Onderwerpen die aan bod komen:
Taal:
- rijm (waarom en hoe het gebruikt wordt en welke vormen rijm er zijn).
- vergelijkingen (wat ze zijn en waarvoor ze gebruikt worden.)
Grammatica zinsdelen:
-het herkennen van:
- persoonsvorm,
- zinsdelen en
- het onderwerp in een zin.
Grammatica woordsoorten:
het herkennen en gebruiken van:
- het persoonlijk en het bezittelijk voornaamwoord,
- het voorzetsel, en
- het bijwoord.
Formuleren:
over verwijzen met:
- deze, die, dit en dat, en
- persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden
Spelling:
- meervouden,
- verkleinwoorden,
- persoonsvorm verleden tijd van sterke werkwoorden en
- (on)voltooid deelwoord.
93 oefenvragen
Deze oefenvragen gaan over rijm (waarom en hoe het gebruikt wordt en welke vormen rijm er zijn). Ook zijn er vragen over vergelijkingen (wat ze zijn en waarvoor ze gebruikt worden.)
Hier volgen een aantal oefenvragen over persoonsvorm, zinsdelen en het onderwerp en hoe je deze kan herkennen in een zin.
Hier volgen een aantal oefenvragen over het herkennen en gebruiken van het persoonlijk en het bezittelijk voornaamwoord, het voorzetsel, en het bijwoord.
Hier volgen een aantal vragen over het op de juiste manier verwijzen naar deze, die, dit en het verwijzen met persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden.
Hier volgen een aantal vragen over meervouden, verkleinwoorden, persoonsvorm verleden tijd van sterke werkwoorden en (on)voltooid deelwoord.