Studiebot antwoord

Stel een vraag ›
 
Vraag gesteld door: saarroekeloos - 2 jaren geleden

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: PROBLEMEN BIJ CRIMINOLOGISCH ONDERZOEK
1. Verborgen populaties


2. Dark number
Dark number: niet door politie geregistreerde criminaliteit
o Niet alle delicten gemeld bij politie
o Niet alle gemelde delicten geregistreerd door politie
Grey number: gemelde, maar niet door politie geregistreerde criminaliteit

3. Scheve verdeling van criminaliteit
Veel kenmerken in sociale realiteit zijn (bij benadering) normaal verdeeld, maar criminaliteit niet!


4. Ethische belemmeringen
Experimenteel criminologisch onderzoek is vaak onethisch
Criminologisch onderzoek gebruikt vaak bedreigende vraagstellingen
o Zelfrapportages (vraag of respondent delicten heeft gepleegd): sociale wenselijkheid
o Slachtofferenqutes (vraag of respondent slachtoffer is geweest): herbeleving traumas

5. Afhankelijkheid van overheid
Criminologie verwijst altijd wel naar overheid
o Criminologie is inherent verbonden met strafrecht
o Beleidsgericht > fundamenteel onderzoek
Beleidsgericht: vraagstelling gaat uit van overheid
Fundamenteel : vraagstelling komt uit wetenschappelijk dispositief
Verschillen in verwachtingen tussen beleidsmakers en onderzoekers: concrete sleutel-op-de-deur oplossingen vs. verruiming wetenschappelijke kennis

TWEE TYPES VAN CRIMINOLOGISCH ONDERZOEK
Kwantitatief onderzoek: positivisme
Kwalitatief onderzoek: (zie volgend college)


KENMERKEN VAN POSITIVISTISCH ONDERZOEK
1.Empirisme:
Uitgangspunt: kennis steunt op ervaring van externe wereld, die objectief meetbaar is
Alternatieve kennismodellen
o Rationalisme
o Ware kennis via logisch denken en redeneren
o Intern organiserend principe om waarnemingen te ordenen en interpreteren
o Constructivisme/interpretivisme
o Wetenschappelijke concepten zijn sociale en culturele constructies
o Kennis is product van historische en sociale processen
o Kritische Realisme
o Erkenning van constructivisme
o Onderscheid tussen de 'echte' en de 'waarneembare' wereld: scheiding tussen ontologie en epistemologie
Modern positivisme erkent dat observaties niet mogelijk zijn zonder concepten
o Kiest meestal voor kritische realisme


2.Determinisme/probabilisme:
Uitgangspunten: verleden bepaalt heden; gedragingen moeten worden verklaard door voorafgaande gebeurtenissen of factoren
o Causaliteit is centraal begrip
Hume: vier voorwaarden voor causaliteit
1. Constant samengaan van twee gebeurtenissen
2. Contiguteit
3. Antecedentie
4. Uitsluiten van andere oorzaken
Kritiek op determinisme:
o Methodologisch: onmogelijk om aan alle voorwaarden voor causaliteit te voldoen
o Wetenschapsfilosofisch
Causaliteit is geen objectief kenmerk van externe werkelijkheid, maar filosofisch construct
Geen ruimte voor vrije wil
o Determinisme vervangen door probabilisme in moderne positivisme:
Gevolgen zullen meestal voorkomen wanneer oorzaken
aanwezig zijn

3.Reductionisme:
Uitgangspunt: geobserveerde fenomenen kunnen worden herleid tot beperkt aantal verklarende factoren
Verschillende soorten reducties
o Metafysisch
o Materieel/biologisch
o Temporeel
Ook afgezwakt door moderne positivisten

4.(Natuur-)wetenschappelijke methode:
Objectieve waarneming
Gecontroleerde waarneming
Hypothetische-deductieve aanpak
Wiskunde en statistiek
Publieke controle
Beperkingen wetenschappelijke methode:
o Onmogelijke eisen
o Op zichzelf onvoldoende en ondergeschikt aan theorie
o Laat niet toe om complexe menselijke relaties en fenomenen te beschrijven
o Wordt in variabele mate erkend door moderne positivisten
o Voor constructivisten is de natuurwetenschappelijke methode zelf niet toepasbaar op maatschappelijke themas

5.Wetenschappelijke theorie:
Nodig om plausibele verklaringen voor werkelijkheid aan te dragen
Positivistische definitie:
Theorie bestaat uit concepten die via expliciet geformuleerde verbanden en uitspraken over causaliteit met elkaar verbonden worden en waarbij nodige kennis beschikbaar is om deze verbanden te verklaren

Alle kenmerken Ontologische en epistemologische uitgangspunten!

KWANTITATIEF ONDERZOEKSJARGON
1.Probleemstelling:
Doelstelling: wat wil men met onderzoek bereiken?
o Drie soorten doelen drie soorten onderzoek
Theoretisch onderzoek
Handelingsonderzoek/praktijkonderzoek
Leeronderzoek
Onderzoeksvraag: welke vraag wil men a.d.h.v. onderzoek beantwoorden?
o Soorten onderzoeksvragen
Beschrijvend, verkennend/exploratief of verklarend/toetsend
Fundamenteel of praktijkgericht
o Soorten onderzoeksvragen: toepassing
Beschrijvend: beschrijft het bestudeerde fenomeen
Vb. Wat is de demografische samenstelling van gevangenen in Leuven Centraal, inclusief factoren zoals leeftijd, geslacht, en opleidingsniveau?
Verkennend of exploratief: het aftasten van (nieuwe) vooronderstellingen
Vb. Wat zijn enkele opvallende demografische patronen in de gevangenispopulatie Leuven Centraal, en hoe kunnen deze patronen worden verklaard of genterpreteerd?
Verklarend of toetsend: verklaren van geobserveerde verschillen of veranderingen
Vb. Wat is het effect van demografische factoren, zoals leeftijd, geslacht, en opleidingsniveau, op de herhaling van crimineel gedrag onder voormalige gevangenen Leuven Centraal?

2.Theorie, concepten en operationalisering:
Theorie bestaat uit concepten die via expliciet geformuleerde verbanden en uitspraken over causaliteit met elkaar verbonden worden en waarbij nodige kennis beschikbaar is om deze verbanden te verklaren
Concepten zijn abstracte begrippen, die weliswaar verwijzen naar werkelijkheid, doch op zichzelf niet grijpbaar noch meetbaar zijn
o Twee soorten definities van concepten
Conceptuele definitie: definitie in termen van andere concepten
Operationele definitie: maakt duidelijk hoe betrokken concept kan worden gemeten
Operationaliseren: meetbaar maken van concepten

3.Variabelen:
Variabelen zijn geoperationaliseerde concepten die verschillende meetwaarden kunnen aannemen
Onafhankelijke, afhankelijke en storende variabelen
o Onafhankelijke variabelen: variabelen die verklaren (explanans)
o Afhankelijke variabelen: variabelen die verklaard worden (explanandum)
o Storende variabelen: variabelen die invloed hebben op relatie tussen onafhankelijke en afhankelijke variabelen
Correlatie is niet gelijk aan causaliteit!!!




4.Hypothesen:
Hypothesen zijn specifieke stellingen betreffende (causale) relatie tussen twee of meer concepten, afgeleid uit theorie
Drie soorten hypothesen
o Onderzoekshypothese: stelling die relatie tussen concepten weergeeft
o Nulhypothese: stelling die relatie tussen concepten ontkent
o Alternatieve hypothese: onderzoekshypothese die voorlopig aanvaard wordt na verwerping nulhypothese
o Popperiaans falsificationisme: wetenschappers moeten niet streven naar verificatie van onderzoekshypothese, maar wel naar falsificatie van nulhypothese
Onderscheid wetenschap-pseudowetenschap

5.Onderzoekseenheden:
Onderzoekseenheden kunnen zich op drie (aggregatie)niveaus bevinden
o Microniveau: personen, gebeurtenissen
o Mesoniveau: buurten, steden
o Macroniveau: landen, samenlevingen
Theoretische en empirische onderzoekseenheden dienen samen te vallen
o Ecologische fout: theoretische onderzoekseenheden op lager niveau dan empirische onderzoekseenheden
o Atomistische fout: theoretische onderzoekseenheden op hoger niveau dan empirische onderzoekseenheden

6.Kwaliteit van (kwantitatief) onderzoek:
Betrouwbaarheid: mate waarin metingen vrij zijn van toevalsfouten
Validiteit
o Inhoudsvaliditeit van metingen: mate waarin instrument alle aspecten van concept vat en meet
o Interne validiteit van methode: mate waarin oorzaak-gevolg relatie overtuigend wordt aangetoond
o Externe validiteit van methode: mate waarin resultaten van steekproef naar populatie veralgemeend kunnen worden

CONCLUSIE
Verschillende aspecten bemoeilijken criminologisch onderzoek
o Verborgen populaties, dark number, scheve verdeling van criminaliteit, ethische belemmeringen en afhankelijkheid van overheid
Naef positivisme vertrekt van uitgangspunten waaraan geen onderzoek kan voldoen
o Empirisme, determinisme, reductionisme, wetenschappelijke methode en wetenschappelijke theorie
Huidig kwantitatief onderzoek (aka moderne of neo-positivisme) blijft genspireerd op deze uitgangspunten, maar wel in afgezwakte vorm
Kwantitatief onderzoek gebruikt eigen jargon
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 10.

Antwoord gegenereerd door AI Antwoord rapporteren

Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.

Stel een vraag
 
Inloggen via e-mail
Nieuw wachtwoord aanvragen
Registreren via e-mail
Winkelwagen
  • loader

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items! Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

loader

Ontvang gratis €2,50 bij je eerste upload

Help andere studenten door je eigen samenvattingen te uploaden op Knoowy. Upload ten minste één document en krijg gratis € 2,50 tegoed.

Upload je eerst document