Maak een oefenexamen van de volgende tekst: DEEL 4 BEGELEIDEN EN EVALUEREN VAN AANBOD
1 BEGELEIDEN VAN AANBOD
Na een uitgebreide voorbereidingsfase volgt de onderwijsleerpraktijk. Dit is de uitvoeringsfase. We organiseren en begeleiden onze voorbereide activiteit. Een goede uitvoering is het gevolg van een degelijke voorbereiding. Wanneer je op voorhand goed nadenkt over de beginsituatie, vooropgestelde doelen en het vormgeven van de onderwijsleersituatie zal de uitvoering sterker zijn. Je kan meer structuur bieden en kleuters meer inhoudelijk uitdagen en stimuleren op hun maat wanneer je dit planmatig doet.
Hoewel een goede voorbereiding aan de basis ligt van een goede uitvoering, is dit geen 100% garantie tot succes! Er zijn immers diverse factoren die ervoor kunnen zorgen dat wat je hebt voorbereid alsnog niet geheel wordt uitgevoerd zoals gepland. Zo kan een klasgesprek een andere wending krijgen van zodra een vogel tegen het raam vliegt, kan een excursie in het bos anders verlopen door een fikse regenbui, etc. Het heeft dan ook geen zin om een voorbereiding als verplichte handleiding te gaan beschouwen, maar eerder als leidraad. Het is de taak van de leerkracht om te trachten de brug van de beginsituatie naar de doelen te (blijven) maken. Dat kan door omstandigheden ook via een andere weg zijn dan voorzien, met enige vertraging/versnelling, etc.
Eveneens zal eenzelfde voorbereiding door verschillende leerkrachten op een enigszins andere manier worden uitgevoerd, iedereen heeft ten slotte zijn eigen begeleidersstijl.
1.1 Het keuzeaanbod organiseren en opstarten
Welke vorm je ook kiest, bij groepswerk zijn er - meer nog dan bij de klassikale vorm - duidelijke afspraken nodig en moeten er grenzen gesteld worden aan het gedrag van de kleuters. De klassituatie moet voor iedereen leefbaar blijven. Ook moet je ervoor zorgen dat je je zodanig beweegt in de klas dat je zoveel mogelijk kleuters/hoeken in het oog kan houden. Ga dus niet met je rug naar de keuzegroepen staan.
Bij de organisatie van een keuzeaanbod houd je rekening met de volgende aspecten:
Een keuzeaanbod betekent niet dat het aanbod minderwaardig is. De benaming roept te veel de gedachte aan bezigheidstherapie' op. De activiteiten van de keuzegroepen moeten volwaardige en nuttige activiteiten zijn. Ze dienen even boeiend te zijn als het aanbod van de hoofdgroep. Ze verdienen dan ook een doordachte voorbereiding.
De verschillende keuzemogelijkheden moeten bij de aanvang van de activiteit aan alle kleuters aangekondigd worden. Ze hebben het recht om vooraf te weten tussen welke activiteiten er gekozen kan worden om zo een min of meer persoonlijke keuze te kunnen maken. Ook behoud je als kleuteronderwijzer op deze manier het wij-gevoel in de klas want iedereen weet waarmee de anderen bezig zijn (zie ook deel 1 8.1.6 Werkwijze: Verloop van de activiteit, verdeling kleuters over verschillende activiteiten).
Wanneer er verschillende keuzegroepen tegelijk aan het werk zijn, veronderstellen we dat je al deze groepen behoorlijk begeleidt. We spreken in dit verband over parallel begeleiden. Aangezien de kleuteronderwijzer echter intenser met de hoofdgroep bezig is, moeten de activiteiten voor de keuzegroepen grotendeels zelfstandig uitgevoerd kunnen worden. Nieuwe technieken kunnen dus best vermeden worden. Ook moet de kleuteronderwijzer ervoor zorgen dat er gedurende de activiteit met de hoofdgroep een deeltaak voorzien is die de kleuters zelfstandig kunnen uitvoeren. Zo kan hij even weg om de keuzegroepen te bezoeken, aan te moedigen of verder te helpen zonder de hoofdgroep echt los te laten.
Als volgende eis stellen we voorop dat ook de activiteiten voor de keuzegroepen voldoende open zijn, met andere woorden behoorlijk wat inbreng van de kinderen moeten toelaten.
Vervolgens moet de vrije keuze van de kleuters gewaarborgd zijn. Hierdoor komt het beurtrolsysteem op de helling. Wanneer gewerkt wordt met een beurtrol wordt er doorgeschoven op vaste tijdstippen zodat alle kleuters bij de verschillende activiteiten aan de beurt zullen komen. Kleuteronderwijzers houden het (te) dikwijls bij de vorm waarbij de keuzegroepen iets anders om handen hebben, maar wel zo dat nadien kan doorgeschoven worden in een beurtrolsysteem. Dit heeft uiteraard voordelen. Ten eerste vermijden ze hierdoor moeilijkheden bij een vrije keuze van de kinderen omdat ze kunnen beloven dat ook de anderen binnenkort aan de beurt zullen komen. Ten tweede kost het hen doorgaans minder inspanning en minder voorbereiding. Het doorschuifsysteem houdt echter geen keuzevrijheid in voor de kleuters.
Men zorgt er best voor dat de activiteiten van alle groepen verenigbaar zijn. Dit betekent onder andere dat ze zodanig moeten gekozen zijn dat de groepen elkaar niet storen of elkaars activiteiten niet onmogelijk maken. Iedereen begrijpt dat voetballen of rondrijden met de fietsjes niet te verenigen is met het bouwen van hoge torens. Het is ook evident dat timmeren of experimenteren met muziekinstrumenten niet kan plaatshebben net naast de leeshoek waar enkele kinderen prentenboeken zitten in te kijken.
Het is niet echt noodzakelijk dat de timing van het keuzeaanbod overeenstemt met die van het hoofdaanbod, maar het vergemakkelijkt vaak wel de begeleiding in functie van wisselen/doorschuiven. Als dit niet het geval is, voorzie je best uitwijkmogelijkheden zodat de kleuters een uitdaging behouden. Zo kan je bijvoorbeeld extra hoeken openstellen zodat kleuters kunnen doorschuiven naar een andere hoek wanneer ze klaar zijn.
Het lijkt ons interessant om ervoor te zorgen dat de activiteiten van de verschillende groepen met elkaar in verband staan. Hiermee bedoelen we geenszins dat de activiteiten tot eenzelfde ontwikkelingsdomein moeten behoren. Omwille van het behoud van het wij-gevoel zouden de verschillende activiteiten naar eenzelfde belangstellingscentrum kunnen verwijzen.
Kleuters houden ervan - zeker na het werken in groepen - elkaars resultaten te bekijken, te beluisteren, te bewonderen en te becommentariren.
Ook het openstellen van hoeken kan een zinvol en verantwoord keuzeaanbod zijn (zie Ervaringsgericht onderwijs 1). Hiervan werd vroeger bijna enkel gebruikgemaakt wanneer er wat misging met de timing (in de voormiddag). Zowel kleuters die eerder klaar waren als groepen waarvan de opdracht minder tijd in beslag nam dan oorspronkelijk voorzien was, konden van deze regeling profiteren. Het is in ieder geval beter dan het te pas en te onpas aanbieden van puzzels, rijgkralen en steeknagels. Hoeken openstellen mag dus zeker gebeuren, maar men realiseert zich onvoldoende dat intens spel op zich al waardevol is. Het spelen in een hoek kan dus ook een volwaardige groepsactiviteit zijn. Met deze mogelijkheid moet echter omzichtig omgesprongen worden omdat het voor de kleuters geen vlucht voor een gestelde opdracht mag betekenen (zeker niet voor de oudsten).
Om een groepsactiviteit vlot te laten verlopen, moet je dus vooraf grondig over een aantal zaken nagedacht hebben.
1.1.1 Richtvragen bij het werken met keuzeaanbod
Het aanbieden van een hoofd- en keuzeaanbod maar zelfs ook enkel een keuzeaanbod vraagt heel wat organisatorische vaardigheden van jou als KO. In het voorbereiden en kiezen van het aanbod dat je tegelijkertijd laat plaatsvinden denk je dus best goed na. Tracht daarom een doordachte organisatiepuzzel te leggen op basis van volgende puzzelstukken die kunnen helpen om je organisatie succesvol te laten verlopen.
- Hoeveel organisatorische hulp vraagt elke activiteit (m.a.w. is de begeleidingsgraad hoog, gemiddeld of laag per activiteit)? Indien er veel activiteiten met een hoge organisatorische begeleidingsgraad zijn, grijp je best in.
- Hoeveel kleuters laat ik deelnemen aan elke activiteit om de organisatie en begeleiding haalbaar te houden? Waar in de ruimte laat ik de activiteiten plaatsvinden zodat ik alles goed in het oog kan houden? Kan ik eventueel gebruik maken van de buitenruimte/gang/?
- Zijn er activiteiten die doorheen de tijd variren in de begeleidingsgraad (bv. opnieuw opstarten van een spel met nieuwe kleuters)?
Naast de organisatorische begeleiding, zal je sowieso voor elk aanbod tijd moeten maken voor doelgerichte begeleiding via impulsen!
1.2 Het keuzeaanbod begeleiden via 3 Vs
Als het spel van kleuters ondersteunen en stimuleren kan gebeuren vanuit de didactiek van de 3 Vs.
Verkennen: Bij verkennen gaat het om goed te observeren wat een kind doet en zegt tijdens de spelmomenten. Het is de bedoeling om erachter te komen wat het kind al weet en waar zijn interesse naar uit gaat. In dit verkenningsstadium kan de leerkracht bepalen in welke ontwikkelingsfase een kleuter zich bevindt, hoe zijn sociaal-emotionele ontwikkeling verloopt en wat een volgende stap kan zijn.
Verbinden: Het maken van verbinding met de interesse van het kind kan zon stap zijn. Hierbij kan de leerkracht ook andere kinderen betrekken. Door het maken van verbinding ontstaat communicatie.
Verrijken: Hierbij wordt het spel naar een hoger plan getild via nieuwe impulsen en het leggen van linken tussen verschillende ontwikkelingsdomeinen. De leerkracht biedt alleen verrijking wanneer dat nodig is. Want als kinderen zelf initiatieven nemen is het goed om als leerkracht daarbij aan te blijven sluiten.
1.3 Het keuzeaanbod begeleiden via impulsen
1.4 Relatie met voorbereiding
1.4.1 Relatie leermiddelen & onderwijsleerpraktijk
Het materiaal dat in een klas gebruikt wordt, heeft zichtbaar effect op de kleuters. Door het gebruikte materiaal gaan de kleuters zich anders gedragen. Aanschouwelijk werken (levensecht materiaal en/of met prenten) krijgt in de kleuterklas de voorkeur op verbaal werken.
1.4.2 Relatie onderwijsleerpraktijk & de gehele lesvoorbereiding
Bij de uitvoering gaat de leerkracht na of de lesvoorbereiding effectief leidt tot de beoogde doelen. Indien dit niet het geval is, moet er bijgestuurd worden. Dit betekent dat je in de praktijk soms (geregeld) zal afwijken van je voorbereiding. Je mag niet halsstarrig vasthouden aan je voorbereiding als je in de praktijk merkt dat het niet werkt. Je doet met andere woorden al aan procesevaluatie en optimalisering tijdens het uitvoeren van de onderwijsleeractiviteit (en dus niet enkel nadien).
2 EVALUEREN VAN AANBOD
Evalueren helpt je als kleuteronderwijzer om de vinger aan de pols te houden.
2.1 Waartoe evalueren?
Enerzijds zal evalueren je helpen om de ontwikkeling van kleuters op te volgen (Standaert et al., 2012). Richtsnoeren die je als KO kan gebruiken om de voortgang in ontwikkeling van kleuters in kaart te brengen zijn welbevinden, betrokkenheid en competenties. Dat welbevinden en betrokkenheid onontbeerlijk zijn om kleuters tot fundamenteel leren te brengen, komt uitgebreid aan bod bij Ervaringsgericht onderwijs 1.
Anderzijds helpt evalueren de kleuteronderwijzer om zijn eigen onderwijs te beoordelen (Standaert et al., 2012). Je stelt je als leraar voortdurend de vraag of jouw aanpak geschikt is, eventueel bijgestuurd dient te worden, welke positieve effecten je wil doortrekken naar andere situaties enzovoort.
2.2 Hoe evalueren?
In onderwijs splitst men de evaluatie doorgaans op in twee soorten: productevaluatie en procesevaluatie.
2.2.1 Productevaluatie
Bij productevaluatie ga je als leraar na in hoeverre de vooropgestelde doelen bereikt zijn. Hierbij wordt gekeken naar het uiteindelijke resultaat. Kan de kleuter de voorwerpen per kleur sorteren? Kan de kleuter zijn beurt afwachten? Kan de kleuter hulp vragen als het nodig is? Enzovoort. De productevaluatie gebeurt in het kleuteronderwijs doorgaans door middel van observatie.
2.2.2 Procesevaluatie
Procesevaluatie betekent dat je als leraar kijkt naar het proces dat geleid heeft naar het product. Je kijkt hier als het ware naar de manier waarop de doelstellingen worden nagestreefd en gerealiseerd (Clement & Laga, 2014). Het gaat hier zowel over de vraag Hoe verliep het onderwijzen door de onderwijzer? als over de vraag Hoe verliep het leren van de lerende?. Hoe komt het nu dat een bepaalde kleuter de doelstellingen niet heeft bereikt? Als KO ga je systematisch aan de slag om informatie in te winnen over het leerproces dat zich aan het afspelen is of afgespeeld heeft bij de kleuters. Dit doen we door welbevinden, betrokkenheid en vorderingen in competenties te observeren, door mee te spelen, enzovoort.
De evaluatie biedt informatie voor het verbeteren van de onderwijsleersituatie en het beter inschatten van de andere componenten van het didactisch model zoals bijvoorbeeld het correct bepalen van de beginsituatie. Hoe kan ik het als leraar de volgende keer beter aanpakken?
Onder 8.1.7 Werkwijze, specifiek bij de fase Evaluatie of terugblik, kan je bekijken hoe je op het einde van een activiteit samen met je kleuters kan stilstaan bij het verloop en de opgedane inzichten tijdens die activiteit. Ook met je kleuters terugblikken op wat ze ervaren en geleerd hebben is immers zinvol. Je kan hierbij vragen stellen als: Wat heb je gedaan? Wat weet je nu meer? Wat heb je geleerd over jezelf? Door samen met je kleuters te reflecteren ondersteun je hun metacognitieve processen (Katholiek Onderwijs Vlaanderen, 2016b).
Je kan echter ook bewust activiteiten inbouwen om samen met de kleuters stil te staan bij de bredere stand van zaken, bijvoorbeeld wat hebben ze al gedaan binnen een belangstellingscentrum en wat zouden ze nog graag willen doen? Je kan zo nagaan of ook de algemene doelstellingen als rode draad doorheen je BC voldoende behaald zijn. Op deze invulling van de evaluatiefase wordt dieper ingegaan bij Ervaringsgericht onderwijs 1.
2.2.3 Relatie doelstellingen & evaluatie
De concreet geformuleerde doelen geven aan wat er moet bereikt worden. De (product-) evaluatie houdt in dat we terugblikken op de geformuleerde doelen. Zijn ze bereikt? Indien de doelen niet bereikt zijn, is het misschien nodig het proces bij te stellen.
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 25.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag