uitgewerkte karakters.
Literaire teksten zijn vaak pozie, verhalen en romans. Er zit vaak erg veel diepgang in deze verhalen en het is een stuk complexer.
Jeugdliteratuur kan beoordeeld worden door middel van de volgende invalshoeken:
Literair. (Beoordelen van de tekst staat centraal).
Pedagogisch. (Het kind en zijn ontwikkeling staan centraal).
Ideologisch. (De maatschappij en het functioneren van het kind in de maatschappij staat centraal).
Manieren om kinderen bewust te maken dat er meer in boeken zit:
door selectie van boeken.
door vragen te stellen die leerlingen ontdekkingen laten doen.
literaire elementen te benadrukken (o.a. tijd, perspectief en ruimte).
Hoe lees je een boek succesvol voor?
Voorbereiding:
Lees zelf veel om goede keuzes te kunnen maken. Als je je hebt voorbereidt weet je beter wanneer en hoe je je stem moet gebruiken. (Fluisteren, schreeuwen, boos, lachen, bang, gillen etc. etc..)
Het publiek:
Kies een goede opstelling, oogcontact kunnen maken is van belang. Ook moet iedereen het goed kunnen zien. Maak er een leuke activiteit van door een leeshoek te maken.
De leerkracht:
Bekijk jezelf en geef jezelf feedback, wees kritisch. Neem jezelf bijvoorbeeld op en luister dit terug. Zo krijg je een goed beeld van hoe jij voorleest.
Interactief voorlezen:
Taalstimulering is hier het doel, dit doe je door vragen te stellen over het verhaal
De verschillen tussen voorlezen en vertellen:
Als je vertelt gebruik je je eigen taal terwijl als je voorleest je de taal overbrengt van de auteur.
Je moet kunnen improviseren als goede verteller.
Voorlezen moet meer en op een andere manier voorbereid worden dan vertellen. Een voorlezer heeft een boek voor zich dit geeft meer afstand dan als je gewoon zelf wat vertelt.
Bij voorlezen ben je afhankelijk van de opstelling terwijl vertellen gemakkelijk kan in alle opstellingen zolang je maar oogcontact kan blijven houden.
Boekpromotie hoe doe je dat?
Lees eruit voor.
Vertel over het boek of laat er over vertellen.
Laat veel soorten boeken zien.
Nodig de auteur op school uit.
Leg een verantwoorde collectie boeken aan.
Thematische exposities met boeken.
Door zelf veel boeken te lezen kan je beter keuzes maken uit de juiste boeken.
Het stimuleren van de leerlingen is van groot belang dus lees veel verschillende soorten teksten voor en doe mee aan voorleeswedstrijden.
Het gebruik van informatieve boeken:
Minder makkelijk om uit voor te lezen dan fictieboeken.
Geschikt om individueel te lezen.
Studerend lezen met welk doel? (instructies, uitleg en kennis opdoen).
Hoe verwerk je sprookjes in de klas?
Poppenkast
Schimmenspel
Dramatiseren
De leerlingen zelf sprookjes laten schrijven.
Sprookjes zijn multicultureel, dus niet alleen als wijze les maar ook voor vermaak!
Wat zijn de verschillen tussen voorlezen en interactief voorlezen?
Bij voorlezen richt je je enkel alleen op het lezen en overbrengen van het verhaal.
Maar bij interactief voorlezen zoek je actief de interactie op met de leerlingen door vragen te stellen voordat je met het boek begint maar ook tijdens het verhaal. Je zorgt er voor dat de taal gestimuleerd wordt bij de leerlingen. Ook laat je actief plaatsjes zien als die in het boek aanwezig zijn en maak je bespreekbaar wat er te zien is. je stimuleert het denkproces van de leerlingen.
Werkvormen met gedichten:
Schrijven van gedichtjes.
Verhaaltje schijven, korte zinnen, deze losknippen en husselen en vervolgens weer op een andere manier in elkaar plakken.
Memoriseren: gedicht uit je hoofd leren.
Gedicht zingen of zelfs rappen.
Poetry slam: Dichtkunst, voordracht.
Gedichtenverzameling aanleggen in de klas.
Welke technische leesniveaus zijn er allemaal?
Avi-niveau: Heeft 12 niveaus. Elk niveau bestaat uit een cijfer en een letter. Begin = AVI-START en eind = AVI-PLUS. Het is gericht op het technisch lezen.
CLIB-niveau: CLIBSTART -1-2-3-4-5-6-7-8- CLIBPLUS, Gericht op het begrijpend lezen.
DMI: Drie Minuten Toets. Test op het verklanken van afzonderlijke woorden.
Leeslat: Leeservaringsschaal AVI en Thema. Boeken met A = Makkelijk, Boeken met H = Complex.
Artikelen:
Keuzes maken prentenboek:
Ga na wat je doelgroep is.
De volgende vragen kun je hierbij stellen:
o Wordt er in dit boek een thema uitgewerkt dat mijn doelgroep aanspreekt?
o Is het niveau goed? Niet te simpel, niet te moeilijk?
o Sluit het aan bij het referentiekader van mijn doelgroep? Kunnen de leerlingen iets herkennen in het thema, hoofdpersonage?
o Wat maakt dit prentenboek interessant voor mijn doelgroep?
o Heeft het prentenboek voldoende kwaliteiten?
Dus kort samengevat: Je kijkt naar: doelgroep, thema, niveau, referentiekader/herkenning, interesses, kwaliteit.
Korte analyse is van belang bij een prentenboek zie hieronder waar je op moet letten bij zon analyse:
o Thema van het boek
o Wat wil de illustrator duidelijk maken?
o Opgeroepen verhaalwereld: fantasie of realistisch
o Compositie, chronologisch of flashbacks aanwezig?
o Wijze van illustreren
o Relatie tekst-illustraties : Zit er een groot verband tussen?
o Tekstniveau: zijn er begrippen die van tevoren toegelicht moeten worden?
Hoe maak je een goede doelstelling?
Stel jezelf deze vragen:
o Wat wil ik dat de kinderen bij dit boek ontdekken en ervaren?
o Waarop kunnen ze reageren?
o Waarover ben ik benieuwd naar hun mening?
Opstelling:
Ga zo zitten dat alle kinderen de prenten kunnen bekijken. halve kring of 2 halve kringen met kinderen nog vooraan op de grond of stoeltjes.
Afspraken maken!
Maak afspraken van tevoren zoals: Ik laat de prenten zien wanneer ik het stukje tekst heb gelezen.
Laat de leerlingen eerst alleen kennis maken met het verhaal en vervolgens geef je ze de gelegenheid om te reageren.
Wat doe je als de leerlingen toch reageren?
Als de leerlingen toch reageren geef je ze enkel een gebaar of zeg je dat de leerling nu eerst moet luisteren en straks ook mag vertellen.
Vaker een prentenbroek voorlezen? JA, dat kan!
o Kinderen gaan de eerste keer zo op in het verhaal waardoor hen bepaalde dingen ontgaan.
Bij de volgende keer kan je wijzen op bepaalde details of grapjes in de prenten of op iets dat een belangrijke rol speelt in het verhaal.
Kijken naar de illustraties. Hoe is het gemaakt?
Hoe kies je een boek om interactief voor te lezen?
Kies boeken die jezelf leuk vindt en die passen bij het opleidingsniveau van de leerlingen.
Kies boeken met een goed verhaal waarin de leerlingen zich kunnen inleven.
Bereidt je goed voor! Lees het boek zelf al door en bedenk alvast vragen die je kunt stellen.
De drie fasen van het interactief voorlezen zijn:
Voor Tijdens Na
Voor: Stap 1: vanuit de werkelijkheid, ervaringen kinderen Stap 2: naar het boek, boekorintatie.
Tijdens: Stap 1: Interactief voorlezen Stap 2: Vragen over het boek. (geen eigen ervaringen!)
Na: Stap 1: Vanuit het boek Stap 2: Naar de werkelijkheid, ervaringen kinderen.
Activiteiten per fase:
Voor:
Voorkennis over het onderwerp activeren. (illustraties, voorwerpen, versjes.)
Voorkennis over het boek activeren: boekorintatie. (titel, hoofdpersonen, kaft etc)
Tijdens:
Af en toe vragen stellen tussendoor maar niet te vaak! (samenvattende vragen, voorspellende vragen, vragen over het hoofdpersonage, vragen over de werkelijkheid.
Na:
Sta enkele opmerkingen toe, hieronder wat voorbeelden:
Geef de kinderen de kans op spontaan te reageren.
Ga in op wat centraal stond.
Maak een korte samenvatting samen door vragen te stellen.
Verhaal laten navertellen
Kritiek laten geven, mening onderbouwen.
Boekorintatie en verhaalbegrip passen bij het interactief lezen omdat je van tevoren bij het interactief voorlezen georinteerd naar een boek kijkt en je door interactief met de leerlingen aan de slag te gaan de leerlingen een beter begrip krijgen op het verhaal.
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag